Niemand wordt beter van vergelden

Moet je plegers van zware misdrijven vergeven? (Levens)lang straffen is in elk geval onwenselijk.

Is het vergeven van de dader geen verraad aan je man?, zo werd aan Hank Heijn-Engel gevraagd, de weduwe van Gerrit Jan Heijn. ’Zo’n misdadiger verdient toch levenslang?’ In haar pleidooi voor vergeven ontbreekt het begrip ’vergelding’ (Podium, 8 augustus). En terecht, (levens)lange straffen zijn onwenselijk.

Vergelding schrijft voor dat aangedaan leed met gelijke munt moet worden terugbetaald. In geval van groot leed (zoals een moord) zou de dader dus ook groot leed moeten ondergaan.

Enige jaren geleden was ik zelf ook een voorstander van sterke vergelding. In 2002 heb ik zowel in De Volkskrant als in Trouw een lans gebroken voor de doodstraf. De afgelopen jaren heb ik in verband met een promotie mij intensief beziggehouden met vergelding/retributie in het strafrecht en moest ik tot mijn eigen verbazing de conclusie trekken dat vergelding slechts in beperkte mate mag worden toegepast, ofwel dat het onwenselijk is dat er lange of zelfs levenslange gevangenisstraffen worden opgelegd.

Vergelding is alleen op zijn plaats bij normale, dat wil zeggen niet gestoorde medeburgers. Wanneer een TBS-patiënt die op weekendverlof is onder invloed van psychotische wanen een voorbijganger vermoordt dan willen we geen vergelding. De patiënt is immers gestoord, wist wellicht helemaal niet wat hij deed, en had nooit onbegeleid over straat mogen lopen. Hier moet niet vergolden maar behandeld worden.

En als de dader wel een normale medeburger is? Neem het fictieve geval van Peter H. die zijn ex-vrouw neersteekt omdat ze hem ten onrechte ervan beschuldigt incest met zijn kinderen gepleegd te hebben. We gaan er van uit dat Peter een normale medeburger is. Nu kunnen we aan andere normale medeburgers de volgende vraag stellen: Is het mogelijk dat u (in andere omstandigheden) een soortgelijk delict pleegt?

Als deze mensen beweren dat zij een dergelijk delict nooit zouden plegen, in geen enkele omstandigheid, dan is dat strijdig met het uitgangspunt dat Peter een normale medeburger is. Hoe kan het immers dat een normale medeburger iets ernstigs doet, dat andere normale mensen in geen enkele omstandigheid ooit zouden doen? Dat kan alleen maar als die vermeend normale medeburger significant afwijkt van de anderen, kortom, abnormaal is. Dat is strijdig met het uitgangspunt.

Derhalve moet worden aangenomen dat voor de meeste mensen er omstandigheden te bedenken zijn die hen tot een ernstig delict zouden kunnen brengen. Voor de een zal dat misschien een langdurige periode van werkeloosheid en armoede in combinatie met echtelijke ontrouw zijn, en voor een ander een heftige krenking van het eergevoel na een periode van langdurige stress.

Dat mensen vanuit hun luxe leunstoel het idee hebben dat ze nooit een ernstig misdrijf zouden kunnen plegen, wijst er op dat ze of gebrek aan zelfkennis hebben of dat ze weinig fantasie hebben (over wat ze zouden kunnen doen als ze veel tegenslag zouden krijgen), of dat ze in moreel opzicht uitzonderlijk hoogstaand zijn. Het laatste geldt alleen voor een kleine groep mensen en zeker niet voor de grote groep normale burgers.

Wanneer de samenleving dus moet vaststellen welke straf moet worden opgelegd aan een normale medeburger voor een bepaald delict, dan dient elke burger dus te beseffen dat deze straf ook aan hem eens kan worden opgelegd. Wanneer de burger dit inzicht heeft, zal hij vanzelf voor gematigd straffen zijn. Het is zeer onwaarschijnlijk dat hij dan voor de doodstraf of levenslange gevangenisstraf zal pleiten.

Maar hoe zit het nu met misdrijven die veel gruwelijker zijn dan zojuist beschreven? De gruwelijke moord op een kind bijvoorbeeld? Moeten we die niet veel strenger straffen? Het antwoord luidt ontkennend. Naarmate misdrijven gruwelijker worden, wordt het ook steeds aannemelijker dat de delinquent een ernstige afwijking heeft en dus geen normale medeburger is.

In zo’n geval moet vergelding (al dan niet ten dele) worden omgezet in behandeling. Ook dan geldt dat alleen beperkte (of geen) vergelding op zijn plaats is. Mocht iemand overigens de mening zijn toegedaan dat de pleger van een ernstig misdrijf altijd en per definitie abnormaal is, dan leidt dit vanzelf tot dezelfde conclusie.

Als de delinquent een normale medeburger is, kunnen we dus vergelden, maar dan wel beperkt. En als de delinquent niet normaal is dan moeten we ook beperkt vergelden (en aanvullend behandelen). In beide gevallen zijn lange gevangenisstraffen onwenselijk.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden