Niemand weet wat een essay is

Essays: wie koopt of leest ze? Ze staan bekend als moeilijk, als intellectueel. Klopt ook, schrijft Bas Belleman. Maar Joost Zwagerman verdient toch alle lof voor zijn nieuwe bloemlezing en voor zijn dappere poging het prachtige genre – Hermans, Komrij, Huizinga! – te populariseren.

Toen Gerrit Komrij voor zijn essays de P.C. Hooftprijs won, mopperde hij: „Nog nooit van mijn leven heb ik een essay geschreven.”

Als een van de grootste Nederlandse essayisten afstand neemt van het genre, dan mag één ding duidelijk zijn: het essay heeft een imagoprobleem. Geen dichter die op zo’n manier de poëzie schoffeert, geen romancier die de roman bij de vuilnis zet.

Dat beseft ook Joost Zwagerman. Hij citeert Komrij in de inleiding van ’De Nederlandse en Vlaamse literatuur vanaf 1880 in 200 essays’. Het kloeke boek is het derde van een drieluik waarin eerder de bloemlezingen van het korte en het lange verhaal verschenen.

Komrij is lang niet de enige die tegen het essay aanschopt. Willem Frederik Hermans maakte bijvoorbeeld gehakt van wat hij het ’esseej’ noemde, waarin conclusies worden getrokken „die de lezer zelf ook wel had kunnen trekken, als hij daar plezier in had gehad”.

Ook dat citeert Zwagerman. Toch breekt hij breekt graag een lans voor het genre: het is zoveel mooier dan deze auteurs het afschilderen en dat weten zij stiekem zelf ook wel, gezien hun oeuvre.

Hoe rukt Zwagerman het essay dan uit de klauwen van zulke beschimpingen? Door te laten zien hoeveel gedaanten het kan aannemen. Het is het ’beweeglijkste’ literaire genre, schrijft hij zeer terecht. Het is subversief in zijn ’totale vrijheid’. Strikt genomen kun je niet eens van een genre spreken, want niemand weet wat een essay is. Wat te denken van auteurs als Charlotte Mutsaers, M. Februari, Anneke Brassinga en Atte Jongstra, die „fictie, autobiografie en pastiche in hun essays [vervlechten], met als gevolg dat er soms een onbenoembaar genre ontstaat of anders wel een genre dat alles tegelijk wil én kan zijn?”

Zwagerman oefent zo een vrolijke vorm van morele chantage uit: als u eenmaal erkent dat het essay inderdaad zo veelvormig is, dan moet u ook ruimhartig toegeven dat er altijd wel iets van uw gading bijzit. Het is eigenlijk benepen om niet van essays te houden.

Zijn dappere poging tot populariseren valt te prijzen, maar laten we eerlijk blijven: ze staat op gespannen voet met het elitaire karakter van het essay. Want hoe moeilijk het genre ook valt af te bakenen, elitair is het zeker. Ga maar na: er bestaat geen stand-up-essayistiek, geen pop-essayistiek, geen essay-slam. En voor zover die wel bestaat, in columns en cursiefjes, wil Zwagerman er niets van weten. „Het komt soms voor dat een kort essay de lengte heeft van een column, maar omgekeerd komt het bijna nooit voor dat een column zich verheft tot een mini-essay”, beweert hij stellig. (Wat hem er overigens niet van weerhoudt om enkele columns van Komrij op te nemen.)

Eén ding is zonneklaar: het elitaire karakter van de essayistiek schuilt voor een groot deel juist in die vermaledijde veelvormigheid. Waar zal de tekst in vredesnaam over gaan, in welke rare literaire mengvorm bevind ik me, welke leesvermogens moet ik aanspreken, moet ik nadenken, voelen of allebei? Essays lezen? Dat moet je willen en kunnen. Lezers van essaybundels moeten stevig in hun schoenen staan.

Dat blijkt ook wel uit Zwagermans monument voor het genre, waarin de diversiteit in alle hevigheid zichtbaar wordt. Hij heeft ervoor gekozen om veel schrijvers op te nemen: 167 in getal. Het ene moment lees je een wrang stuk van Armando, die zich afvraagt of een goedhartige, bejaarde nazi nog gestraft moet worden („Ik hoor het te weten, maar ik weet het niet zo goed, ik ben het vergeten, het is me ontschoten. Dat moet je maar niet meer aan me vragen.”), het andere moment wordt je verrast door Komrij, die de kunstwereld fileert: „Ik hoef u niet aan te raden de kunstkritieken in kranten en tijdschriften over te slaan. Dat deed u al. Maar ga eens naar een museum en steek daar uw tong uit”. Of je stuit op Charlotte Mutsaers, die van de ene associatie naar de andere springt om de ’logica van het gevoel’ te beschrijven: „Hemel, wat een wildsmaak zat er aan die tamme kastanjes, het leek wel haas! Het verleden dat mijn smaakpapillen vervormd had.” Of het boek valt open bij Kees Fens, die doodgemoedereerd de waarachtigheid van literatuur aftast: „De waarheid vóór de leugen van de vormgeving is dus een geheel andere dan die van erna”.

Wie niet bang is voor zulke diversiteit – of wie zijn angst wil overwinnen – moet de bloemlezing zeker aanschaffen. Zwagerman heeft zijn werk bewonderenswaardig goed gedaan. Misschien zijn niet alle essays briljant, maar ze vallen zelden werkelijk tegen.

Hooguit twijfel ik wel eens aan het literaire gehalte, want menig stuk is geschreven in de taal van het dag- en weekblad: bondig, journalistiek. Daarin raakt de kunst naar mijn smaak te veel op de achtergrond. Zo vergelijkt Xandra Schutte de plastische chirurgie met de mythe van de kunstenaar Pygmalion, die verliefd werd op zijn eigen kunstwerk. Haar scherpe analyse overstijgt met gemak de waan van de dag, maar dat betekent nog niet dat ze de literaire Olympus heeft bestormd.

Maar zulke kritiek hoort bij een bloemlezing en is er deels de lol van. Een goede bloemlezer wil ook provoceren, zowel in zijn ontdekkingen als zijn omissies. De keuze moet een beetje omstreden blijven.

De grootste afwezige in de bloemlezing is overigens Multatuli, die zijn werk voor 1880 publiceerde en daarom niet in aanmerking kwam. Maar ook een paar hedendaagse essayisten schitteren door afwezigheid. Waar is bijvoorbeeld het duo Robbert-Jan Henkes en Erik Bindervoet gebleven, dat zulke treffende stukken over vertalen heeft geschreven? Ook Karin Spaink blijft buiten de selectie, maar dat kon wel eens te maken hebben met Zwagermans persoonlijke aversie tegen haar: in het enige essay dat hij van zichzelf koos (over zelfmoord), fileert hij haar boek ’De dood in doordrukstrip’.

Zeven schrijvers eert hij met het maximum van drie essays, onder wie Komrij en Hermans. De andere vijf zijn Huizinga, Ter Braak, Vestdijk, Fens en Kousbroek. De grote Karel van het Reve verschijnt maar twee keer aan de start. Ook daarmee wil Zwagerman waarschijnlijk provoceren.

Uiteindelijk moeten de essays natuurlijk zichzelf bewijzen – en dat lukt ze best. Vaak zijn ze niet alleen mooi, maar ook vreselijk komisch. In ’Klaas boven Klaas’ verdedigt W.F. Hermans bijvoorbeeld dat delegeren de basis van welvaart is en hij laat dat zelfs op de landbouw slaan: „Het merendeel van de mensheid heeft het eten van klei aan graangewassen gedelegeerd.”

Zo kun je blijven citeren. Zoals dat hoort bij een goede bloemlezing.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden