NIEMAND HOORDE DE NOODKLOK IN HET SLAPENDE DREISCHOR

Niemand in Dreischor praat graag over die winterse dagen toen de vloed het dorp in de rug aanviel. Ze hebben er nooit veel over gesproken. "Het was hier een nuchter volk. Dood is dood" , zegt een overlevende. Toch schuilen achter de muren van het stille dorp herinneringen aan het onvoorstelbare. Aan angst en ellende, aan de bridgende burgemeester, aan de afgunst en aan die geheimzinnige vissersboot. Aarzelend vertelt het vergeten Dreischor zijn verhaal.

Het moet rijk geweest zijn, dit Zeeuwse dorp. De dominante kerk in het hart van de ring wijst erop: een hervormde kerk, het bolwerk van de enige geloofsrichting die Dreischor eeuwenlang kende. Ook het voormalige raadhuis (Dreischor behoort sinds 1961 tot de gemeente Brouwershaven) verhaalt van een welvarend verleden. En er staan meer stoere huizen aan de Ring in de oude dorpskom.

Dreischor was eeuwenlang een eiland. Het had z'n eigen plek tussen Schouwen en Duiveland en liet dat heel lang merken. 'De Republiek' werd Dreischor wel genoemd, rood als een biet, wars van het orthodoxe geloof dat dit waterige stuk Nederland zo kenmerkt.

Het inwonertal balanceert om en nabij de duizend. Het dorp telt alleen geen arbeiders meer. Met bosjes werkten ze vroeger in de zomer bij de boer, 's winters zaten ze in de vlas - vrouwen en kinderen incluis. De Deltawerken hebben Zeeland opengelegd en de Zeeuwen hebben elders een baan gevonden. Wat dat betreft is er veel veranderd sinds 1953, ook in Dreischor.

Toch herinnert er niets zichtbaar aan 'de ramp', aan die tijd dat het water kwam - niet een keer, maar een paar dagen achtereen, met elke vloed opnieuw. Er is alleen die simpele steen in een huis op de Ring. Een steen op borsthoogte, met een blauw golfje en de aanduiding '1953'. En op het kerkhof van het dorp staat een gedenkteken: 'Gezin, gemeente wreed verminkt. De levensroep nochtans weerklinkt.' Tweeendertig dorpelingen vonden de dood.

Het echte verhaal van de watersnood ligt niet op straat in Dreischor. Dat leeft achter de gevelwand van de Ring, in de huizen in de nieuwbouw, in de boerderijen in de polder. Het echte verhaal leeft bij de 'Reisters' die het meegemaakt hebben, het overleefd hebben. Sommigen willen het nog wel eens vertellen, het standaardverhaal dat ze al zovaak hebben afgestoken - met dezelfde woorden, dezelfde zinnen. Om zichzelf te beschermen doen ze dat, om emoties te voorkomen. Er zijn er velen die nooit hebben willen praten. Slechts een enkeling durft in zijn herinnering af te dalen naar die momenten van angst en ellende. Geen wonder. Want ook na veertig jaar is het verhaal van 'de ramp' nog steeds onvoorstelbaar.

Zaterdag 31 januari 1953 stormt het al orkaankracht. Wim Roggeband (30) leent de gloednieuwe Kaptein Mobylette van zijn broer om naar Zierikzee te gaan, acht kilometer verderop. Erg gevaarlijk, over die smalle dijken, maar ja: "De kippen hadden snot, ik moest medicijnen halen." Dat weekeinde zouden nog heel wat mensen hun leven wagen voor hun kleinvee. Er zouden er verdrinken omdat ze zonodig de big, hun levende spaarpotje, moesten redden.

Voor de meeste mensen is zaterdag nog een halve werkdag, maar het is winter, bijna alle landarbeiders zitten zonder werk. In deze tijd van het jaar, zelfs in 1953 nog, verdienen de arbeiders hun geld met het bewerken van vlas. Overal in het dorp staan de zwarte houten schuurtjes, vaak gehuurd door een paar gezinnen tegelijk. Alles is beter dan de steun. Ook Wim Roggeband deelt een schuurtje, de hele week en de zaterdagochtend heeft hij er gewerkt.

Politieagent Jan de Haan (34) en zijn vrouw Jo - ze wonen net drie jaar in het dorp - zijn in de storm schoenen wezen kopen in Zierikzee. Zij is zo blij met haar aankoop dat ze in een soort naiveteit diezelfde nacht haar leven er bijna voor waagt. Terwijl ze al hoog en droog in het dorp zitten, wil ze terug om de schoenen te halen. Haar man kan haar nog net tegenhouden. Ze zegt achteraf: "Je had geen idee van het gevaar."

Om diezelfde reden blijven in Dreischor en de polders er omheen die avond nauwelijks mensen op, of het moet zijn om uit nieuwsgierigheid het water in het haventje De Beldert te bekijken. Een groepje jonge mannen, onder wie Wim Roggebands jongere broer Franke (22), heeft daar zelfs speciaal afgesproken. "Vreselijk gevaarlijk natuurlijk, achteraf." Op de radio meldt het weerbericht 'storm', maar een waarschuwing wordt niet gegeven.

Politieagent De Haan weet nog hoe die avond burgemeester A. Vermeulen als elke week in de polder bij boer Krepel is gaan bridgen. De Haan zelf gaat met zijn vrouw op de gewone tijd naar bed. "Ik kan me uit die jaren trouwens niet herinneren dat er ooit op de dijken werd wachtgelopen. Ik geloof niet dat dat die dag gebeurde."

Ook Wim en Annie Roggeband gaan net als anders om een uur of elf naar bed. Al stormt het nog zo hard, om hun huis maken de Roggebands zich geen zorgen. Ze wonen in het eerste rijtje nieuwbouwwoningen in het dorp; ook een arbeidersjongen heeft tegenwoordig een huis met drie slaapkamers. De ouders van Wim wonen nog aan een van de dreven langs de Boogerdweg, in een piepklein enkelsteens huisje met een kamer en een zolder waar je nauwelijks rechtop kunt staan. Ze hebben er ooit met z'n veertienen gewoond. Zulke huisjes staan er veel langs de Boogerdweg. Er zullen er maar weinig overeind blijven staan.

De jonge dokter Jaap Braber vindt de storm wel spannend en haalt zijn zoontje Lieven van acht uit bed. "Ik vond dat hij zoiets meegemaakt moest hebben." Ze rijden in de auto naar het haventje, even ten zuiden van het dorp. Het is geen zeehaven, het ligt beschut in een inham van de Grevelingen. Er zijn daar op De Beldert al meer nieuwsgierigen samengedromd. Braber ziet hoe hoog het water staat en keert onmiddellijk huiswaarts. "Onderweg zagen we hoe bij de boerderij van Moermond de polder al begon vol te lopen."

Het gaat mis. Maar het gevaar komt niet uit de richting vanwaar de bewoners van Dreischor het verwachten, niet vanuit zee. Het water valt het dorp aan in de rug. De dijken bij de haven begeven het. Ze zijn twee meter lager dan de zeedijk. Daar wringt het water zich de polder in, en slaat een gat - steeds breder en steeds dieper. Tussen De Beldert en het dorp liggen nog een paar dijken, maar ze zijn slecht onderhouden, te laag en niet berekend op een aanval als deze. En het dorp slaapt.

"Als je niet toevallig bij De Beldert was geweest of hier langs de dijk had gestaan, had je helemaal niet gezien wat er aan de hand was. Toen het water al onderweg was, wist nog niemand in het dorp wat er zou gaan gebeuren" , zegt Leen Moermond, toen een jonge boer van 36 jaar in de Adriana Johanna-polder. Dat is de polder die het eerst onderloopt. Moermond is de enige boer in de polder en dus dijkgraaf.

De verantwoordelijkheid voor de polder houdt niet zoveel in. "Eens per jaar vergaderen om de begroting vast te stellen en af en toe wat ruzien met de provincie. Ik vond de dijken eigenlijk te laag" , zegt Moermond. "En die controles van de provincie stelden ook niks voor. Toen het water via De Beldert de polder in dreigde te stromen, hebben we in de binnendijken nog een paar vloedplanken in de coupures gezet. Hielp dus niets: er waren geen pennen om de planken te vergrendelen. Daar was nooit aan gedacht. Het water tilde de planken zo op."

Zaterdagavond wordt Moermond al om elf uur naar de haven geroepen. Groot alarm: er moeten vloedplanken gezet worden. "Het gekke was dat het om die tijd nog helemaal geen hoog water kon zijn. Dat kwam pas om drie uur." Eenmaal in de haven ziet hij onmiddellijk dat het niet goed gaat. Ook Jo van Dijke en zijn broers, die rond het haventje wonen, maken zich grote zorgen. Van Dijke wil zelfs direct de noodklok laten luiden. Maar Moermond, die ook brandweercommandant is, vindt dat de burgemeester daarvoor toestemming moet geven. En die zit nog te bridgen.

De mannen besluiten te wachten tot hij thuiskomt. Op weg naar huis passeert hij immers het haventje, ze kunnen hem dan de zaak duidelijk maken. Zo verstrijkt een uur, waarin achteraf gezien het hele dorp gealarmeerd en in veiligheid gebracht had kunnen worden. Misschien.

Even na middernacht komt Vermeulen terug van boer Krepel. Hij bekijkt het hoge water, aarzelt, hoort Jo van Dijke roepen dat ze allemaal zullen "verzuipen" , maar besluit niets te doen. Hij verbiedt zelfs de noodklok te luiden. "Dat was volgens hem alleen maar paniekzaaierij" , zegt Moermond. Eenmaal thuis is de burgemeester er blijkbaar toch niet helemaal gerust op. Hij belt agent De Haan uit bed: "Ik weet niet wat ik moet doen, ga jij nog eens kijken." Dijkgraaf Moermond is besluitvaardiger: hij trommelt in de haven een stel jongemannen op om thuis zijn familie te waarschuwen en het vee uit de stallen te halen. Agent De Haan laat de boeren in de polder waarschuwen, maar zij willen niet mee. Ze zijn voor een beetje storm niet bang.

Uiteindelijk wordt de noodklok in Dreischor om drie uur geluid. Als de burgemeester de opdracht niet wil geven, doet Moermond het zelf maar. Bijna niemand hoort het noodsignaal. De wind staat uit het noordwesten, het geluid waait de polder in. Alleen op de Ring, pal rond de kerk, worden de mensen wakker. Maar in de lager gelegen gedeelten van het dorp, daar waar het gevaar dreigt, slaapt men rustig verder. Om vijf uur worden de klokken opnieuw geluid, maar wie dan nog door het water wil, gaat een zekere dood tegemoet.

Leen Moermond en zijn vrouw Jans ontsnappen op het nippertje aan de dood. Het gebeurt vlak nadat de binnendijk breekt en de polder volloopt. De kinderen zijn al door een buurman naar Jans' ouders in het dorp gebracht. Zelf wil zij thuis nog wat spullen pakken. Maar het water komt snel, het overvalt haar halverwege de dijk, waar de auto wacht. Leen kan haar nog maar net redden. Op het droge ziet hij wat zijn vrouw in de haast nog uit huis heeft gehaald: zijn trouwpak, het is kletsnat. Jans kan zichzelf wel voor de kop slaan, maar Leen denkt alleen maar: ze leeft!

Aan een van de dreven langs de Boogerdweg maakt Franke Roggeband zijn familie wakker. Hij is naar de haven geweest en heeft hij Moermond geholpen. Onderweg heeft hij het water gezien - een zilveren band over de hele breedte van de horizon, die snel dorp nadert. Franke schreeuwt zijn moeder en zijn zieke vader uit de bedstee en wekt op zolder zijn drie broers. "Iedereen naar boven!" . Zijn vader denkt dat het wel mee zal vallen: de zeedijk is hoog genoeg.

Ook bij Roggeband is er een varken dat in veiligheid gebracht moet worden. Franke en Freek dragen het beest door het water naar de vlasturbine, een groot stenen gebouw naast hun huisje. Freek komt zwemmend nog net thuis, Franke is te laat en zal drie dagen met het stomme dier op zolder zitten, veilig maar wanhopig en machteloos. Thuis stort het huisje in, zijn vader en jongste broer Adrie verdrinken.

Ook dokter Braber en zijn zoontje stranden op een zolder van een huis dat het hunne niet is. Braber is na middernacht nog de polder ingegaan, om een bedlegerige patient op te halen. Maar de oude boer is zo tergend langzaam met aankleden en spullen pakken (het geld uit de brandkast) dat het water hen al opwacht als ze terug willen rijden. Dan gaat de boer wel lopen. Maar Braber durft niet meer, vanwege de kleine Lieven. Ze kunnen nog maar net de boerderij bereiken. "Ik dreef zo'n beetje, papa hijgde van het zwemmen" , schrijft het jongetje later. Ze verschansen zich op de zolder, tussen de gedroogde appeltjes.

Zijn vrouw blijft thuis achter met de hulp en twee dochtertjes van vijf en anderhalf. Ze blijft doodkalm, ook als 's zondags het water anderhalve meter hoog de Ring bereikt en het huis volloopt. De badkuip wordt drinkwaterreservoir. Ze trekt vast haar peignoir aan, zodat ze met de band Joke aan zich vast kan binden, mochten ze verdrinken. "Dan vinden ze ons tenminste samen."

Jan en Jo de Haan zitten met hun kind die nacht bij de burgemeester op de slaapkamer, Wim en Annie Roggeband zijn thuis ook naar boven gevlucht, samen met loge broer Piet. De Moermonds en de andere bewoners van De Beldert en de Zuiddijk hebben geluk: ze kunnen met de auto over de dijk naar Schuddebeurs komen, een paar kilometer verderop. Daar blijft het droog.

Pas als het zondagochtend licht wordt, ziet het dorp de verwoesting die is aangericht. Wim en Annie Roggeband hebben uitzicht op het bijna volledig ingestorte huis van de overburen. De voorkant is weggeslagen, op de paar planken die nog resten van de zolder zit de familie, met drie kleine kinderen, in doodsangst bijeen, bang om elk moment in het zwarte water te verdwijnen.

"Het was zo vreselijk om machteloos toe te kijken" , zegt Annie Roggeband. De burgemeester kan het tafereel vanaf zijn balkon ook zien.

Hij roept de familie toe moed te houden: "Er komt zo een boot" . Waar Vermeulen dat vandaan haalt, is de vraag. Want Schouwen-Duiveland is het 'vergeten eiland', waar de officiele hulp pas in de loop van de week zou arriveren. Dreischor moet zichzelf redden. "We hadden trouwens geen idee dat ook de rest van Zeeland was getroffen. We dachten dat alleen Dreischor onder stond" , zegt Moermond.

Zondag, tegen de schemering, stijgt het water opnieuw. Wim Roggeband ziet het aan de traptreden, er staat nu anderhalve meter water in het huis. Het is aardedonker, het stormt nog steeds. Beneden bonkt het dressoir tegen het plafond. Iedereen beseft nu dat er vele doden gevallen moeten zijn.

De buurt hoort hoe buiten de oude mevrouw Van Blooys verdrinkt. Ze is met familie met een bootje naar het dorp gekomen, maar de boot loopt op een ingestorte schuur en kapseist. Voor ze verdrinkt gilt de oude mevrouw het uit, ze huilt, ze smeekt. De buurt kan niet zien wat er gebeurt, kan niet helpen. "Maar je wist wat het betekende."

De mensen proberen elkaar moed in te spreken, met wrange grapjes. Een vader die happend naar adem boven water komt nadat de muren zijn ingestort en het plafond in het water is gevallen, wordt door zijn zoon begroet: "Nou ben je toch nog kapitein geweest" . Mensen breken muren door om bij elkaar op zolder te kruipen, Annie Roggeband rolt appeltjes door de dakgoot naar de hongerige buren.

Het huisje van de familie Roggeband aan de Boogerdweg overleeft de vloed van zondagmiddag niet. De dunne enkelsteens muurtjes brokkelen als suikerklontjes af en sleuren de familie mee in het water. Vader Roggeband (78) drijft met bed en al naar de boomgaard. Franke ziet het vanaf zijn zolder gebeuren en beseft dat de zieke man zal verdrinken. Adrie verdwijnt bij het instorten van het huisje onder water. Later blijkt dat hij beklemd is geraakt onder het dak, hetzelfde dak waarop moeder (58), de zwakbegaafde Cor (34) en Freek (25) met de stroom worden meegevoerd.

Franke verbijt zich. Hij kan zijn familie niet zien en weet niet dat zijn moeder en Freek van het drijvende dak de zolder van een andere schuur hebben weten te bereiken. Ze hebben Cor moeten achterlaten op het vlot, hij was te verkleumd en kon de dakgoot niet meer grijpen. Het is een hartverscheurende beslissing om jezelf te redden en je achterlijke broertje te laten gaan; Freek zal over die nacht nooit meer een woord spreken. Franke ziet Cor op een gegeven moment voorbijdrijven, en met dak en al in de boomtakken blijven hangen. Hij schreeuwt Cor een nacht en een dag lang moed in. Cor overleeft de ramp.

Het is de peilboot van Dreischor die op maandag de Reisters zal redden. De boot wordt normaal gebruikt om het waterpeil te meten en lag op het moment van de ramp toevallig binnendijks bij het haventje. Wachten op officiele hulp heeft toch geen zin, de mannen van de haven pakken de riemen en varen naar het dorp.

Om elf uur zien ze dokter Braber en zijn zoontje. Die zwaaien hun armen bijna uit de kom om de aandacht te trekken. De redders zijn stomverbaasd. Ze gingen er vanuit dat de arts verdronken moest zijn; dat was ook al aan zijn vrouw verteld. De opluchting is groot. Dan roeien de mannen door. Ze gaan eerst mensen halen die in gevaar verkeren; Braber zit immers hoog en droog. De dokter: "Wat die kerels voor Dreischor gedaan hebben is onbeschrijflijk. Maar bij de officiele herdenkingen waren zij er later nooit bij, niet als genodigden tenminste." 's Middags worden ook de Roggebands van de Boogerdweg uit hun benarde positie bevrijd.

Veertig jaar later weet iedereen die van een dak of een zolder is gehaald, nog precies het tijdstip van zijn redding te noemen. Over het moment waarop de eerste droppings waren, de helikopter verscheen of de marine arriveerde, zijn de herinneringen vaag en tegenstrijdig. Maar de komst van de peilboot staat in het geheugen gegrift.

De mannen van de peilboot blijven roeien. Dinsdag halen ze de mensen op die in het dorp op hun slaapkamers zitten. Wim en Annie Roggeband zijn doodop: ze hebben drie dagen niet geslapen en bijna niets gegeten of gedronken. Maar ze beseffen dat ze geluk hebben gehad, ze hebben van de peilboot het droeve nieuws over thuis gehoord.

Het stormt nog steeds die derde dag, en 's middags begint het zelfs te sneeuwen. Ook de kinderen van Moermond worden door de peilboot bij het huis van oma op de Ring opgehaald en naar de dijk gebracht. De boer vindt de tocht zelf doodeng, maar Heleen (6) vraagt na afloop: "Papa, mag ik nog een keer?" Ze hebben de logeerpartij bij oma ook al zo spannend gevonden.

Woensdag komt eindelijk de officiele hulpverlening op gang. Moermond waagt zich vrijwillig op het water met een opblaasbare roeiboot, die door een vliegtuig is gedropt met de instructie: 'Red met deze boot de mensen die anderhalve kilometer boven Dreischor op het dak liggen'. Een levensgevaarlijke tocht wordt het, want de boot kan elk moment lek stoten op het prikkeldraad in de polder. "Ik kende de polder. Tenminste, dat hoopte ik."

Als hij bij het huis komt, blijkt de peilboot hen al voor geweest te zijn. Het dak is leeg, de familie gered. De door de autoriteiten gevraagde reddingspoging was niet alleen gevaarlijk, maar ook nog overbodig.

Op zijn bange vaartocht ziet Moermond ook een geheimzinnige vissersboot, die op afstand de reddingsacties volgt maar weigert mee te helpen. Wat doen die lui daar? En hoe lang zijn ze hier eigenlijk al? Het dorp heeft er later maar een verklaring voor: de vissers hebben de verlaten polder leeggeroofd. De buit ligt voor het grijpen, van een bankrekening hebben de meeste boeren nog nooit gehoord. Maar wie kan achteraf controleren of kostbare eigendommen door het water zijn meegespoeld of stiekem zijn weggenomen?

Agent De Haan gaat met de peilboot mee de polder in, zo gauw het eigenlijke reddingswerk is gedaan. Overal worden spullen opgehaald. Voor de weduwe Cats-De Waaij brengt hij een blikken busje met vierduizend gulden spaargeld in veiligheid. Hij krijgt later een Delftsblauw tegeltje als dank: 'Dragen, niet klagen, en bidden om kracht' staat erop.

Wie veel verloren heeft in de ramp, kan ook rekenen op veel hulp. Dat leidt soms tot scheve gezichten, roddels, afgunst, wantrouwen over en weer. Jaren later worden mensen in het dorp nog nagewezen omdat ze toen op drift geraakte spullen zouden hebben ingepikt of de verzekering en de rampenfondsen opgelicht. Dat de familie Roggeband een nieuw en mooier huis krijgt, lokt opmerkingen uit: "Vroeger hadden ze geen sok om aan te trekken in dat ouwe rotkotje en nu een groot huis." Franke is boos. "Ik heb teruggezegd: 'Vroeger hadden sommige mensen een linnenkast en nu hebben ze er twee - en die hebben niks verloren.' Dan werden ze wel stil."

Het is woensdag als de laatste bewoners van Dreischor samengepakt zitten op de bietenboot van Piet de Korte, de schipper die het Dijkwater bij Dreischor zo goed kent dat hij het als enige durft binnen te varen. De rest is al geevacueerd via Noordgouwe en Zierikzee, met een mijnenveger. Op de vloer van het bietenschip zitten meer dan tweehonderdvijftig mensen op elkaar gepropt, zwijgend, verslagen, koud.

Annie Roggeband had een koffer met kleren ingepakt, maar in de chaos hebben ze die thuis laten staan. De kantoorhouder van de Boerenleenbank houdt de hele tocht naar Dordrecht een dikke stapel geld en waardepapieren stevig tegen zijn buik geklemd. Jan en Jo de Haan hebben drie stel kleren over elkaar aangetrokken, hun kind is nog dikker aangekleed.

De evacues zijn aan het eind van hun krachten. Als ze horen dat de storm weer is opgestoken en de boot niet kan uitvaren, brengen ze gelaten de nacht door in het duistere ruim, het hoofd op elkaars schouder, de ruggen tegen elkaar. Pas donderdag vaart het bietenschip naar Dordrecht.

Leen en Jans Moermond belanden na een lange tocht uiteindelijk op het kasteeltje van freule Mackay in het Betuwse Ophemert. Daar had Leen in de oorlog zes weken gezeten, toen Dreischor ook onder water stond. Ze beleven het als een droom, met zes-gangendiners en een butler. En de kinderen krijgen meteen zwemles. Maar Leen wil terug naar Zeeland, helpen. Met 41 graden koorts gaat dat moeilijk, tandenknarsend ligt hij op het kasteeltje uit te zieken.

Niet iedereen treft het zo met zijn evacuatieadres. Franke Roggeband en zijn zwaar zieke moeder (ze heeft een longontsteking opgelopen) worden in Voorburg erg goed verzorgd, maar het kost ze wel een extra vergoeding. Ze gaan elke dag naar het Rode Kruis om te vragen of vader en Adrie al gevonden zijn. "Uiteindelijk belde een buurman dat vader een week eerder was aangespoeld; wij hebben toen zelf het Rode Kruis maar ingelicht." Adrie zou pas op 11 april worden gevonden.

De familie De Haan verhuist na irritaties over en weer snel naar verre familie. Daar is wel toestemming voor nodig van de autoriteiten. En improvisatie blijkt niet de sterkste eigenschap van het gezag.

Wim en Annie Roggeband horen in Utrecht bij het Rode Kruis dat ze niet naar haar ouders in Ameide mogen vertrekken, op nog geen half uur afstand van de Domstad. Ze moeten naar Bunnik, daar wacht immers een gastgezin op ze. Dankzij de burgemeester krijgen de Roggebands alsnog ontheffing.

Het duurt maanden voordat het leven in Dreischor weer enigszins z'n gewone loop krijgt. Maar echt gewoon wordt het nooit meer. De ramp heeft 32 mensenlevens gekost, duizenden dieren zijn verdronken. De Beldert is een tijdlang de enige bewoonde plek. Militairen en agenten, onder wie Jan de Haan, bewaken Dreischor en zoeken met de lijkenboot de polder af. Ook op de Ring zijn al vrij snel wat huizen bewoond - door schoonmakers, kadaver-bergers, de wijkzuster. Het cafe is verzamelpunt en gaarkeuken.

Ook Franke Roggeband is gauw terug, hij moet de huizen winddicht maken. Zijn baas zit in Utrecht, Franke zal het alleen moeten rooien. Hij slaapt in een huis aan de Ring: "Je hoorde het water in de straat klotsen." Bij eb gaat hij soms naar huis. "Er was niks meer van over. Ik vond een groenteblik met koperen centen, dat heb ik meegenomen als herinnering." Met zijn broer Freek helpt hij in het vrije weekeinde zoeken naar slachtoffers. Ze vinden tussen de kadavers een paar kinderlijkjes. En Freek vindt Adrie, vlakbij huis. Ze herkennen hem aan z'n kleren.

De polder van Moermond, de eerste die onder waterliep, is ook het eerste weer droog. De boer kan zelfs dat jaar nog gerst zaaien. Maar de oogst stelt niet veel voor. Zijn boerderij is weg, de veestapel verdronken. De koeien zijn vanaf de dijk teruggezwommen naar de stal - hun dood tegemoet. "Alleen Catharina 13 heeft het overleefd. Die had ik net gekocht, kende de weg naar de stal nog niet en is op de dijk gebleven." Zijn klassepaarden Bonzo en Bento overleven de ramp. Met Bonto wordt Moermond een jaar later kampioen van Zeeland.

De Brabers komen 23 april terug in het dorp. "Tot augustus woonden we nog boven. Het was een soort vrijplaats, een tijd van opbouw en pionieren. Elke dag zag je wel weer ergens een nieuw raampje opengaan. Er werd niet veel over de ramp gepraat, het was hier een nuchter volk. Dood is dood. Dreischor heeft ook een luchtige godsdienst. Psychosomatische klachten waren er niet. Daar had je het ook veel te druk voor, je liep de hele dag te baggeren."

Het rouwen gebeurt in stilzwijgen. Praten over de doden is taboe, zowel binnen de gezinnen die iemand hebben verloren als in de dorpsgemeenschap zelf. In oktober worden de doden op Dreischor herbegraven, dan is iedereen er nog bij. De eerste grote herdenking is gereserveerd voor een gezelschap van notabelen en ambtsdragers. De nabestaanden worden niet uitgenodigd.

Ook over schuld wordt in het dorp nauwelijks gesproken. Of er beter gereageerd had kunnen worden? Moermond: "Ik ben het er niet mee eens dat er meer mensen verdronken zijn dan nodig was. Dat weet je niet, gewoon. Het gevaar is onderschat, dat wel." Agent De Haan vraagt zich af of de klok eerder geluid had kunnen worden: "Maar dan waren er misschien nog meer mensen op de vlucht gegaan en verdronken." Hij wil er niet te lang bij stilstaan: "De ramp is een natuurverschijnsel. Dat is makkelijker te verwerken dan als ellende je door mensen wordt aangedaan. Zoals in de oorlog."

Ze redden het wel in Dreischor. Of beter: ze redden zichzelf wel. Zoals ze dat in '53 ook deden. Zonder rampenplan, zonder trauma-begeleiding of hulp van buitenaf. En als ze herdenken willen, doen ze dat ook zelf - rond 1 februari. Het dorp heeft een monument gekregen, een beeld met geknakte zonnebloemen. De peilboot, het monument dat Dreischor echt gesierd zou hebben, is na de ramp weer gewoon voor het werk van het waterschap in de polder ingezet.

De tweeendertig doden van Dreischor

De ramp van 1953 kost 32 mensen in Dreischor het leven. De meeste slachtoffers verdrinken op de vlucht voor het water, terwijl ze op hun zolder vermoedelijk veilig zouden zijn gebleven.

De moeder van Pieter van Ast (bijna 2 jaar) probeert met haar enig kind op de arm van de Zuidstraat naar een hoger gelegen woning te komen. Onderweg wordt zij door het water ingehaald en verliest ze haar zoontje. De vrouw weet zich te redden, het kind verdrinkt.

Als het water de polder instroomt, springt Gerrit Bal (21) van de Langeweg P 87 op de trekker om zijn vader Jan (62) en moeder Lena (64) naar Dreischor te brengen. Ook zijn zus Jannetje (23), haar man Cornelis Moermond (39) en hun 4jarig zoontje Gerrit, die bij hen inwonen, klimmen op de boerenwagen. Datzelfde doen ook de buren van P 86: Johannes den Boer (44), zijn vrouw Cornelia (35) en hun kinderen Willem (12), Antje (11), Dingeman (7) en Kaatje (1). Halverwege de tocht naar het dorp blijft de trekker in het water steken. De families vluchten nog een huisje langs de weg in, maar verdrinken. Het 'drama van de Langeweg' eist twaalf levens.

Zegerina van Bloois-Kloote (77) wordt uit de boerderij van haar zoon Cor gered. Op weg naar de dijk stoot het vaartuig op een muur en slaat om. De andere opvarenden worden gered, de oude vrouw verdrinkt ondanks haar zwemvest.

Cornelis IJzerman (27) is kantonnier bij het waterschap en woont met zijn vrouw Maria (28) in een dijkhuisje. Ze hebben visite: zijn broer en diens verloofde, Francina Duijnhouwer (20), uit Goes. Dan breekt de dijk door en wordt het huisje meegesleurd. Alleen de broer overleeft de ramp.

Maria Goemans (74) woont in polderhuisje P 96. Ze is doof. Van de storm hoort ze niets. Het water overvalt haar in de slaap. Janna Goemans-Verhulst heeft vrijdag nog met haar gezin haar verjaardag gevierd; ze is 33 geworden. Als het ook bij de boerderij van de Goemansen gevaarlijk wordt, gaat haar man het vee naar de dijk brengen. Zelf rijdt ze de kinderen naar het dorp. Ze wil terug naar huis, maar halverwege de Helleweg blijft de auto in het water steken. Ze kan zwemmen als een rat, vertellen dorpsgenoten naderhand. In het wilde, koude water helpt haar dat niet. De boerderij blijft gespaard.

Cornelia Kip-van der Maas (38) heeft het niet meer in de rampnacht. Haar man is naar de dijk gegaan om te zien hoe de situatie is. Ze durft niet alleen te blijven in hun huis aan het Papenblok. In plaats van naar zolder te gaan, vlucht ze in de paniek naar het dorp. In het water raakt ze van de weg en verdrinkt. Haar huis blijft ongedeerd. Haar zuster, Leentje Knulst-van der Maas (35), overkomt hetzelfde. Ook zij zou de vloed hebben overleefd als ze veilig in haar huis aan de Boogerdweg was gebleven, maar uit angst waagt ze zich op straat en raakt te water.

De oude Johanna Knulst-Vis (89) is zich van geen gevaar bewust, als ze op de avond van de ramp naar bed gaat.

Ze wordt in haar slaap verrast, zo blijkt achteraf.

Kornelis Roggeband (72) ligt ziek in bed op de zolder van zijn arbeiderswoninkje aan de Boogerdweg. Door de vloedgolven stort het huis in. De oude man drijft weg op zijn bed, dat vastraakt in een fruitboom. Roggeband valt er af en verdrinkt. Zijn vrouw en zoons weten zich te redden - behalve Adri (20), de jongste van twaalf kinderen. Op 11 april, ruim twee maanden na de ramp wordt hij pas gevonden. Onder het dak.

De familie Schot van Veen - vader Adriaan (47), moeder Sia (43) en twee zoons - probeert hun vee naar de dijk te brengen. Zij wonen aan de Langeweg P 50. De eerste tocht slaagt, de koeien komen veilig over. Als ze nog een keer naar huis gaan om spullen te halen, worden ze meegesleurd door het water. Zoon Johannes (21) weet zich nog lang vast te houden aan een damhek. Wanneer dat losschiet verdrinkt hij, net als zijn vader en moeder. Slechts zijn broer wordt gered.

Dina Schouwenaar-Kort is van 1864, ze is dus 88. Ze woont in de Gasthuisstraat. Ze verdrinkt in haar slaapkamer op de begane grond. Terwijl dat gebeurt, drijven andere inwoners van Dreischor op het dak van hun huis voorbij en vluchten bij 'Dina Kort' de zolder op. Een dag later worden zij gered.

Johanna Steenland (bijna 40) - ze heeft met haar man een fietsenwinkel en taxibedrijf in de Zuidstraat - vlucht met haar zoontje Leendert van anderhalf in de taxi naar de dijk. Net voorbij het kerkhof maakt het water verder rijden onmogelijk. De vrouw en haar kind stappen uit en verdrinken. Thuis waren ze veilig geweest.

Het bejaarde echtpaar Cornelis en Lena Voshol liggen in hun huisje aan de Boogerdweg te slapen als het water komt.

Ze verdrinken in de bedstee, 85 en 82 jaar oud.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden