Nico Bouhuijs 1931-2007

Nico Bouhuijs was pastor bij de Leidse Studenten Ekklesia en wat je noemt een preektijger. Van zoetsappige religiositeit moest hij niets hebben.

Zo nu en dan vertelde hij het iemand: dat zijn ouders niet zijn biologische ouders waren, maar dat hij was geadopteerd. Zelf was hij daar als kind al achtergekomen. Maar, echt belangrijk leek hij het niet te vinden. Als hij je erover vertelde, was het of hij er wel vrede mee had.

Dat hij niet als eenling, maar als de helft van een tweeling was geboren en een broer had, dat deed hem meer. Contact met die broer, dat vond hij belangrijk. Op zoek gaan naar de biologische moeder die de baby’s meteen na de geboorte had afgestaan, dat hoefde voor hem niet.

Misschien was dat wel omdat Nico Bouhuijs bij zijn adoptieve ouders een gelukkige jeugd had gehad. In zijn preken kwam zijn vader wel eens voor. Dat hij gedroomd had van zijn, inmiddels overleden, vader. Dat die in pyjama in een telefooncel naar hem opbelde. Dat hij had gevraagd: ’Hoe heeft u het, in de hemel?’ Het wekte de indruk dat hij zijn vader heel erg had gewaardeerd.

Nico Bouhuijs was het enige kind van een Amsterdams echtpaar. Voor de oorlog waren ze samen ’gereformeerd in hersteld verband’ geworden. Dat waren de gereformeerden die het in 1926 eens waren met de predikant van Amsterdam-Zuid, J.G. Geelkerken. Die vond dat de slang in het Paradijs heus niet echt gesproken had: je hoefde Genesis 3 niet letterlijk te nemen. Geelkerken en zijn aanhangers, onder wie ook dominee J. Buskes, werden er bij de gereformeerden uit gegooid en begonnen een eigen kerk. In 1946 sloten ze zich aan bij de hervormden.

In dat milieu groeide Nico Bouhuijs op. Hij ging naar de HBS en ging daarna werken, maar met name

Buskes, de bevlogen prediker, inspireerde hem langzaamaan om zelf ook predikant te worden. Maar, daar moest je gymnasium voor hebben. Op z’n 21ste ging Nico Bouhuijs dat diploma alsnog halen in het internaat van de Hervormde Kerk in Doetinchem, Ruimzicht. Twee jaar later ging hij in Amsterdam theologie studeren. De ’Amsterdamse’ theologie, sterk op het oude testament en op exegese gericht, zat hem als gegoten. Halverwege de jaren zestig, hij gaf inmiddels les op het Hervormd Lyceum Zuid in Amsterdam en was getrouwd, ging hij samen met Karel Deurloo voor de (toen nog) IKOR tv-programma’s maken die ’Dichterbij’ heetten. Daarin werd de ontstaansgeschiedenis van de bijbelboeken uitgelegd. Er hoorden boekjes bij: Dichter bij Genesis, Dichter bij Amos, Dichter bij Paulus. Ze beleefden vele drukken. Antiquarisch zijn ze nog altijd te krijgen (soms met de opmerking ’als nieuw’, soms met de opmerking ’onderstrepingen met pen door het hele boek’) en worden in leerhuizen nog altijd gebruikt.

De Amsterdammer Nico Bouhuijs ging eind jaren zestig naar Leiden: daar stond een oecumenische studentengemeente in de steigers, die later ’De Leidse Studentenekklesia’ zou gaan heten. Bouhuijs werd er pastor namens de hervormde kerk, maar het was een sterk oecumenische gemeente die zich vooral onderscheidde omdat het er ’christelijk, maar toch links’ was: het was zo’n plek waar God niet a-politiek was, maar opkwam voor de verdrukten. Van oudsher kregen katholieken nooit te horen wat er in de bijbel staat. Hervormden wel, maar die hoorden weer niets over het praktische leven. Bij de LSE stond het allebei op de agenda. De gemeente trok in die jaren volle kerken, al bleven orthodoxe studenten naar hun eigen clubs gaan.

Nico Bouhuijs bleek niet alleen een preektijger, een man van het woord: tamelijk vrijzinnig, veel aandacht voor het verhalende en voor de nauwgezette bestudering van de brontekst. Maar hij was ook een sterke liturg. Aan de volgorde van de liederen en de keuze van de muziek besteedde hij veel zorg. Bij het delen van brood en wijn kon je maar beter geen Bach hebben, vond hij. Mozart paste daar beter: dat was niet al te verheven. Van reli-zoetsappigheid moest hij ook niets hebben. Wie met Kerst ’Komt allen tezamen’ wenste, kon de ekklesia beter overslaan. „Komt laten wij aanbidden, die kooo-hooo-ning”, zong hij dan smalend. En voegde eraan toe: ,,Hij moet niet aanbeden, hij moet gevolgd worden.” In gespreksgroepen was Bouhuijs goed in prikkelen en jennen – ook in die zin had hij iets Amsterdams.

Tussen hem en zijn gezin, hij had inmiddels drie kinderen, ging het een aantal jaren niet goed. Bouhuijs kreeg een vriendin en was een tijdlang met haar. Rond de tijd dat hij met emeritaat zou gaan bleek hij de ziekte van Parkinson te hebben. Het zorgde voor een terugkeer tot zijn familieleven. Hij trouwde opnieuw met zijn vrouw en werd door haar tot vrijwel het laatst verzorgd.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden