New York kijkt terug naar 'art-scene' van de jaren tachtig

NEW YORK - Deze maand vinden er in New York twee premières plaats, waarin de kunstscene van de jaren tachtig centraal staat.

ARNOUD HEKKENS

De eerste is de film 'Basquiat' over het leven van kunstschilder Jean-Michel Basquiat, die in 1988 stierf aan een overdosis heroïne en coke. De film is geregisseerd door Julian Schnabel, een ander ikoon van de Newyorkse kunstscene van de jaren '80. Het is een primeur, want voor het eerst wordt een speelfilm over het leven van een kunstschilder gemaakt door een andere kunstschilder. David Bowie speelt Andy Warhol, Dennis Hopper is de Zwitserse kunstverzamelaar Bruno Bischofberger, en Jeffrey White ('Angels in America') speelt Basquiat zelf. Verder spelen ook Courtney Love, Tatum O'Neill, Christopher Walken, Tom Waits en John Cale een rol.

De tweede première betreft het dagboek van de in 1990 aan aids gestorven kunstschilder Keith Haring: de 'Keith Haring Journals', met een voorwoord door David Hockney. Op de cover staat een afdruk van Harings hand met daarop zijn beroemde stripfiguurtjes. Het dagboek begint in 1977, wanneer Keith worstelt met vragen over kunst met een grote 'K'. “Kunst is het enige antwoord op de totale vernietiging”, schrijft de existentiële, jonge kunstenaar. Zijn werk verandert constant en hoe hard hij ook probeert zijn werk te definiëren, het lukt hem niet. “Het definiëren van mijn werk betekent de vernietiging van haar doel.”

Maar de omtrekken zijn al zichtbaar. “...de eerste paar minuten van een schilderij breng ik door met het tekenen van een omlijning rond het gebied dat ik ga schilderen”, aldus Haring, de duimdikke omtrekken zouden zijn kenmerk worden. Uiteindelijk concludeert hij later dat de beste reden om te schilderen is 'dat er geen reden is om te schilderen'. Tien jaar later is hij een internationale ster. Hij neemt de Concorde van Parijs naar New York, luncht in Monte Carlo met prinses Caroline, rent met Grace Jones over vliegveld Charles de Gaulle om nog net op tijd de vlucht naar Tokyo te halen. Hij rotzooit met een Italiaans stuk op de WC tijdens een feestje in het kasteel van prinses Gloria 'TNT' von Turm und Taxis enz, enz. Genève, LA, Milaan, XTC en Saatchi, Stuttgart en American Express, Haring is, kortom, een megaster zoals alleen de jaren '80 ze maakte. Of zoals hijzelf in 1988 schrijft: “Keith Haring is een full-time job.”

Toch blijft erkenning door collega-kunstenaars en de museumwereld zijn hele leven de grote zorg van de onzekere artiest. Kunst wordt zo snel verwerkt dat ieder werk al op duizenden t-shirts is gedrukt nog voordat de verf droog is. Kunst is handel, kunst is geld, kunst is snel.

“Dit is kunst in het Informatie-tijdperk, het beweegt zich zo snel dat het binnenkort zichzelf zal hebben ingehaald; populaire cultuur dicteert de artiest en elitaire, separatistische cultuur wordt overbodig”, filosofeert Haring. Kunst is 'money art'. Zakenlieden belichamen het Kwaad, vooral wanneer ze blank zijn. “Ik haat zakenmannen. De kunstmarkt is een van de gevaarlijkste, parasitaire en corrupte instellingen in de wereld, samen met de Rooms-katholieke kerk en het Amerikaanse rechtssysteem.” Na een opening van James Brown in galerie Maeght-Lelong in Parijs schrijft hij over zijn eigen werk: “Mijn marketing-probleem is dat mijn schilderijen er niet duur genoeg uit zien.”

Haring's haat-liefde verhouding met de kunstscene blijft onopgelost, hij verafschuwt haar, maar kan er ook niet buiten. Uiteindelijk wilde Haring vooral een 'volkskunstenaar' zijn, zijn werk voor iedereen aanschouwbaar door muurschilderingen in de buurten van New York, Parijs, Barcelona en Berlijn. Zo drong hij pas echt door tot de massa; de ultieme pop-cultuur, voor iedereen toegankelijk.

“Haring maakte de ikonen van de massa-cultuur waar iedereen zich in kon vinden”, schrijft kunsthistoricus Jonathan Fineberg. Zonder Haring had 'grafitti als kunst' niet bestaan, dat maakte hem uniek in de Kunst-kermis van de jaren '80.

In januari 1987 sterft Andy Warhol. “Het is moeilijk New York voor te stellen zonder Andy”, schrijft Haring in het vliegtuig naar Düsseldorf. “Hoe weet je nu waar je uit moet, en wat 'in' is.” Omstreeks dezelfde tijd realiseert Haring zich zijn eigen sterfelijkheid. Hij heeft aids. Seks, weet-ie, is de sterkste drijfveer, meer nog dan kunst. En mooie jongens zijn overal; kijken, kijken en verlangen, verlangen naar al die mooie jongens, wetend dat je ze toch nooit kunt krijgen en daarom nog harder naar ze verlangen: 'zinloze erecties.'

Harings dagen zijn geteld, maar hij wil niet zomaar 'verdwijnen'. Hij werkt zich kapot, alles moet af. Soms verliest hij even de moed. “Aids, crack, militaristen, verkiezingen en fundamentalisten, het is te groot, te laat”, schrijft hij op 22 juli '88. Hij hoest veel en voelt zich ziek, heel New York roddelt, 'heeft-ie nou Aids of niet?'

Monte Carlo, februari 1989; Haring heeft tandpijn en bezoekt een tandarts. De tandarts ontdekt vlekken op zijn verhemelte, maar weigert hem te behandelen, ook niet met masker en rubber handschoenen... Langzamerhand wordt hij steeds zieker. Hij brengt veel tijd door in het door Niki de St. Phalle ontworpen tuinhuis van de familie Nellens in Knokke. Op 16 februari 1990 sterft hij. De laatste regels van zijn dagboek gaan over de scheve toren van Pisa: “We zagen 'm bij daglicht en bij volle maan... Als ik er naar kijk, moet ik lachen”, schrijft hij een paar maanden voor zijn dood.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden