Neurotheologie / Gods spoor meten in het biddend brein

Twee geleerden menen dat God niet verdwijnt, omdat er een knop in je hersenen zit, die je het gevoel geeft dat hij bestaat. Trek maar aan het touwtje, dan meten de neuro theologen hoeveel God je in je hersenpan hebt.

De boeddhistische monnik zit aan een infuus. Hij heeft het touwtje om zijn vinger gewonden. Een tijd lang heeft hij gemediteerd. Nu is hij in een verheven staat van bewustzijn geraakt. ,,Er is een gevoel van tijdloosheid en eindeloosheid, het voelt alsof ik onderdeel ben van iedereen en alles wat bestaat.''

Hij trekt aan het touwtje dat door de kamer, onder de deur door, naar een ander vertrek leidt. Dit signaal wordt opgemerkt door de twee Amerikaanse neurobiologen die daar zitten: Andrew Newberg en Eugene d'Aquili. Zij spuiten hem door het infuus een radioactieve vloeistof in. Nu kunnen zij via een hersenscan zien wat er in het brein van 'Robert' (de boeddhistische monnik) gebeurt, op het moment dat hij het gevoel heeft ,,op te gaan in een groter geheel''.

Newberg en d'Aquili herhaalden dit experiment met zeven andere beoefenaren van Tibetaanse meditatie. Hetzelfde deden zij met een aantal franciscaner zusters die, als zij in gebed verzonken waren, het gevoel hadden 'zeer dicht bij God te komen'.

De wetenschappers ontdekten dat de activiteit in een bepaald gebied van de hersenen sterk afnam, iedere keer dat hun proefpersonen aangaven een spirituele piek te ervaren. De afname van activiteit was vooral zichtbaar in de twee meest naar buiten gelegen gebieden van de hersenen (de pariëtaalkwab), en dan met name in de achterste/bovenste gedeelten daarvan.

Volgens d'Aquili en Newberg bevindt zich hier het oriëntatie- en associatiegebied (OAG). Dit gebied zou, normaal gesproken, voortdurend bezig moeten zijn om te berekenen waar onze plaats in de ruimte is. Zonder OAG zouden we niet weten waar onze vingers eindigen en waar de krant begint. Zoiets schijnbaar simpels als van de huiskamer naar de keuken wandelen, zou zonder OAG onmogelijk zijn. Wat gebeurt er nu als het brein even geen informatie krijgt over de plaats van het ik in de omgeving? Dan, zo vermoeden Newberg en d'Aquili, vervalt het onderscheid tussen het Zelf en het niet-Zelf. De mens gaat op in het al. Precies, zoals de mystici van alle tijden zeggen.

Dat met een religieuze ervaring ook iets in het brein verandert, is op zich niet zo verwonderlijk. Alles wat wij ervaren -van het lezen van een artikel tot het eten van een chocolade-ijsje- laat sporen achter in onze hersenen. Het is ook niet het eerste onderzoek dat aantoont dat religie iets in de hersenen doet. De tijd dat religie beschouwd werd als zoiets vaags en onwetenschappelijks dat de exacte wetenschappen daar niets mee konden, ligt achter ons. Steeds meer neurotheologen zijn ervan overtuigd geraakt dat religie te meten is, en speuren naar God in de hersenpan.

Toch bestaat er nog veel onduidelijkheid. Het brein laat zich niet makkelijk in de kaart kijken. Volgens Michael Persinger, een Canadese neuropsycholoog, zitten de mystieke ervaringen niet in de pariëtaalkwab, zoals d'Aquili en Newman willen bewijzen, maar in een ander deel van de hersenen: de temporaal- of slaapkwabben. Persinger zette proefpersonen een helm op die de slaapkwabben bewerkt met een elektromagnetisch veld, en die veel van zijn proefpersonen dezelfde soort sensaties deed ervaren als de Tibetaanse monniken in meditatie of de franciscaner zusters in gebed: gevoelens van extase, en eenwording met het al. Dat maakt het ingewikkelder. Misschien helpen verschillende hersendelen ons aan religieuze ervaringen. Atheïsten lijken bovendien dezelfde prikkels van de hersenen anders te interpreteren: als een prettige, geen mystieke of religieuze ervaring. Gene d'Aquili overleed vlak voordat hij zijn bevindingen in een boek wilde publiceren. Het boek is er, dankzij Andrew Newberg, toch gekomen. Hij schreef 'Waarom God niet verdwijnt' in de naam van beiden: ,,Wij menen dat we op het SPECT-computerscherm (de hersenscan) het bewijs zagen voor het vermogen van de hersenen een spirituele ervaring te realiseren. Na jaren van wetenschappelijk onderzoek en een zorgvuldige afweging van onze resultaten geloven Gene en ik verder dat we sporen hebben gevonden van een neurologisch proces dat geleidelijk is ontstaan met als oogmerk ons, mensen, de gelegenheid te bieden het materiële bestaan te overstijgen en weet te hebben van, en contact te maken met, een dieper spiritueel deel van onszelf, dat waar te nemen is als een absolute, universele werkelijkheid die ons verbindt met alles wat er is.''

Tegelijkertijd schrijft Newberg: ,,De beelden leveren geen onomstotelijk bewijs voor onze hypothese, maar steunen deze wel krachtig doordat ze laten zien dat het menselijk brein zich op momenten van spiritueel gedrag kennelijk gedraagt zoals onze theorie voorzien had.''

Het enige dat het onderzoek aan harde bewijzen levert, is dat er een verband bestaat tussen het hebben van een spirituele ervaring, en een afname aan hersenactiviteit in het gebied dat d'Aquili en Newberg het OAG noemen. De rest van hun boek bestaat uit heel wat hypothesen en speculaties; interessant, maar niet echt wetenschappelijk.

Andere kritiek op het boek is dat religie wordt beperkt tot spirituele ervaringen, terwijl de vraag naar wat religie nu eigenlijk is, zich niet zo makkelijk laat beantwoorden. Dat religie ook als sociaal bindmiddel (en als splijtzwam) kan functioneren, wordt buiten beschouwing gelaten. Er wordt vooral gekeken naar de 'voordelen van religie', de lekkere toetjes die de ongelovige nooit eten kan. De 'nadelen', zoals het geworstel met een God die zich niet begrijpen laat, worden niet onderzocht.

Het interessantste aan het boek is wellicht de veranderde toon. Serieuze wetenschappers spreken met respect over religie en religieuze ervaringen. Dat is opvallend, omdat religie en wetenschap in het verleden vaak als twee partijen zijn opgevoerd in een onderling gevecht om de waarheid: Galileo Galileï versus het Vaticaan, Darwins evolutieleer tegenover Genesis. Die strijd is misschien ten einde. Nu bepaalde aspecten van religie meetbaar kunnen worden gemaakt, zijn wetenschappers minder geneigd om geloof als iets 'achterlijks' af te doen dat met de komst van de moderne wetenschap vanzelf verdwijnt.

Toch blijft het vreemd dat het menselijk brein nu zichzelf aan het onderzoeken is. Steeds stuit je dan op de vraag: bestaat iets alleen als een chemisch of elektrisch proces in ons brein? Of bezit het ook werkelijkheidswaarde, los van wat er in onze hersenen gebeurt? Immanuel Kant zei daarover dat we het Ding an sich nooit kunnen kennen, alleen onze menselijke interpretatie ervan. Zo bezien is er nooit een definitief antwoord te geven op de vraag of God het menselijk brein geschapen heeft, of het menselijk brein God. God blijft dan, evenals Kants 'Ding an sich', buiten het bereik van wetenschappelijke meetapparatuur. Oneindig en onkenbaar, iets dat zich altijd aan het menselijk begrip onttrekt.

Andrew Newberg, Eugene d'Aquili: Waarom God niet verdwijnt - de neurologie van de religie. Uitgeverij Het Spectrum, 210 p, € 22,50.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden