Nepmedicijnen werken echt

Amper twee maanden nadat Deense onderzoekers meldden dat patiënten geen baat hebben bij neppillen, komen Canadese neurologen met het bericht dat mensen met de ziekte van Parkinson juist sterk reageren op een placebo. Bij hun proefpersonen, die in de veronderstelling verkeerden een medicijn te krijgen, nam de aanmaak van dopamine duidelijk toe. Bij andere patiënten, die wísten dat ze een nepmiddel kregen, gebeurde dat niet.

Dopamine is een onmisbare boodschapperstof in de hersenen waar mensen met Parkinson onvoldoende van produceren. Het tekort leidt tot symptomen als spierstijfheid, beven van de handen en een maskerachtig gelaat. Metingen in de hersenen leerden dat bij patiënten die het meeste profijt ervoeren van de placebo de productie van dopamine ook het sterkst was geactiveerd. Ongeveer even sterk als na toediening van een regulier geneesmiddel, schrijven de Canadezen in Science van 10 augustus.

Begin juni nog stelden de Denen Asbjorn Hrobjartsson en Peter Gotzsche in The New England Journal of Medicine de fabel uit 1955 van de anesthesist Henry Bleecher aan de kaak. Hij beweerde dat een op de drie patiënten verbetert of zelfs geneest na het slikken van een placebo. Die wijsheid hield sindsdien stand, al besefte iedereen dat bij gebrek aan een werkzaam bestanddeel in een nepmedicijn de heilzame werking niet aan die pil te danken kon zijn. Het moest aan de verwachting van de patiënt liggen, die immers meende te worden behandeld.

In de huisartsengeneeskunde is het niet kies om van dit (psychologische) placebo-effect uit te gaan en mensen zo'n schijnmedicijn voor te schrijven. Maar bij onderzoek naar de werkzaamheid van nieuwe geneesmiddelen is het zaak om te bepalen in hoeverre de effectiviteit wordt verhoogd door het verwachtingspatroon van patiënten. Door de echte pil óf een placebo te geven, kun je objectief vaststellen of een nieuw middel beter werkt dan een medicijn dat in werkelijkheid geen medicijn is. Voorwaarde daarbij is dat proefpersoon noch onderzoeker weet of de persoon in kwestie het ware of het fopmedicijn krijgt.

Uitgaande van het placebo-effect moet de volgorde in succes van behandeling luiden: medicijn-foppil-helemaal niks. Maar de Denen veegden talloze studies bijeen waarin iets was gemeten -zoals de bloeddruk of de concentratie van een stof in het bloed- en constateerden dat een placebo de mensen geen snars helpt. In elk geval niets meer dan geen pil. Kortom, het placebo-effect is volgens de Denen een fabel. Mensen gaan zich weliswaar beter voelen van een fopmiddel maar dat komt doordat ze dikwijls pas de dokter bezoeken als ze zich ernstig beroerd voelen: vanaf dat moment gaat het bij veel patiënten logischerwijze de 'beterende kant' op, met of zonder (nep)medicijn.

De Canadese neurologen bezorgen de placebo in Science een opmerkelijke revanche. Zij gaven mensen met de ziekte van Parkinson afwisselend een gangbaar geneesmiddel of een schijnmedicijn, waarbij patiënten in de ene groep niet op de hoogte waren van wat ze kregen, en in de andere groep wel. Uit hersenscans bleek dat de productie van dopamine in de 'blinde' groep na toediening van de placebo vrijwel net zo sterk omhoog ging als na het toedienen van het reguliere medicijn. Patiënten uit de 'open groep' lieten zich niet beetnemen: bij hen deed het fopmiddel niets.

De Canadezen onderzochten vervolgens of een voorafgaande placeboreactie de effectiviteit van het echte geneesmiddel mogelijk nog vergrootte. Dat was niet het geval. Wel bleek dat bij patiënten die waren begonnen met een neppil en daar baat bij hadden, het effect van het echte middel niet eens veel groter was dan van het nepmiddel. Daarom vermoeden de neurologen dat ook de werking van gangbare geneesmiddelen bij Parkinson deels berust op een placebo-effect. De verwachting stuurt kennelijk de biochemie van boven, suggereren de Canadezen in Science.

Zaten de Denen er dan zo naast? Misschien toch niet. Dat de patiënten in het Canadese onderzoek zo sterk op de werking van een (fop)medicijn anticiperen zou volgens de neurologen te maken kunnen hebben met de specifieke rol van dopamine. Het reguleert talloze functies, van beweging tot cognitieve vaardigheden, en vormt een tussenschakel in hersenmechanismen die in een zekere beloning voor het lichaam resulteren.

Een lekker gevoel in het lijf bijvoorbeeld, daar wil een mens wel op vooruitlopen. Weliswaar leiden medicijnen tegen de ziekte van Parkison niet tot een dergelijke beloning, maar de Canadezen vermoeden dat hun proefpersonen gezien eerdere ervaringen met dit soort geneesmiddelen wel in hun verwachtingen waren gesterkt. Al hun proefpersonen waren goed op de hoogte van de heilzame invloed van echte medicijnen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden