Nep, klik. verwijder,

¿Mijn machine maakt mogelijk wat nu nog niet kan¿, schreef Karel van het Reve in 1983, aan de vooravond van de digitale revolutie. Hoe staan we er anno 2011 voor? Vandaag de Amerikaanse thrillerauteur Susan Arnout Smith. ¿Ik klikte en zag mijn gezicht. Het personage dat ze hadden gecreëerd, was pornografisch, hengelend naar seks.¿

Ik schrijf al een tijdje, maar misschien kent u mij niet. Ik heb thrillers geschreven, essays en won een prijs voor een toneelstuk. Ik leef ervan, maar ik ben geen John Grisham. En toch vond iemand het een prachtidee om mijn identiteit te stelen en een nepprofiel onder mijn naam op Facebook aan te maken.

Mijn collega Wiley had me overgehaald om op Facebook te gaan. Bezorgd als ik was om de aansluiting met de literaire wereld te verliezen, was ik door de knieën gegaan. Ik verkeerde nog in de beginnerseuforie - contacten aanhalen, berichtjes van mensen die ik jaren niet had gezien - toen ik een e-mail kreeg van Wiley. ¿We zijn op een Facebookprofiel gestuit van 'Susan Arnout Smith' dat ons aan het denken heeft gezet, omdat de teksten nogal verontrustend zijn. Hoe vervelend ook, we vonden toch dat we je op de hoogte moeten stellen...¿

Ik klikte op de link en zag mijn gezicht, een foto die van een van mijn websites was gehaald. Het personage dat ze hadden gecreëerd - met mijn naam en gezicht - was pornografisch, hengelend naar seks. 'Ik ben bereid goed te betalen.'

Ik was perplex. En wilde in contact komen met een echt persoon, iemand die mij zou helpen om dit te verwijderen.

Ik word zenuwachtig van computers. Ik heb ooit een compleet toneelstuk gewist door op een knop te drukken. Yep, de 'delete'-knop. Maar toch. Naast mijn computer ligt 'Facebook voor dummies'. Goeie titel. Ik probeerde het nummer dat voor in het boek stond. Geen aansluiting meer naar Facebook. Ik belde nummerinformatie: geen nummer bekend. Ik vroeg Wiley: 'Help, hoe krijg ik dit weg?' Het korte antwoord is: ik kreeg het niet weg.

Het nepprofiel was aangemaakt, nog voordat ik zelf op Facebook ging, Het was al dik acht maanden door iedereen die mijn naam googelde, op te roepen.

Wiley mailde mij meteen instructies: ga naar het nepprofiel, klik op een icoon dat het profiel als 'nep' aanmerkt en typ het Facebookadres van je echte profiel in. Hij had dit al gedaan, net een collega bij hem op kantoor. Ik zette mezelf schrap, scrolde naar beneden en klikte. Ik vroeg vrienden, familie en collega's die ik vertrouw om hetzelfde te doen.

Nep, nep, nep. Verwijder, verwijder, verwijder. Klik, klik, klik.

Er gebeurde niets. Geen reactie van Facebook. Elke dag klikte ik op het nepprofiel en hoopte dat het weg was. Elke dag was het er weer. Ik kon het niet opbrengen het hele ding te lezen.

Ik overwoog op mijn echte Facebookprofiel te vertellen wat er aan de hand was, maar ik schaamde me voor mijn vrienden. Dat nepprofiel moest gewoon weg. Het ging niet weg. Ik deed navraag bij de politie, maar die kon niets doen, tenzij ik gestalkt werd of geld was kwijtgeraakt. Terwijl de tijd verstreek en het fakeprofiel iedere keer naast het echte opdook als ik mijn naam googelde voelde ik de woede weer opkomen.

Wie waren die mensen bij Facebook? Ik stelde me voor hoe ze achter ondoordringbare muren dartpijltjes aan het gooien waren en pizza aten. Het verschil tussen het echte en het nepprofiel was evident. Het mijne bevatte citaten van Goethe en E. E. Cummings. Het andere was walgelijk.

Een maand ging voorbij. Geen antwoord van Facebook. Ik sliep niet meer, kon geen gesprek meer volgen. Het ergste was: ik kon niet schrijven. Schrijven is wat ik doe, daarmee begeef ik me in de wereld en zorg ik voor brood op de plank.

De doorbraak kwam tijdens een wandeling met een goede vriendin. ¿Vertel eens over dat andere Facebookprofiel.¿ Ze had mijn naam gegoogled.

¿Je hebt toch geen seconde gedacht...¿

Dat had ze wel. Ze haalde hulpeloos haar schouders op. ¿Het klonk niet als jij, maar toch...¿

We waren twintig jaar bevriend. Ik voelde me vernederd. Alle wegen liepen dood. Ik had mijn reputatie in jaren opgebouwd en ontdekte nu dat deze in cyberspace aan flarden was gescheurd.

Mijn neef Ben is advocaat. Hij zei dat als Facebook niet binnen een week reageerde, hij er werk van zou maken. Maar hij vroeg me eerst iets akeligs te doen: woord voor woord lezen wat er op mijn nepprofiel stond. Mensen waren daar bevriend mee mee geworden. Hij wilde dat ik hun gezichten bekeek. Kijken of ik iemand herkende. Voor mij was het een sprong van grote hoogte in een ijskoude vijver, alsof ik op een muur te pletter viel. En vervolgens verdronk.

De opmerkingen die ze hadden achtergelaten waren smerig, de antwoorden van 'mij' waren rauw, vernederend. In een berichtje was mijn gezicht op een lichaam in ondergoed geplakt en bood ik seks aan. Een ander bericht linkte het fakeprofiel aan een bestaande boekensite. Mijn neppersonage had obscene opmerkingen achtergelaten op andere profielen, gaf beschrijvingen van seksuele handelingen en vroeg om advies en seksuele hulpmiddelen. Sommige 'vrienden' hadden duizenden vrienden. Dat betekende dat vele duizenden die ik niet ken, dit nepprofiel en de opmerkingen hadden kunnen zien.

Voordat ik fictie en essays begon te schrijven was ik onderzoeksjournalist. Dit was mijn nieuwe baan: de mensen traceren die dit hadden gedaan. Ze laten boeten. Ik begon met de 22 vrienden op het nepprofiel. Ik begon te graven in zoekmachines, ontdekte wat zij verborgen hadden gehouden. Ik volgde bepaalde sporen, muziek die ik niet herkende, televisieprogramma's die niet in de VS werden uitgezonden.

Ik herleidde alles tot een land. Een stad. En twee scholen, met een religieuze achtergrond. Aan de andere kant van de wereld. Ik verklap niet wie het waren, straks vertel ik, waarom.

Ik kan wel zeggen dat het steratleten waren, scholieren met artistieke aspiraties. Ik las een speech die een van hen had gegeven, bestudeerde het kunstwerk dat een ander op het web had gezet. Een van de leerlingen werd op de sportpagina van een krant beschreven als een van de meest veelbelovende atleten van de afgelopen tien jaar. Ik vogelde uit hoe een van de scholieren per trein naar zijn atletiekevenementen reist. Ik bekeek hun gezichten, naast elkaar, als politiefoto's in een dossier. Ik keek naar hun zachte ogen, brede glimlachen. Kolkende emoties, allemaal even duister. Ik schrok ervan hoe diep mijn woede zat. Ik wilde dat ze pijn zouden voelen, angst, lijden. Ik wilde ze laten boeten.

Het was afschuwelijk wat dit met me had gedaan, hoe ik was verworden. Mijn levenswerk gaat over hoe van duistere oorden in het licht te stappen. Ik sprak erover met mijn anglicaanse priester. Hij is plooibaar, hartelijk, kent de echte wereld. ¿Pak ze¿, zei hij. Dat had ik niet verwacht. Ze pakken? Echt?

¿Ze hebben iets verschrikkelijks gedaan. En het moet ophouden.¿

Dus aan mij de keuze. Ik kon de scholen kapot maken, de leerlingen. Ik kon een rechtszaak beginnen die ik waarschijnlijk zou winnen. Ik ben geen advocaat, maar het schijnt dat in het land waar zij vandaan komen wetgeving bestaat tegen precies dit soort vergrijpen. In Amerika zijn we zo ver nog niet, al kan ik de financiële schade door identiteitsdiefstal verhalen. Maar hoe toon je dat aan? Iemand die mijn boeken niet gekocht heeft omdat hij het nepprofiel had gezien?

Daarnaast hadden deze scholieren mijn creditcard niet - wel een stuk van mijn ziel. Ik kon juridisch achter ze aan, of via een andere weg.

Ik haalde diep adem. Schreef naar beide schooldirecteuren. Vertelde wat hun leerlingen precies hadden gedaan en wat voor effect dat op mij had gehad. En wat ik wilde: dat het profiel verdween. Binnen enkele dagen kreeg ik bericht.

Een van de directeuren bedankte mij dat ik ze gewaarschuwd had, en zei dat ze alle informatie op het profiel zouden opslaan om de jongeren hiermee te confronteren. De directeur schreef: ¿Daarna hebben we Facebook gewaarschuwd en de pagina is verwijderd.¿

Hoe hadden ze dat voor elkaar gekregen? Ik weet het niet. Misschien was er in hun land een servicenummer dat sneller werkte; misschien heeft een rector meer overredingskracht dan een schrijver. Ik weet alleen dat toen ik het profiel zocht, het er niet meer was. Eindelijk.

Eindeloos heb ik erover nagedacht: waarom ik? Niemand die het weet. Waarschijnlijk ook die kinderen niet. In dezelfde brief schreef de directeur: ¿We hebben gezocht maar staan voor hetzelfde raadsel als u.¿

Mijn vermoeden: ik bestond voor hen niet echt. Ik was een speeltje, een naam, een gezicht, zomaar willekeurig van het net geplukt. Iets wat ze de lucht in gooiden en waar ze een paar maanden lang tegenaan konden knuppelen totdat ze hun belangstelling verloren.

Dat vond ik het meest beangstigende aan de hele zaak. Internet maakt het heel makkelijk om echte mensen aan stukken te snijden. Het is schieten vanuit een auto, met een mes steken in het donker. Makkelijk toe te brengen schade. En heel moeilijk te repareren.

Ik vroeg de directeuren nog iets, iets heel groots, dat jaren zou kosten en waarvan ik niet wist hoe het zou aflopen. Ik wilde dat de leerlingen zo volkomen zouden begrijpen wat de gevolgen van hun gedrag waren, dat ze het nooit meer zouden doen. Of dat het in hun omgeving zou gebeuren. Ik stond erop dat hun ouders werd ingelicht en in detail te zien kregen wat hun talentvolle kinderen hadden gedaan en wat het met mij - een vreemde - had gedaan. Hebben ze ervan geleerd? Hebben ze het begrepen? Heeft het hun gedrag veranderd?

Geen idee. Maar ik weet wel dat ze iets van me gestolen hadden, dat het moeilijk was om het terug te krijgen, maar dat het me lukte. Ik weet hoe machteloosheid voelt. En hoe het voelt om te handelen. En om te vergeven.

Wat me brengt op de reden dat ik niet verteld heb wie ze zijn. Ik zou dat punt van vergeving niet bereiken als ik hun namen of zelfs maar hun nationaliteit zou onthullen. Ik wilde niet dat ze voor altijd getekend bleven door een van hun slechtste momenten. En ik wilde er evenmin blijvend door bepaald worden. Als ik door woorden wil leven moet ik naar het licht reiken als ik de meeste pijn ervaar.

Ik kan weer slapen. Ik droom. Ik schrijf.

online cultuurmagazine.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden