Nel den Hollander-Jongepier 1916-2007 Panc den Hollander 1915-2007

Bij elke jaarwisseling maakt het vuurwerk slachtoffers. Ze brengen het doorgaans tot een klein berichtje in de krant. Begin vorig jaar eindigden er in Maassluis twee hoogbejaarde levens door.

Hij mocht na de zesde klas van de lagere school nog een jaar doorleren. Zij niet – zij was een meisje. Maar allebei waren ze nog erg jong toen ze gingen werken. Hij werd op z’n veertiende in Gouda leerling in een bakkerij. Eerst bij Punselie, later bij Steenland, leerde hij het vak. Niet alleen broodbakken, maar ook rozijnenbrood, luxebroodjes en de beroemde Punselie-wafeltjes. En harde mokka’s natuurlijk, daar was hij goed in.

Zij was de jongste van Zeeuwse ouders die naar Holland waren gekomen omdat daar ten minste werk was, en de enige van hun kinderen die er werd geboren. Ze waren thuis zo streng gereformeerd dat je op zondag niet mocht breien of borduren, niet mocht fietsen en niet schaatsen. Na haar schooljaren ’kreeg ze een dienstje’ – werd ze dienstmeisje. Eerst bij mensen die een verfwinkel hadden. Later bij de familie Bouwmeester.

Ze leerden elkaar kennen op de gereformeerde jongelingenvereniging – natuurlijk, want waar anders ontmoetten jongeren elkaar. Bij haar thuis vonden ze hem geweldig. Vooral haar moeder was erg met hem ingenomen. Bij hem thuis waren ze minder blij. Zijn moeder vond dat hij, als derde zoon, had moeten wachten tot z’n twee oudere broers aan de vrouw waren. Tot die tijd behandelde ze het meisje van zijn keus als een ongewenste indringster. Als ze op de bank naar moeders smaak te dicht bij elkaar zaten, greep ze in. Samen alleen zijn, dat kon bij hem thuis al helemaal niet.

Ze wachtten niet met trouwen. Ze hadden allebei, maar vooral zij, een groot talent om zuinig te zijn en ze spaarden net zo lang tot ze een trouwpak voor hem bij elkaar hadden – dan hoefden ze niet bij zijn ouders aan te kloppen om geld voor een pak. Later, toen een van zijn broers ging trouwen, vroeg die dat pak te leen. Nou, dat ging toen mooi niet door. Ik heb voor een eigen pak moeten sparen, doe jij dat ook maar, vond hij.

Op een ochtend in 1940 trouwden ze in Gouda. ’s Middags fietsten ze samen naar Den Haag. Daar, in de Okkernootstraat, hadden ze een bakkerij kunnen overnemen; maar dan moesten ze wel getrouwd zijn. Zij stond in de winkel, hij bakte en bezorgde brood aan huis. Hun eerste kind werd er geboren.

Maar hun straat, niet ver van de zee, werd halverwege de oorlog Sperrgebiet: de bewoners moesten weg. Ze verhuisden naar de Schilderswijk. Hij had geen bakkerij meer en ging de verzekeringen in. Met financiële steun van haar vroegere werkgever, meneer Bouwmeester, de oprichter van de Goudsche Verzekeringen, kocht hij een verzekeringsportefeuille. Vanaf toen fietste hij overdag door Den Haag om overal verzekeringspremies op te halen.

Ze leefden zuinig. Ze was heel spaarzaam. Ze zat vaak achter de naaimachine om de kleren van de inmiddels zes kinderen – drie zoons, drie dochters – te vermaken, te keren of te repareren. Lang voordat het woord werd uitgevonden was ze een en al recycling; plastic schaaltjes waarop de slager vleeswaar afsneed kregen in huis een nieuw leven als onderzetter. Ook bewaarde ze letterlijk alles: elke ansichtkaart die ze ooit ontving werd opgeborgen. Haar kinderen kregen de babyalbums die ze destijds over hen maakte nooit mee. Ze hield veel van kinderen, maar jonge kinderen waren haar het liefst.

Naast zijn werk als verzekeringsman vond hij een tweede bestaan. Je kon klanten van een begrafenisverzekering ook van dienst zijn door uitvaarten te verzorgen, had hij bedacht. „Zwart werk”, noemde hij het gekscherend, want hij trok er zijn zwarte trouwpak bij aan en zette er een hoge zije bij op. Samen was dat een druk bestaan; zelden eindigde zijn werkdag voor tien uur ’s avonds. Maar in het weekeinde nam hij zijn oude stiel weer op, bakte thuis koekjes en versierde de boter in de botervloot.

Toen de kinderen de deur uit waren en zelf kinderen kregen, hadden ze het soms moeilijk met het feit dat de tijden veranderden. Dat hun kinderen samenwoonden of zelfs hun kinderen niet lieten dopen, daar bewaarden ze het stilzwijgen over. Maar als er wél gedoopt werd, vonden ze dat dat geen zes weken moest wachten. Twee weken was lang genoeg, vond vooral zij.

Toen hij 65 was verkocht hij zijn verzekeringsportefeuille aan een van zijn zoons. Ze vertrokken van Den Haag naar Haamstede, haar Zeeuwse wortels achterna. De kinderen woonden weliswaar vrijwel allemaal in de Randstad, maar de eerste tien jaar was dat geen probleem. Ze waren er jaren gelukkig, ze maakte er jam en legde snijbonen in zout in. Ook ontdekten ze het fenomeen ’reizen’ – al viel Israël tegen. Misschien was ze naïef, maar ze had gedacht er de plaatjes van de zondagsschool te zien. De werkelijkheid bleek teleurstellend. Je zou er bijna ongelovig van worden, zei ze toen ze weer terug was.

Toen de ouderdom onderhand echt naderde, wilden ze toch liever dichter bij de kinderen zijn en zochten ze iets in de Randstad. Het werd een grote flat in Maassluis, aan de Merellaan, met uitzicht over de Nieuwe Waterweg. Maar verhuizen op je 75ste heeft z’n beperkingen: op die leeftijd zijn weinig mensen nog op zoek naar nieuwe kennissen. Aansluiting bij de gereformeerde kerk vonden ze in Maassluis niet meer – terwijl hij eerder toch altijd diaken was geweest. In plaats van naar de kerk te gaan, keken ze nu elke zondagmorgen naar dominee Van der Veer, het Liedboek onder handbereik.

De laatste jaren werd het leven moeilijker. Hij was geestelijk glashelder maar kon geen stap meer zetten zonder rollator; zij liep nog goed maar ging geestelijk achteruit, vooral na een herseninfarct. De kinderen, bang dat haar verloren tijdsbesef voor brand zou zorgen, sloten het gas af en zetten in plaats daarvan een magnetron neer. Vooral zij vond dat niet leuk. Uit protest liet ze de bediening van het apparaat aan haar man over en ze beweerde steevast dat ze sinds de komst van de magnetron nooit meer lekker at.

Op Oudejaarsavond 2006 lagen ze bijtijds in bed, want morgen zouden alle kinderen en kleinkinderen komen. Dat was de gewoonte geworden nu ze te oud waren om laat op te blijven. Bovendien, hij was altijd al angstig geweest voor vuurwerk en vond Oudejaarsavond toch al nooit zo’n genoegen.

De vuurpijl die hun flat trof kwam binnen door het raam van de logeerkamer, naast hun slaapkamer. Hij ging dwars door de ruit. De man die ’m afstak had last van de harde wind die die avond woei en had al drie eerdere pijlen verspeeld. Dat vond hij zonde, want hij had zijn vuurpijlen illegaal in een café gekocht. Het waren fosforpijlen – in Nederland als vuurwerk verboden, bedoeld als SOS-pijlen op een schip in nood: ze doen het zelfs onder water. De man hield zijn laatste pijl bij afsteken schuin, denkend dat het dan beter zou gaan. Hij wilde dat de pijl over de flat, acht verdiepingen hoog, heen zou komen.

In de slaapkamer van het echtpaar, op de tweede verdieping, schrokken ze allebei wakker van de knal van de pijl. Hadden ze soms vergeten een apparaat uit te zetten en ontplofte dat nu? Ik ga wel even kijken, zei de man tegen zijn vrouw, blijf jij maar in bed. Toen hij de deur van de logeerkamer opendeed stond het daar al helemaal in lichterlaaie. Hij sloot de deur weer; dat is zijn geluk geweest. Op handen en voeten – zonder rollator kon hij niet rechtop lopen – kroop hij door de lange gang naar de keuken, deed daar het raam open en riep om hulp. Maar zijn stem ging verloren in het lawaai van Oudejaarsnacht.

De brandweer vond hem later in de keuken, bewusteloos. Zijn vrouw was toen al overleden; haar hart had het begeven van de stress, zei de patholoog-anatoom die haar lichaam onderzocht. Ze was geblakerd, maar haar dood was niet door verbranding veroorzaakt en ze was ook niet door de rook gestikt.

„Waar is moeder?”, vroeg hij meteen toen hij bijkwam. Het was nu de middag van 2 januari en alle kinderen waren er inmiddels, ook de dochter die in de VS woont. Hun vader was ruim een etmaal kunstmatig in coma gehouden, want z’n keel was verbrand. Een van de dochters was inmiddels naar de flat geweest om naar de bril van haar vader te zoeken. Zij had het witte silhouet gezien op het zwartgeblakerde bed: de plek waar het lichaam van haar moeder had gelegen.

„Nu hebben jullie geen moeder meer”, zei hij toen ze verteld hadden wat er was gebeurd. Hij kon maar nauwelijks praten, maar ze verstonden hem wel toen hij vertelde wat hij had meegemaakt. Ze proefden uit zijn verhaal dat hij zich verantwoordelijk voelde en probeerden hem gerust te stellen. U hebt alles gedaan wat u kon, zeiden ze.

Hij maakte duidelijk dat hij nooit, nooit meer terugwilde naar de flat. En dat hij nu eigenlijk ook geen zin meer had in het leven. De volgende morgen vroeg werden de kinderen gebeld: of ze nu meteen naar het ziekenhuis wilden komen. Het was alsof hun vader wachtte tot ze er allemaal waren; vanaf dat moment kon je zijn bloeddruk gestaag zien dalen. Hij lag, zegt zijn dochter, vol overgave te sterven. Om kwart voor tien die ochtend gebeurde dat.

Pieternella Adriana (Nel) den Hollander-Jongepier werd op 6 augustus 1916 in Waddinxveen geboren

Pancras (Panc) den Hollander op 26 oktober 1915 in Gouda. Zij overleed op 1 januari 2007 in Maassluis. Hij overleed op 3 januari 2007 in het ziekenhuis van Schiedam. Ze liggen naast elkaar begraven in Burgh-Haamstede.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden