NEGORIJ VAN VERVLOGEN DROMEN

Het broeit in Israels zogeheten ontwikkelingssteden van Israel. Nou, ja, ontwikkelingssteden . . . Dat was lang geleden, toen de orientaalse Joden nog met gejuich werden begroet. Nu zijn het moerassen van ongenoegen. De straat-geleerden achter hun glaasjes arak weten er alles van.

De kreet valt overal te beluisteren, van Kirjat Sjmona in het uiterste noorden van Israel tot en met de ontwikkelingsstadjes in de zuidelijke Negev-woestijn, dezelfde plaatsen die Menachem Begin vijftien jaar geleden aan de macht brachten en die nog altijd de machtsbasis van zijn Likoed-partij vormen.

Het begrip ontwikkelingssteden is in Israel een eufemisme voor de plaatsen waar in de jaren vijftig en begin zestig de nieuwe immigranten uit Noord-Afrika werden neergeplant. Israel was toen nog vol idealisme en denieuwe nederzettingen in alle uithoeken van het land leek een grootse toekomst beschoren: zij zouden het land verder tot ontwikkeling brengen. De beloften van de overheid om te zorgen voor groei en ontwikkeling waren niet van de lucht.

Nog altijd worden de 'ontwikkelingssteden' voornamelijk door orientaalse Joden, de zogeheten sefardiem, bewoond. Maar hun verwachtingen van een grootse toekomst hebben al lang plaats gemaakt voor bittere teleurstelling. De sefardiem zijn zich steeds meer verlaten, achtergesteld en gediscrimineerd gaan voelen, en hebben ze zichzelf de geuzennaam 'defoekiem' (verneukt) aangemeten.

De politieke ommekeer die de nieuwkomers van de jaren vijftig bewerkstelligden in 1977 kwam veeleer voort uit hun wens de heersende Arbeiderspartij af te straffen - omdat die ze had onderdrukt - dan uit enige affiniteit met de Poolse oligarchie van de Likoed. Toch omhelsden zij de Likoed als was het hun eigen partij, zeker nadat Menachem Begin de uit Marokko afkomstige David Levi tot minister had benoemd. Die ambitieuze bouwvakker uit Beth Sje'an, ook al zo'n ontwikkelingsstadje, werd de eerste uit hun gelederen die het tot minister had gebracht. Hij was het levende bewijs dat de Likoed wel plaats had voor een eenvoudige jongen uit Marokko - ook al bleef Levi het mikpunt van grollen en grappen over zijn gebrekkige kennis en zijn gezwollen taalgebruik. Dat laatste zou hij hebben aangeleerd door de retoriek van Menachem Begin zorgvuldig te bestuderen.

Begin keerde negen jaar geleden de politiek de rug toe, en met zijn overlijden lijkt nu - haast symbolisch - een tijdperk te worden afgesloten. "Na 29 jaar van Arbeiderspartij plaatsten de orientaalse Joden, hun hoop in de Likoed" , zegt een trouw partijlid. "Maar het is meer van hetzelfde gebleken en nu willen ze de Likoed net zo hard straffen als ze de Arbeiderspartij indertijd hebben gestraft. En op precies dezelfde manier."

De woede bereikte verleden week het kookpunt door de manier waarop Levi bij de kandidaatstelling voor het parlement werd behandeld. In een eerste algemene stemming voor het partijleiderschap vergaarde Levi nog dertig procent van de Likoed-stemmen en werd tweede, na Shamir. Toen de afgevaardigden vervolgens de volgorde op de lijst moesten bepalen, sloten Shamir en Sharon een pact tegen Levi en drukten hem naar beneden tot een vernederende achttiende plaats. Shamir deed dit niet zozeer uit liefde voor Sharon - aan wie hij misschien net iets minder hekel heeft dan aan Levi. Zijn redenering was eenvoudig: Levi was in de eerste ronde als nummer twee geeindigd, en dreigde nu beter uit de bus te komen dan Shamirs eigen kandidaten. Levi en zijn mensen konden alleen gestopt worden als Shamir zich van de steun van Sharon en diens aanhang verzekerde.

In het zaaltje waar de Levi-aanhang bijeen was, klonken woedende en dreigende kreten over de samenzwering van de 'asjekanaziem' (westerse Joden) tegen de 'sefaradiem' en dat ze het hun wel betaald zouden zetten door en bloc op Rabin (van de Arbeiderspartij) te stemmen.

De onvrede jegens de Likoed broeide al lang voor die woede-uitbarsting. En moeilijk zoeken naar de redenen daarvoor is het niet. Sinds de laatste verkiezingen in 1988 is de economische situatie in Israel aanzienlijk verslechterd, maar nergens heeft de werkloosheid zo hard toegeslagen als in die nogal afgelegen dorpjes en stadjes. Fabrieken moesten de een na de ander de poorten sluiten. Gezinshoofden van middelbare leeftijd kwamen op straat te staan, zonder enig vooruitzicht op nieuw werk. Hun wanhoop nam nog eens toe door de aanblik van hun zonen, die na drie jaar militaire dienst naar huis terugkeren en op de steun aangewezen zijn, zonder enig perspectief.

Zelfs de slinkende kansen op vrede hebben een plaats gevonden in de klaagzang. Twee generaties lang zagen de bewoners van deze ontwikkelingssteden zich als de bouwstenen waarmee de staat werd opgebouwd. Nu klagen sommigen dat hun zonen kanonnevoer zijn geworden. "Achttien jaar lang breng je je kind groot, alleen maar om hem naar het leger te sturen om te sterven" , murmelt een uitgebluste treurig ogende man, nippend aan een glaasje arak in een aftands koffiehuis in Sderot, vlakbij de Gazastrook. Het is een thema dat elke keer weer terugkeert als de mensen hun woede luchten.

De ontwikkelingsdorpen in het noordwesten van de Negev zijn nauwelijks van elkaar te onderscheiden. Ze zijn haast allemaal even groot, met 12 000 tot 16 000 inwoners - en met werkloosheidcijfers van vier procent in Netivot tot twaalf procent in Sderot. Ze zijn stuk voor stuk eenzelfde mengeling van duplex-bouwsels uit de jaren vijftig en zestig, flatgebouwen uit de jaren zeventig en tachtig, en her en der wat welvarender uitziende villa's. In al die plaatsen verrijzen in de periferie nieuwe woningen voor de allernieuwste immigranten, de Russen en Ethiopiers. Die zien hun nieuwe bestemming met angst en beven tegemoet, bevreesd dat hen eenzelfde lot beschoren zal zijn als hun voorgangers van weleer.

Het zijn stoffige armetierige dorpjes, zonder de zorg voor de omgeving, die juist de randgemeenten op de westelijke Jordaanoever hun aanzien geven. Hier en daar zijn er wel tuintjes, satellietschotels of andere tekenen van betrokkenheid te zien. Maar de verwaarlozing blijft het overheersende beeld in deze contreien.

Midden op de dag is Jechiel Zohar, het Likoed-hoofd van het gemeentebestuur van Netivot, gewikkeld in een levendige straatdiscussie met sommige van zijn partijgenoten. Onderwerp van gesprek is de manier waarop David Levi door de oude garde is behandeld. Het thema is opnieuw de discriminatie. "Ik hoop dat Levi met de partij breekt en z'n eigen partij begint" , zegt hij driftig. "Dan kan iedereen onze echte kracht zien" - een verwijzing naar het feit dat maar liefst 80 van de 105 plaatselijke partijafdelingen in handen zijn van aanhangers van Levi. Een deel van die aanhang heeft de Likoed al de rug toegekeerd en is naar de ultra-orthodoxe (voornamelijk sefardische) Shas-partij overgelopen. Alleen is die partij verwikkeld geraakt in allerlei corruptieschandalen en zijn de mensen dus ook al teleurgesteld in Shas, die daardoor nauwelijks zal profiteren van de onvrede met de Likoed.

Nog zuidelijker in Ofakim op het plein in het centrum bespreekt een groepje dertigers over een biertje de politiek. Deze tweede generatie inwoners, geboren en getogen in de ontwikkelingssteden, weerspreekt alle stigma's en stereotypen die hun ouders opgeplakt hebben gekregen. Ze zijn betrokken, welbespraakt en uitgerust met politieke kennis van zaken.

"Wij Marokkanen waren naief" , zegt Avi die van de rechtse Likoed helemaal naar links is afgedwaald. "Maar we zijn veel verstandiger geworden, we zijn volwassen geworden."

"Het zal me niet makkelijk vallen, maar dit keer stem ik Arbeiderspartij" , vertelt Charlie, die uitlegt dat zelfs mensen met werk nog niet rond kunnen komen van hun fabrieksloontje. "De Likoed heeft alles naar de knoppen geholpen - onderwijs, de sociale voorzieningen, alles. Ze hebben de hele boel verwaarloosd en nu zijn de problemen niet meer op te lossen. Een hele reeks mensen is hier gekomen om te praten over het opbouwen van de industrie. En wat is er van terechtgekomen? Noppes."

"De Arbeiderspartij sluisde het geld door aan de kibboetsiem, nu is het de Likoed die miljoenen stort in de nederzettingen op de westelijke Jordaanoever" , valt Avshalom hem in de rede. "En wij vallen weer uit de boot, net als altijd."

"We willen niet zomaar een minister of twee als zoethoudertje" , voegt Avi toe. Waarmee hij weer terug is bij het etnische thema. "Wij willen Marokkanen in topfuncties in de economie, in het bankwezen, in de bestuursraden. We moeten de feiten onder ogen zien: tachtig procent van de bevolking in de Negev is sefardisch. Toon mij een fabriek met honderd arbeiders die hier de afgelopen vijftien jaar is opgericht en dan stem ik weer Likoed."

Iedereen in de ontwikkelingssteden is het er over eens dat de woede over de behandeling van Levi al ver voor de verkiezingen overgewaaid zal zijn. Maar de onvrede over de hooghartige wijze waarop er met de bevolking wordt omgesprongen verdwijnt niet zomaar. "Ik ruik verandering" , zegt Avi in Ofakim. "De mensen kunnen het woord Arbeiderspartij nog niet over hun lippen krijgen, dus zeggen ze Rabin. Maar het komt op hetzelfde neer.

Toch blijven de straat-geleerden verdeeld over wat er op 23 juni, de datum van de verkiezingen, gaat gebeuren. "De mensen zijn nu kwaad en gooien van alles eruit" , waarschuwt Mordechai Chazan, een werkloze arbeider uit Sderot. "Maar als het erop aankomt, als ze eenmaal in dat stemhokje staan, dan keren ze naar 'huis' terug. Je zult zien dat ze dan allemaal weer Likoed stemmen."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden