NEDERLANDS

Woorden leren woorden onderwijzen, door Simon en Marianne Verhallen, CPS, Hoevelaken

Simon Verhallen heeft genoeg voorbeelden bij de hand. Hoe vaak komt het niet voor dat een leerling bij biologie een woord niet kent. Hij vraagt het aan de leraar. Die legt uit wat het woord betekent, en gaat weer over tot de orde van de dag. Voor het moment is dat misschien een prima oplossing. Maar het is, zeggen de deskundigen, vooral allerbeste verzekering dat een woord daarna direct weer wordt te vergeten.

Maar hoe moet het dan wel? Simon Verhallen schreef samen met zijn vrouw en collega aan de Universiteit van Amsterdam, in opdracht van het christelijk pedagogisch studiecentrum, het boek 'Woorden leren woorden onderwijzen'. Het is een lesboek voor leraren in het basis- en het voortgezet onderwijs, die niet uitsluitend kinderen in de klas hebben voor wie Nederlands de moedertaal is. Het boek wordt vrijdag in Haarlem aangeboden aan staatssecretaris Netelenbos van onderwijs.

Het echtpaar Verhallen is ervan overtuigd dat de grote taalachterstand van allochtone kinderen terug te voeren is op een gebrekkige woordenschat. In die stelling zit ook meteen de oplossing: uitbreiding van de woordenschat moet veel meer aandacht krijgen, en dan vooral systematisch.

Dat anderstalige kinderen op school komen met een achterstand, staat onomstotelijk vast. Uit onderzoek in 1985 bleek dat Nederlandse kinderen bij hun entree op de basisschool gemiddeld 2150 woorden kennen, Turkse maar liefst duizend minder. Het verschil wordt daarna alleen maar groter: 8-jarige Nederlandse kinderen weten er 3900, Turkse 1600.

Dat komt niet omdat het onderwijs zo slecht is, maar vooral doordat de woordenschat de neiging heeft heel hard te groeien. Het verloopt, om een vergelijking te geven, als getallenreeks 2, 4, 8, 16, 36. “De allochtone kinderen”, concludeert Verhallen, “raken achter omdat de omgeving harder groeit dan zijzelf.”

'Het is dus onbegonnen werk om de allochtone kinderen op het niveau van de Nederlandse te brengen', hoort Verhallen vaak in docentenkamers. Maar ook: 'Ach, ze pikken het Nederlands wel op, in de klas en op straat.'

Met beide opvattingen is de taalwetenschapper het niet eens. Die van het 'en passant' leren gaat niet op, omdat de buitenlandse kinderen grote delen van de dag niet in een Nederlandstalige omgeving verkeren, dus niet veel op te pikken hebben.

Voor allesomvattend pessimisme is evenmin reden. Verhallen wijst erop dat er niet oneindig veel woorden bestaan. Het plafond is op een bepaald moment bereikt - en zeker is het mogelijk ook de anderstalige kinderen zoveel taal bij te brengen dat ze alle lessen kunnen volgen.

Maar dan moet het wel systematisch gebeuren. Ook tot zijn eigen verbazing stelt Verhallen vast dat er complete leerlijnen lezen, schrijven en zelfs grammatica zijn, maar dat die voor het aanleren van woorden nagenoeg ontbreken. Er wordt wel veel aan uitleg van woorden gedaan, daar gaat het niet om. Maar het is haast altijd hap-snap-beleid, van enige structurering is geen sprake.

En er is erg weinig materiaal, al wordt het ietsje beter. Voor kleuters is er een taalplan, en ook in de kinderdagverblijven hebben de leidsters aandacht voor de taal. Het 'bemoedigende' is, zegt Verhallen, dat dat soort nieuwe methodieken meteen wordt geëvalueerd, en dat de eerste resultaten aardig positief zijn.

Maar voor het basis- en laat staan het voortgezet onderwijs, is er nagenoeg niks. Woordenlijsten, zoals die voor de vreemde talen bestaan, zijn er niet voor Nederlands als moedertaal, noch als tweede taal. Voorlopig moet de school dus zelf bepalen welke woorden de kinderen wel en welke ze niet hoeven te kennen. 'Woorden leren woorden onderwijzen' geeft daar een uitgebreide handleiding voor.

Ook kan het boek een handige raadgever zijn bij de vraag, hoe de docent kan zorgen dat een woord niet vergeten wordt, maar in het woordgeheugen wordt opgeslagen. Het uitgangspunt is daarbij 'dat het nooit in een keer kan'. Er is meer voor nodig: de leerling moet iets willen leren, de uitleg van het woord dient zorgvuldig te gebeuren, het moet bij de leerling in het geheugen worden geprent en de leerkracht moet nagaan of de leerling het woord onthouden heeft.

Verhallen zou het liefste zien dat elke school een expert woordenschat aanstelt. Of, nog liever, dat een groepje docenten een werkgroep woordenschat vormt, die de kennis verspreidt onder de collega's. Verhallen heeft helemaal niet de indruk dat de scholen zo langzamerhand tabak hebben van al die dingen die ze ook zo nodig nog erbij moeten doen. Hij ziet het in zijn nascholingscursussen. Daar is de docent bouwtechniek net zo gemotiveerd als de leraar Nederlands. Want ook die technische docent weet, dat als de kinderen zijn taal niet begrijpen, het met die prachtige bouwtechnieken ook nooit wat wordt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden