Nederlandse studiebollen zijn vaak een beetje lui

Internationale olympiades zijn het neusje van de zalm voor het testen van intellectuele vermogens. Dat Nederlandse scholieren en studenten in bètavakken maar matig presteren weerspiegelt het gebrek aan waardering voor een topprestatie op dit vlak. Je bent algauw een ’nerd’. Nee, dan debatteren, praktisch denken. Daarbij komen Nederlanders pas echt op dreef.

China is de absolute topper. De eerste plaats is eerder regel dan uitzondering. Maar ook de Verenigde Staten, Rusland en Oost-Europese landen scoren altijd hoog in de officieuze landenklassementen die na wiskunde-, scheikunde-, natuurkunde- of biologie-olympiades worden opgesteld.

Nederland staat al jaren meestal ergens in het midden, blijkt uit een overzicht dat deze krant maakte.

Toch zijn het vaak hoogbegaafde leerlingen uit klas 5 of 6 van het gymnasium die voor Nederland meedoen. Zij zouden zich toch moeten kunnen meten met leeftijdsgenoten uit andere landen?

De organisatoren van de Nederlandse olympiades weten waarom dat niet lukt: Nederlanders willen met zo weinig mogelijk inspanning zoveel mogelijk bereiken.

Onze leerlingen hebben geen zin om hun best te doen, meent Hans Morelis, voorzitter van de Nederlandse biologie-olympiade. „Leerlingen die de nationale olympiades winnen, zijn stuk voor stuk toppers die bijna altijd op meerdere terreinen uitblinken. Maar de gedrevenheid om internationaal te scoren, is er niet. Ook al is zo’n internationale wedstrijd vaak in een ver land, daar lopen ze niet warm voor: dat is voor hen niet zo bijzonder.”

Het lijkt een beetje op de prestaties van de Finnen. Ook zij, met hun veelgeprezen onderwijs, halen geen goede resultaten. Ze presteren gemiddeld zelfs nog slechter dan Nederlandse deelnemers.

Morelis: „Het ligt ook niet aan het Finse of aan ons onderwijssysteem. Maar als je in Nederland een olympiade wint, is er weinig waardering. Ze vinden je een nerd. Uitblinken, ’dat doe je niet’. Terwijl het in andere landen fantastisch gevonden wordt.”

Morelis vindt eigenlijk dat degenen die een gouden medaille halen op een internationale olympiade – en dat zijn er hooguit een paar per jaar – van de overheid extra studiebeurzen zouden moeten krijgen. „Dat gebeurt in Azië en het voormalig Oostblok ook. Dat stimuleert. Je ziet dat daar de leerlingen vrijwillig maanden de boeken induiken en materie van boven hun niveau tot zich nemen, om nog beter te worden.”

In veel landen opent niemand minder dan de president een olympiade, weet Morelis. Soms zijn ook leden van het koninklijk huis aanwezig. „De televisie zendt dagelijks beelden uit, er hangen overal spandoeken op straat en de minister van onderwijs reikt aan het eind de prijzen uit. Toen in 2002 in Groningen de internationale scheikunde-olympiade was, ging dat aan vrijwel iedereen voorbij.”

Nederland werd dat jaar 29e, veel beter dan het jaar ervoor, toen het 44e van de 54 deelnemende landen werd. Toen Nederland de scheikunde-olympiade in 1986 organiseerde, werd het nationale team zelfs eerste.

Maar met oplevend enthousiasme voor olympiades heeft dat niets te maken: „Het komt doordat het gastland de inhoud van de olympiadetoets mag bepalen. Die ligt dan vaak in de lijn van wat er landelijk wordt onderwezen”, verklaart Peter de Groot van de nationale scheikunde-olympiade.

Met wiskunde is het al niet veel beter. De beste prestatie van Nederland op de internationale wiskunde-olympiade stamt uit 1977: toen werd de afvaardiging 5e, maar er deden ook slechts 21 landen mee. De beste recente prestatie is uit 1999. Toen werd Nederland 31e van de 81 landen.

Het is geen wonder, gezien de voorbereiding van de Nederlanders. Na de eerste voorronde volgen de beste scholieren enkele trainingskampen en een paar bezoekjes aan een universiteit, waar opgaven met studenten worden geoefend.

Bij natuurkunde doet Nederland het binnen het bètablok nog het beste. Meestal scoort ’maar’ 40 procent van de andere deelnemers beter.

Wellicht omdat bij dit vak de aanpak meer gericht is op de praktijk. Het valt Morelis namelijk op dat bij competities waarbij het practicum een belangrijk onderdeel is, Nederlanders beter scoren. „Dan komt het niet op weten aan, maar op kunnen.”

Zo waren vorige maand Nederlandse scholieren de beste in Stuttgart op de 13e ‘International Conference for Young Scientists’. Vwo’ers van het Hogeland College uit Warffum haalden goud met hun constructie van een voertuig dat voortgedreven wordt door een ionmotor.

Leerlingen van het Christelijk Lyceum uit Zeist onderzochten de werking van feromonen: geurstoffen die het lichaam afgeeft. Dat deden ze door gaasjes onder de oksels van sportende klasgenoten te laten ruiken aan klasgenoten van de andere sekse. Ook goed voor goud.

Debatteren, samenwerken, presenteren en organiseren, dat kunnen Nederlanders wél als de besten. Zo werd ’United Netherlands’ bij een simulatiewedstrijd van de Verenigde Naties, in februari dit jaar in Boston, verkozen tot de beste internationale delegatie. Er deden 2500 studenten uit de hele wereld aan mee. De Nederlanders kregen de onderscheiding vanwege hun goede samenwerking en oplossingsgerichte aanpak. Ook de groepsprestatie werd geprezen.

Maar voor deze VN-simulatie was dan ook al maanden van tevoren keihard getraind. De studenten doken in allerlei internationale vraagstukken, en oefenden in onderhandelen, debat- en gesprekstechnieken. En met succes. De vice-president van United Netherlands, Jeroen Toet, vindt het moeilijk te verklaren waar de gedrevenheid van zijn studenten vandaan komt. „Ze worden wel al op motivatie geselecteerd. Vervolgens is de voorbereiding zo intensief dat het ook zonde is om niet het maximale eruit te halen.”

Hetzelfde verhaal gaat op voor de Maastrichtse rechtenstudenten. In maart wonnen zij voor de vierde keer in vijftien jaar in Luxemburg de prestigieuze Europese pleitwedstrijd: ’Law Moot Court Competition’. Ook zij worden scherp geselecteerd, mede op basis van motivatie. In totaal deden studententeams van ruim negentig universiteiten van over de hele wereld mee.

De intensieve trainingen vooraf hebben een cruciale rol gespeeld, meent begeleider professor Hildegard Schneider. „Onze studenten leren een goede stijl aan: ze blijven altijd beleefd tegenover het hof, ook als er domme vragen gesteld worden. Ze tonen durf in hun pleidooien. Ze beheersen het Engels en Frans prima.”

Maar de allerbelangrijkste reden voor het succes is misschien wel het gegeven dat vooraanstaande advocatenbureaus klaarstaan om de winnaars een baan aan te bieden. Schneider: „Een van onze winnaars is een stage bij het Europese Hof aangeboden. Voor studenten die het bij deze competitie goed doen, staat de deuren naar een internationale carrière open.” Als het niet om de eer gaat maar om een baan, kan de Nederlandse jongere blijkbaar wél presteren.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden