Nederlandse stem ontbreekt in internationaal filosofisch debat

Filosofie is hot. Klopten Nederlanders met hun levensvragen vroeger bij de geestelijke aan, nu is ook de filosoof in trek. Maar in het internationale debat zwijgen de Nederlandse filosofen. Een gesprek met Jos de Mul, hoogleraar wijsgerige antropologie aan de Rotterdamse Erasmusuniversiteit, over de hedendaagse positie van de filosofie in Nederland.

Jasper van den Bovenkamp

Ooit, en dat was opvallend genoeg in een tijd waarin de geestelijkheid aanzienlijke invloed genoot, was Nederland interessant voor buitenlandse filosofen. René Descartes kwam naar Nederland om hier filosofie te bedrijven, vanwege de sfeer van tolerantie en een soort ’radicaal positivistische levensbeschouwing’. „Typisch voor het Nederlandse denkklimaat”, zo omschrijft De Mul onze humanistische en atheïstische traditie.

Aan de andere kant stond de Nederlandse filosofie de afgelopen eeuwen in de schaduw van buitenlandse tradities. Lange tijd was ons land erg op Duitsland gericht en daarmee eigenlijk een intellectuele provincie van Duitsland. Na de Tweede Wereldoorlog veranderde dat. Er vond een heroriëntatie plaats richting de Angelsaksische cultuur, wat ook in de filosofie tot uitdrukking kwam.

In de periode na de Tweede Wereldoorlog is de filosofie sterk geïnternationaliseerd en geprofessionaliseerd. Voor die tijd publiceerden hoogleraren veel minder en eigenlijk pas vanaf de jaren tachtig heeft de publicatiezucht een hoge vlucht genomen. De Mul: „Opvallend aan de Nederlandse filosofie is het receptieve, ontvankelijke karakter. Nog altijd sluit men aan bij discussies in het buitenland en daarom kun je moeilijk spreken van ’een Nederlandse stem’ in het internationale debat.”

Dat was in ons land ten tijde van Baruch de Spinoza wel anders: hij was bepalend in het internationale debat. Jonathan Israel, een Joods-Britse historicus en hoogleraar Nederlandse geschiedenis in Londen, beweerde zelfs dat de échte, radicale Verlichting in Nederland plaatsvond. Hij stelt daarmee het beeld bij dat de Verlichting vooral een Franse aangelegenheid geweest zou zijn, onder leiding van onder andere Voltaire en Diderot. Volgens Israel was er een invloedrijke golf, die vooral ondergronds rolde. In die periode was de godsdienstvrijheid namelijk zeer beperkt; Spinoza was dan ook vooruitstrevend in zijn pleitrede voor een radicale godsdienstvrijheid.

In hun streven naar tolerantie stemmen Erasmus en Spinoza overeen. Erasmus had een humanistische kijk op de werkelijkheid en stond open voor discussie. Spinoza is beroemd vanwege zijn pleitrede voor een radicale vrijheid van meningsuiting. „En dat is iets wat wij heel graag met Nederland verbinden”, aldus De Mul. „Je kunt je afvragen, zeker na de gebeurtenissen van de afgelopen jaren (de moord op Pim Fortuyn en Theo van Gogh), hoe het gesteld is met onze beroemde tolerantie. Er doet zich deze heel vreemde paradox voor dat juist de mensen die zich zo beroepen op die traditie, boeken willen verbieden. Wilders heeft het volstrekte recht zijn mening te uiten, maar dat hij de Koran wil verbieden, staat haaks op die tolerantie.”

Heeft Nederland dat tolerante erfgoed weten te behouden? De Mul denkt, behoudens mensen als Wilders, van wel, maar vraagt zich tegelijk af of filosofen daar nu wel de sterkste pleitbezorgers van zijn. In Nederland zijn het, zo meent hij, namelijk niet in de eerste plaats filosofen die het publieke debat bepalen. „Vergelijk dat eens met Frankrijk: als er daar een camera in de buurt is, buitelen de filosofen over elkaar heen. Die traditie kennen we bijna niet in Nederland.”

Uitzonderingen kan De Mul wel noemen: Gerard Bolland (1854-1922) bijvoorbeeld. Hij schreef niet alleen geleerde hegeliaanse boeken, maar ook pamfletten over prostitutie en allerlei andere zaken. Ook Hans Achterhuis heeft een belangrijke rol gespeeld met zijn boek ’De markt van welzijn en geluk, een doordenking van de verzorgingsstaat’.

Keerzijde van de professionalisering is volgens De Mul dat Achterhuis daarvoor niet erkend is.

Achterhuis, tot voor kort hoogleraar filosofie aan de universiteit Twente, kreeg in de jaren negentig relatief slechte beoordelingen bij onderzoeksvisitaties, omdat hij boeken in het Nederlands schreef die hier grote invloed hadden, terwijl mensen die schreven voor een klein, internationaal groepje specialisten, veel hoger scoorden. „Pas toen zijn groep ook meer in het Engels ging publiceren, steeg de waardering. Bij de laatste onderzoeksvisitatie behoorde zijn groep tot de best beoordeelde”.

Hoe bescheiden zij ook zijn moge, onze invloed is vanaf de jaren zeventig en tachtig wel gegroeid. Veel Nederlanders trekken naar het buitenland. Zelf reisde De Mul afgelopen halfjaar naar de University of Michigan en naar de Fudan University in Shanghai om daar te doceren. Hij publiceert nog steeds veel in het Nederlands, omdat hij dat als „een belangrijke culturele taak” beschouwt. Zijn werk is evenwel inmiddels in een stuk of tien andere talen vertaald, onder andere in het Chinees. Het merendeel van de buitenlandse publicaties verschijnt echter in het Engels, onder meer bij gezaghebbende uitgevers als de Yale University Press. „Engels is nu eenmaal de huidige lingua franca van de wetenschap.” Dat is volgens De Mul ook de reden om naar Amerika te gaan. „Niet alleen in economisch opzicht, maar ook op wetenschappelijk gebied vormen de Verenigde Staten een wereldmacht.”

Maar het is de vraag of dat zo zal blijven. Niet alleen de economische, maar ook de intellectuele macht verschuift langzamerhand naar China. Amerikaanse universiteiten nemen steeds vaker Chinese vertalers in dienst, om Chinese artikelen uit Chinese tijdschriften in het Engels te vertalen. „Dertig jaar geleden kenden we dat niet. De Chinezen lopen inmiddels op verschillende gebieden al voorop en die ontwikkeling zal zeker verder gaan.”

De Mul stimuleert zijn filosofiestudenten in hun uitheemse hartstochten. „Het is goed voor je ontwikkeling, te ervaren dat de manier waarop wij in Nederland leven niet de enige manier is. Descartes zei al dat je je kennis niet alleen in bibliotheken moet opdoen; het is minstens zo belangrijk om het boek des levens te lezen.”

De Mul meent dan ook dat filosofie een publieke aangelegenheid is. „Filosofie handelt immers vaak over vraagstukken die iedere mens en de hele samenleving aangaan. Je hebt als intellectueel ook een publieke taak. Al was het alleen maar omdat de samenleving de filosofiebeoefening betaalt. Mag ze er alsjeblieft ook iets voor terugkrijgen?”

De maatschappelijke rol van een filosoof is in Nederland veel kleiner dan elders, weet De Mul. „In Vlaanderen bijvoorbeeld beroept ook een econoom zich op Descartes of Kant. Dat maak je hier bijna niet mee.” Dat komt volgens De Mul omdat ons land van oudsher vooral dominees en handelaren voortbracht. Tot de jaren vijftig, zestig ging de geestelijkheid over morele aangelegenheden. De liberale traditie die in de negentiende eeuw in gang werd gezet en na de Tweede Wereldoorlog pas echt een belangrijke stem heeft gekregen, verijdelde meer en meer de gang naar pastoor en dominee.

De huidige belangstelling voor filosofie dient volgens De Mul dan ook gezien te worden tegen de achtergrond van de enorme secularisering in Nederland die zich vanaf de jaren zestig voltrok. Kerken stromen leeg, maar mensen blijven wel zitten met allerlei levensvragen. Hoe moet ik leven? Wat is zinvol in het bestaan? Hoe moet je de samenleving inrichten?

„De meeste filosofen pretenderen weliswaar niet definitieve antwoorden op dergelijke vragen te bieden, maar aan hun reflecties is blijkbaar behoefte. Die vragen blijven actueel.”

Volgens de laatste visitatie van het Nederlandse filosofieonderzoek door een internationale commissie scoort Nederland over de gehele linie goed.

Ons land blinkt in het bijzonder uit op twee gebieden: de geschiedenis van de filosofie en de filosofie van de techniek. Hierin heeft ons land echt een eigen stem en die wordt ook in het buitenland gehoord.

Verwonderlijk is het volgens De Mul niet dat de techniekfilosofie het hier goed doet. Het heeft, zo denkt hij, te maken met onze bètatraditie: „Daarin komt ons geestelijk klimaat tot uitdrukking. Nederlanders hebben doorgaans een nuchtere kijk op de werkelijkheid. Ook in de techniek kennen we een weinig dogmatische benaderingswijze. Je treft hier bovendien geen doemdenkerij aangaande de techniek, zoals bij Heidegger het geval was.”

De Nederlandse benadering, waarin techniek niet wordt afgewezen, is nuchter, maar ziet niet bij voorbaat techniek als de oplossing van alle problemen.

Dat met de secularisatie de populariteit van de filosofie is gegroeid, is wel zeker. Sprekend voorbeeld van die populariteit is het blad Filosofie Magazine. Met zijn oplage van zo'n 18.000 is dat het populair-filosofische tijdschrift met de hoogste oplage ter wereld. Er is zelfs geen Engelstalig filosofisch tijdschrift dat deze oplage overtreft.

Een ander voorbeeld van die populariteit is dat steeds meer bedrijven een filosoof in de arm nemen. Op zich vindt De Mul dat een goede ontwikkeling, omdat filosofen gewend zijn abstract te denken en in complexe structuren de grote lijn kunnen zien. Het gevaar van de excuus-filosoof loert volgens De Mul echter wel om de hoek: een verlegging van de morele verantwoordelijkheid. „Het is prachtig dat een filosoof meedenkt over vraagstukken rondom leven en dood, maar ook artsen zelf dienen over morele zaken na te blijven denken.”

Deel 2 van een driedelige serie over de hedendaagse positie van de filosofie in Nederland. Deel 1 verscheen op 7/8.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden