Nederlandse schilders in Rome op zoek naar het volkse leven

'Straatrumoer', t/m 9 febr. in het Centraal Museum, Agnietenstraat in Utrecht, diza 1017 uur, zo 1317 uur. Duitstalige cat. 59, Ned. uitgave 15.

CEES STRAUS

Hoe kleurrijk en opmerkelijk de daden van deze kunstzinnige emigres ook zijn geweest, hun werk heeft lange tijd volslagen buiten de belangstelling van de kunsthistorische wereld gestaan. Zelfs in Nederland waar vele 'Bentvueghels' vandaan zijn gekomen, heeft het tot ver in deze eeuw geduurd voordat er enige interesse voor deze voor de 17e eeuwse kunst zo belangrijke ontwikkeling ontstond. Het was ook nu een buitenlandse groep onderzoekers die het werk van de zogeheten 'Bamboccianten' bijeen heeft gebracht om er door middel van een boek en een expositie aandacht voor te vragen. Het overzicht van deze Bamboccianten die in de Nederlandse schilder Pieter van Laer hun voorman vonden, is onder de titel 'Straatrumoer' in het Centraal Museum in Utrecht te zien.

Die titel heeft een tweeledige betekenis. Niet alleen zorgden de Bentvueghels of Bamboccianten voor rumoer, ze schilderden ook rumoer. Ze gingen naar Rome om er de kunst van de Antieken te bestuderen, om er werk te bewonderen van hun grote inspiratiebronnen Rafael en Michelangelo, om het zuidelijke licht te zien en om er te ruiken aan de nieuwste kunst. Maar eenmaal ter plekke raakten ze onder de bekoring van het straatleven, van de opgewonden Italianen wier levensstijl zo veel anders was dat wat ze thuis gewend waren.

Van dat dagelijkse leven was in de Italiaanse schilderkunst niets terug te vinden. De plaatselijke academie schreef een schildertrant voor die ver boven het vita populare, het platte en alledaagse moest uitstijgen. Het gevolg was een sterk geidealiseerde schilderkunst die over verheven ideeen ging. De kunst van de Italianisanten stond dus haaks op de officiele Italiaanse kunst. Toch was het realisme hen niet helemaal onbekend. Toen Pieter van Laer in 1630 in Rome arriveerde, was Caravaggio 20 jaar eerder overleden. Caravaggio had mensen van vlees en bloed geschilderd, in de meest letterlijke betekenis. Zijn modellen had hij van de straat geplukt: bedelaars, straatschoffies, prostituees. In de schilderijen van Pieter van Laer zijn dezelfde volkse types als marskramers, ambachtslieden, mooie meiden en dieven te zien, die figureren in voorstellingen die een combinatie vormen van stads- en plattelandsscenes met alledaagse tafrelen.

Tovenaar

Van Laer had belangstelling voor het afwijkende in het alledaagse. Hij schilderde bijvoorbeeld een serie roofovervallen waar het bloed rijkelijk vloeit, maar portretteerde zichzelf ook als een tovenaar op zoek naar magische krachten. Dat leverde een bizar schilderij op; een voorstelling waarop een levend hoofd, bedreigd door griezelige klauwen, poseert boven een stilleven van een op een vuurtje gestookte schedel en tal van instrumenten voor occulte zaken.

Het is wat bizarrerie betreft het meest vergaande schilderij van een richting die meestal een grote intimiteit voorstond. Juist daarom valt Van Laer zo op: zijn schilderwijze heeft technisch en op bepaalde punten ook stilistisch grote navolging gekregen, maar inhoudelijk gingen de Bamboccianten toch sneller hun eigen weg. Van Laer heeft trouwens ook religieuze voorstellingen gemaakt, waarvan in Utrecht een 'Verkondiging aan de herders' getuigt. Hij kon dus alle kanten uit, wat er ongetwijfeld mee te maken had dat hij een brede markt wilde bedienen.

Want ondanks het wat afwijkende gedrag dat hij in zijn onderwerpen tentoonspreidde, had Van Laers werk in Rome voldoende aftrek. Hij bleef er zes jaar om vervolgens naar huis terug te keren. In 1642 ging hij opnieuw naar Rome, maar het bezoek zou toen van aanzienlijk kortere duur worden; nog in het zelfde jaar overleed hij.

Daarmee is hij circa 43 jaar oud geworden, een leeftijd die de meeste schilderende bentgenoten nauwelijks haalden. Ter vergelijking: Andries Both stierf 29 jaar oud, Jan Both werd 37 jaar, net zo oud als Jan Wouwerman. Jan Baptist Weenix werd 39 en Jan Asselijn haalde de 42, Jacob de Heusch 45 en Michiel Sweerts werd 46 jaar oud. Een man overleefde ze echter allemaal: de Vlaming Anton Goubau stierf in 1698 op 82-jarige leeftijd.

Zo werd een verblijf in Rome dat gauw een paar jaar zou duren, een aanzienlijk deel van iemands schildersleven. Zou het vrolijke leven dat men ter plaatse leidde, iets te maken hebben gehad met de korte levensduur die men kon verwachten? Het werk van de Bamboccianten (de naam is afgeleid van het Italiaans bamboccia, de bijnaam die Van Laer kreeg in de schildersbent en die zo veel betekent als 'marionet' of 'ledepop', dit vanwege zijn overgeproportioneerde lichaam waarvan de benen buiten verhouding lang waren) loopt over van levenslust. Het is een en al schelmenstreek, pret en gein dat er te zien is. De werkelijke armoede en de onhygienische situatie waarin de Romeinse stedelingen moesten leven is niet of nauwelijks te zien. Het vrolijke, alledaagse leven, dat de Nederlandse schilders gekend moeten hebben van hun Vlaamse collega's als Pieter Bruegel de jongere, later ook Adriaen Brouwer en David Teniers, werd nu onder een Italiaanse noemer geplaatst. Hoe zeer zij in een realistische stijl werkten, er bleef toch een spoortje van idealisering over: echt zoals de werkelijkheid was, werd het nooit.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden