Nederlandse Opera, waarheen met de barok?

Precies één dag voor het begin (morgen) van het Festival Oude Muziek in Utrecht, brengt de Nationale Reisopera vanavond, óók in Utrecht, de 'Alcina' van Georg Friedrich Hündel in première. Let wel: niet in het kader van het Festival Oude Muziek. Want aan één voorwaarde voldoet de produktie niet: het instrumentaal ensemble behoort niet tot de geheiligde familie die zich van tijdeigen speeltuig bedient.

De Nationale Reisopera heeft namelijk het Combattimento Consort, geleid door Jan Willem de Vriend, ingehuurd. En dat Combattimento benut strijk- en blaasinstrumenten van twintigste-eeuwse snit. Wat niet wegneemt dat dit ensemble werkelijk virtuoos en schitterend speelt en zich in stijl van spelen en voordragen geheel richt naar de 'oude' maatstaven.

Kijken we verder in het seizoensoverzicht dan heeft de Reisopera ook nog een 'Cosi fan tutte' (Mozart) in petto geleid door niemand minder dan René Jacobs die vergezeld wordt van het Concerto Köln, een barokorkest dat de toets der kritiek zoals het Festival Oude Muziek aanlegt, wel doorstaat.

Al in het tweede seizoen haalde de Reisopera barokcracks als Arnold üstman (voor 'l Arbore di Diana') en Marc Minkowski (voor Glucks 'Orfeo') in huis. Zij gaat in het derde seizoen door met beide heren, biedt een snel opkomend fenomeen (Jan Willem de Vriend) kansen en bindt een internationaal erkend kopstuk (René Jacobs) aan zich. Komende seizoenen zal dat beleid met andere specialisten worden uitgebouwd.

Binnen het Nederlandstalig cultuurgebied zijn zowel de Nationale Opera van België in Brussel als de Vlaamse Opera in Antwerpen/Gent bezig interessante contacten op te bouwen met de belangrijkste interpreten voor de periode 1600 - 1800: René Jacobs, Philippe Herreweghe, Jos van Immerseel, Paul Dombrecht en Sigiswald Kuijken. In de meeste gevallen brengen zij hun eigen 'authentieke' ensembles mee: La petite bande, Il Fondamento, Anima Eterna, Concerto Köln en hoe ze allemaal heten.

Maar hoe zit dat met 'oude' opera bij De Nederlandse Opera? We kijken terug op een prachtige Monteverdi-cyclus, indrukwekkend door de regie en de toneelbeelden van het vormgevend team onder leiding van Pierre Audi; hij krijgt daar èn voor twee toneelregies binnenkort de Prijs van de Theatercritici. Naar wie zou echter de (niet bestaande) Prijs van de Muziekcritici moeten? Immers, de muzikale leiding werd vergeven aan drie specialisten: Glen Wilson ('Ulisse'), Christophe Rousset ('Poppea') en Stephen Stubbs ('Orfeo').

Hun visies en emotionaliteiten verschilden nogal van elkaar. De twee eerstgenoemden waren zeker niet onkundig maar wel betrekkelijk onbekend, in relatie tot wat het Festival Oude Muziek jaar in jaar uit aan talenten en namen voorschotelde. Alleen Stubbs geniet gezag; hij bracht zijn eigen ensembles mee: Tragicomedia en Concerto Palatino. We zullen ze terugzien bij de herneming van 'Orfeo' in november aanstaande.

Muzikaal was die 'Orfeo' een echt sterke produktie. Dat wil zeggen dat het muziekbedrijf De Nederlandse Opera met Monteverdi niet voldaan heeft aan een standaard die in Nederland, vooral dankzij het Festival Oude Muziek, is opgebouwd. En: de theatercritici houden zich niet bij hun leest; opera is muziektheater en dient als één geheel te worden gewaardeerd, vooral vanuit de muziek.

Monteverdi staat aan het begin van de periode: Gluck en Mozart zitten aan de andere kant. Van hun werken kregen we bij De Nederlandse Opera fascinerende voorstellingen te horen en zien waarbij het zwaartepunt terecht wèl lag bij de muzikale leiding: Nikolaus Harnoncourt voor de Mozart-cyclus en Hartmut Haenchen voor Glucks 'Orfeo' en voor Mozarts 'Mitridate'. Verder maakten we bij De Nederlandse Opera alleen het ongelukkige debuut mee van Frans Brüggen als dirigent van Mozarts 'Idomeneo'. C'est tout.

Waar bleef Ton Koopman in het verhaal, waar de bovengenoemde Belgen die zoveel in Nederland optreden en invloed uitoefenen?

Bij al die produkties werden 'moderne' orkesten gebruikt, die gratis (zo staat in de subsidie-voorwaarden) meewerkten: Harnoncourt met het Concertgebouworkest, Haenchen met het Nederlands Kamerorkest en Brüggen met een formatie uit het Nederlands Philharmonisch.

In het laatste geval werd een kapitale fout gemaakt door Brüggen niet mèt zijn Orkest van de Achttiende Eeuw aan die 'Idomeneo' te laten werken. Gevolg: Brüggen kwam nooit meer terug. Verweer van de Opera: we hadden het geld niet om dat orkest te betalen.

Hoe zit dat voor de toekomst?

In het Beleidsplan 1997 - 2000 staat: 'Verder zal de aandacht worden verlegd van Monteverdi naar het achttiende eeuwse-repertoire, met produkties van Rameau's 'Les Boreades', 'Hyppolite et Aricie', 'Platée', Glucks 'Alceste' en opera's van Hündel.'

Interessant. Bij Rameau denk je meteen Brüggen, bij Hündel is Koopman een favoriete keus, en vlak René Jacobs niet uit. Uiteraard kan ook Hartmut Haenchen (met Nederlands Kamerorkest) een hartig woordje meespreken.

Het Beleidsplan onthult niet wie de muzikale leiding zal hebben op die speciale gebieden, of welke ensembles worden aangetrokken. Begrijpelijk is het dat zakelijk directeur mevrouw Lodder liet weten dat aan de 'gratis' orkesten (het Nederlands Kamerorkest voorop) wordt gedacht, want waar zou ze het geld vandaan moeten halen om die specialistische ensembles als Concerto Köln, Amsterdam Baroque, Orkest 18de Eeuw en noem maar op van te betalen?

De Nationale Reisopera zit ook gekoppeld aan 'gratis' orkestbegeleiding, te leveren door de regionale orkesten: per seizoen twee maal door het Orkest van het Oosten en eenmaal door het Gelders Orkest. Over begeleiding van een vierde produktie die volgens de subsidievoorwaarden moet worden gemaakt, staat niets vast. Het lijkt er op dat de Nationale Opera iets meer financiele armslag heeft (of door scherper beleid schept) om 'specialistische' orkesten te betalen.

Wil de opera-cultuur uit de periode 1600 - 1800 bij De Nederlandse Opera zowel naar de hoge standaard van het Festival Oude Muziek worden beoefend, als volgens de praktijk bij de Nationale Reisopera, en de operahuizen van Antwerpen en Brussel, dan moet daar in de subsidiebepaling rekening mee worden gehouden. Alleen dan wordt de weg geopend om de 'groten' uit de barok zoals die in ons eigen cultuurgebied opbloeiden, zowel de dirigenten als de ensembles, te binden aan het nationaal belangrijkste en internationaal geprezen gezelschap: De Nederlandse Opera. Samenwerking met het Festival Oude Muziek (met ook de Nationale Reisopera erbij) verdient zeker aanbeveling.

Dan wordt opera gemaakt vanuit het enige perspectief van waaruit opera dient te worden gemaakt, vanuit de muziek. Daar moet, ook in de barok, De Nederlandse Opera heen. En als theatercritici toch gaarne een regisseur over de bol willen aaien voor een Monteverdi- of Rameau-cyclus, uitstekend.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden