Nederlandse olie- en gasindustrie doet te weinig aan mensenrechten en milieu

De raffinaderij van Shell bij Pernis. Uit onderzoek blijkt dat olie- en gasbedrijven te weinig doen om milieuschade en mensenrechtenschendingen te voorkomen. Beeld ANP

De olie- en gassector is langs de meetlat van de Oeso gelegd. De inspanningen van de sector laten te wensen over.

Dat mensenrechten en de olie- en gassector een moeizame relatie hebben, mag geen verrassing zijn. Kijk bijvoorbeeld naar de olievervuiling in Nigeria of de aardbevingen in Groningen. De vraag is: wat doet de Nederlandse olie- en gasindustrie om problemen voor­taan te voorkomen? Of om slachtoffers van mensenrechtenschendingen te compenseren?

Te weinig, is het antwoord na een onderzoek voor het ministerie van buitenlandse zaken. Maatschappelijk verantwoord ondernemen (mvo) wordt in de Nederlandse olie- en gassector ‘gebrekkig’ uitgevoerd. Bedrijven ontplooien wel allerlei activiteiten om aan internationale richtlijnen te voldoen. “Maar de kwantiteit en de kwaliteit van de inspanningen van de sector laten te wensen over”, schreef minister Sigrid Kaag van buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking onlangs in een begeleidende brief aan de Tweede Kamer.

Geen klachtenloket

Waar met name grote bedrijven goede initiatieven ontplooien, komen die maar langzaam van de grond. Bovendien is er een groot gebrek aan transparantie. Veel bedrijven delen geen informatie over het eigen mvo-beleid. Daarnaast hebben ze vaak geen klachtenloket, waar gedupeerden zich kunnen melden voor genoegdoening. Dat zou wel moeten.

Vijf jaar geleden werd de olie- en gassector door de Nederlandse overheid aangewezen als risicosector met betrekking tot mensenrechten en milieuproblematiek. Hetzelfde gold voor veel andere sectoren, zoals textiel, natuursteen of de metaalsector. Naar aanleiding daarvan zijn een aantal convenanten afgesloten, waarin bedrijven samenwerken met de overheid, vakbonden en ngo’s om problemen op te lossen, die te groot zijn voor een bedrijf alleen.

De olie- en gassector ziet zo’n convenant niet zitten. “Het is niet zo dat we principieel tegen een convenant zijn”, zegt Erik Klooster, directeur van de Vereniging Nederlandse Petroleum Industrie (VNPI).“De vraag is welke problemen zo’n convenant concreet kan oplossen.”

Raffinaderijen en tankstations

De risico’s spelen vooral bij de olie- en gaswinning, niet bij de verwerking ervan, zegt Klooster. “De bedrijven en organisaties die daarin actief zijn, moeten er werk van maken en dat ­gebeurt ook. Als zaken beter sectoraal kunnen worden opgepakt, is een mondiale club als Ipeca daar beter geschikt voor. In Nederland zijn alleen raffinaderijen en tankstations vertegenwoordigd.” Tot de leden van VNPI behoren onder meer Shell, BP, Total en Esso.

Een voorbeeld dat in het rapport veel aandacht krijgt, is de vuile en ongezonde diesel die vanuit Nederland naar Afrika wordt geëxporteerd. Het gaat om brandstof die in Europa inmiddels verboden is, maar in Afrika nog wel een afzetmarkt vindt.

Het is een complex probleem, zegt Klooster. “Als de Nederlandse industrie deze export staakt, loopt de handel straks via bijvoorbeeld Antwerpen of Rusland of waar dan ook. Dat helpt dus niet. De enige oplossing is dat Afrikaanse landen hun normen voor diesel optrekken naar Europees ­niveau. Daar proberen we in internationaal verband druk op uit te oefenen. Dat gaat langzaam, maar het is de enige manier.”

Het rapport concludeert dat individuele bedrijven het moeilijk vinden om hun verantwoordelijkheid te nemen zolang concurrenten dat niet doen. Minister Kaag zegt dit beeld te herkennen en spoort daarom aan tot samenwerking in de sector. Ze gaat binnenkort in gesprek met branche-organisaties zoals VNPI en ­verlangt concrete verbeterplannen.

Verantwoordelijk voor elkaar

De Nederlandse overheid hanteert de richtlijnen voor bedrijven en mensenrechten van de Oeso, de club van ontwikkelde landen. Bedrijven zijn hierdoor medeverantwoordelijk voor de activiteiten van zakenpartners en voor problemen elders in de productieketen. Of het nu gaat om milieuschade, landrechten, arbeidsuitbuiting of omkoping.

Het Nationaal Contactpunt voor de Oeso-richtlijnen controleert de ­naleving en heeft dit onderzoek voor het ministerie laten uitvoeren. 81 bedrijven in Nederland die betrokken zijn bij het zoeken naar en winnen van olie en gas, of bij de bewerking, het transport en de verkoop ervan, hebben een enquête gekregen. De helft heeft die (deels) ingevuld. Daarvan zegt 54 procent mensenrechtenbeleid te geformuleerd. Namen van bedrijven worden in de resultaten niet genoemd.

Mensenrechten in Groningen

Kijkend naar het effect van de Nederlandse olie- en gasindustrie benoemt het rapport van het Nationaal Contactpunt voor de Oeso-richtlijnen ook Groningen en de aardbevingen als gevolg van de gaswinning. “De effecten van deze aardbevingen reiken ver: schade aan bezittingen, dalende huizenprijzen, zorgen over het risico van een dijkdoorbraak, gevoelens van angst en onzekerheid, gezondheidskwesties en boosheid”, staat in het rapport. Het werpt de vraag op of de Nederlandse olie- en gassector de risico’s van deze aardbevingen voldoende heeft herkend en beleid heeft ontwikkeld om voor die risico’s te compenseren. De gevolgen van de gaswinning kunnen ­gezien worden als een mensenrechtenkwestie.

Metaalsector tekent convenant

Ook de metaalsector werd in 2014 tot risicosector bestempeld. Morgen ondertekent deze sector een convenant. Bedrijven, brancheverenigingen, de overheid, vakbonden en maatschappelijke organisaties willen daarmee misstanden op het vlak van mensenrechten en ­milieu in de metaalsector terugdringen. Vanaf 2021 geldt in de EU strengere regelgeving voor het gebruik van conflictmineralen, grondstoffen uit Afrikaanse landen waar gewapende conflicten worden uitgevochten. Ook krijgt de sector te maken met de Wet zorgplicht kinderarbeid. Onder meer Tata Steel Nederland en Unicef Nederland ondertekenen het convenant. Minister Kaag van buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking en staatssecretaris Keijzer van economische zaken zijn aanwezig.

Lees ook:

Aan de olie van de Nederlandse grondstofhandelaar Vitol zit een luchtje

Het Nederlandse bedrijf Vitol opereert in relatieve stilte, maar verhandelt dagelijks enorme hoeveelheden olie. Aan die olie zit een luchtje, blijkt uit de Paradise Papers.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden