Nederlandse Nobelprijs is uitzondering op de regel

De Nobelprijs van Ben Feringa wordt gevierd als groot wetenschapssucces. Maar zo goed doet Nederland het niet.

De Nobelprijs voor de Groninger scheikundige Ben Feringa wordt door beleidsmakers en politici verwelkomd als teken dat Nederland het goed doet in de wetenschap. Ten onrechte, zegt de Groningse wetenschapshistoricus Klaas van Berkel; in het kille wetenschappelijke klimaat dat in Nederland heerst, is de onderzoeksgroep van Feringa eerder uitzondering dan regel.

Van Berkel: "Het succes van Feringa heeft een lange geschiedenis, die teruggaat naar de jaren vijftig toen de scheikundigen Jan Kommandeur en Hans Wijnberg, die naar de VS waren vertrokken, terugkeerden naar Groningen. Zij zetten een onderzoekslijn op waar de nanotechnologie van Feringa uit voortgekomen is. Feringa is bij Wijnberg gepromoveerd. En zijn onderzoeksgroep is altijd zo succesvol geweest dat hij weinig last heeft gehad van het zware weer dat de rest van de scheikundefaculteit wel moest doorstaan. Hij heeft vele subsidies binnengehaald en alle prijzen gewonnen die er op zijn vakgebied zijn. Maar hij is de uitzondering, niet de regel."

In de Nobelprijzen die de afgelopen halve eeuw in Nederland vielen, is nauwelijks regel te ontdekken, zegt Van Berkel. De voorlaatste, voor Andre Geim in 2010, viel min of meer toevallig op Nederlandse bodem. Geim is een Rus die Nederland alweer verlaten heeft, maar destijds in Nijmegen werkte vanwege het geavanceerde magnetenlab. Paul Crutzen, Nobellaureaat scheikunde, had Nederland al verlaten en werkte in Duitsland toen hij in 1995 de prijs kreeg.

Gerard 't Hooft en Martinus Veltman, die in '99 de Nobelprijs voor natuurkunde kregen, waren en bleven Nederlanders. Maar het onderzoek waarvoor ze werden gelauwerd dateerde uit de jaren zeventig, en was niet bepaald mainstream in de Nederlandse natuurkunde. Ook toen kraaiden ministers victorie, maar hun Nobelprijs zei niets over de stand van de Nederlandse wetenschap op dat moment, zegt de Amsterdamse wetenschapshistoricus Frans van Lunteren.

Tweede Gouden Eeuw

Dat was honderd jaar geleden anders, in de periode die ook wel wordt aangeduid als de Tweede Gouden Eeuw. In het eerste decennium van de twintigste eeuw vielen drie Nobelprijzen in Nederland, een voor scheikunde en twee voor natuurkunde. Die markeren een bloeiperiode in de Nederlandse natuurwetenschappen.

Van Lunteren: "Die Nobelprijswinnaars kwamen allemaal van de hbs, de middelbare school die in de jaren zestig van de negentiende eeuw was opgericht. De hbs was niet bedoeld als voorwetenschappelijke opleiding, maar had veel aandacht voor natuurwetenschappen en moderne talen. De leerlingen die met succes door het eindexamen hbs kwamen, en dat was een kleine minderheid, waren veel beter voorbereid op een wetenschappelijke carrière dan de gymnasiasten."

Daarbij kwam een sterk nationalistisch elan, zegt Van Lunteren: "Eind negentiende eeuw kreeg Nederland het idee: politiek en militair stelt deze natie dan niets voor, in kunst en wetenschap kan zij schitteren. Er werd geïnvesteerd in laboratoria en andere onderzoeksfaciliteiten. En dat leverde niet alleen die Nobelprijzen op, maar ook toponderzoek in sterrenkunde en biologie, wetenschappen waarvoor geen Nobelprijs wordt toegekend."

In de periode tussen de Eerste en Tweede Wereldoorlog valt Nederland weer terug. Klaas van Berkel: "Er is te lang doorgegaan op de successen van begin twintigste eeuw. Men heeft onderzoek voortgezet op de delen van natuur- en scheikunde die succesvol waren geweest, maar dat heeft geen prijs meer opgeleverd. Het is een cliché, maar ook hier zie je dat succes uit het verleden geen garantie is voor de toekomst. Je moet een punt zetten achter succes, soms. Of en wanneer je dat moet doen is niet te zeggen, het gaat tegen je intuïtie in, en er is geen beleid op te maken."

Feringa bewijst dat er geen peil op te trekken is, zegt Van Berkel, want die heeft juist met succes voortgebouwd op een lange onderzoekslijn. "Velen claimen nu een deel van dit succes, maar deze Nobelprijs is helemaal de verdienste van Feringa en zijn groep, niet van beleidsmakers."

Beroemd Astronoom, maar geen Nobelprijs

De bekendste Nederlandse wetenschapper die de Nobelprijs nooit kreeg is Jan Hendrik Oort (1900-1992). De in Franeker geboren sterrenkundige werd 24 keer voorgedragen, maar nooit gelauwerd. Het heeft Oort parten gespeeld dat er geen Nobelprijs is voor astronomie. En in zijn tijd wilde het Nobelcomité die wetenschap niet in aanmerking nemen voor de prijs voor natuurkunde. Dat is later wel gebeurd.

Nadeel voor Oort was ook dat hij vooral vanuit Nederland werd voorgedragen. In het diagram hiernaast is te zien dat Nederlandse nominaties weinig succesvol zijn. Omdat pas na vijftig jaar openbaar wordt wie is genomineerd door wie, lopen deze data tot 1965. In die periode hebben 163 Nederlandse nominaties geleid tot 10 Nobelprijzen. Nominaties uit de VS, Groot-Brittannië en Zweden waren veel succesvoller. Het kan nog erger. De Duitse fysicus Sommerfeld werd 84 keer voorgedragen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden