Nederlandse meesters geven Amerikaanse musea aanzien

Steeds vaker komen museale presentaties van oude Nederlandse meesters uit de Verenigde Staten. Voorbeelden zijn Vermeer in het Mauritshuis, Jan Steen in het Rijksmuseum en de Utrechtse Caravaggisten in de Londense National Gallery. Al die exposities waren door Amerikaanse specialisten samengesteld, vaak op basis van werken die zij in eigen land aantroffen. Nederlandse kunst is zeer in trek in Amerika. Dat verhaal kent een voorgeschiedenis: de populariteit dateert van minstens een eeuw geleden, toen particuliere verzamelaars de fundamenten legden voor musea die fabelachtige kunstschatten bevatten. Het is het verhaal over hoe die musea totstandkwamen, in drie afleveringen. Vandaag het slot van de reeks: Yale University Art Gallery zit op het vinkentouw om de collectie Schaefer te bemachtigen.

AMSTERDAM - Zestig miljoen gulden had het Indianapolis Museum of Art in de gelijknamige hoofdstad van de staat Indiana ervoor over om in één klap een collectie van meer dan honderd schilderijen en grafiek uit de postimpressionistische periode te verwerven. De werken, waaronder drie doeken van Paul Gauguin, de geestelijke vader van de School van Pont-Aven, waren in de loop der jaren verzameld door de Zwitserse ondernemer Samuel Josefowitz. Twintig miljoen van het bedrag wist het museum uit eigen middelen neer te leggen, het resterend bedrag kwam uit een fonds dat beschikbaar werd gesteld door een plaatselijke fabrikant van geneesmiddelen.

Een dergelijke schenking zou in Nederland het nieuws van de dag zijn, maar in de Verenigde Staten zijn zulke zaken aan de orde van de dag. Bedrijven, maar ook particulieren verbinden graag hun naam aan belangrijke schenkingen. Sommige musea laten hun potentiële weldoeners zelfs in de rij staan, omdat ze geen kans zien een nieuwe zaal naar hen te vernoemen. Wie in de aankoopcommissie van het Museum of Modern Art in New York (het Moma) wil zitting nemen, moet zich voor een bedrag van vele duizenden guldens inkopen. Het is dan ook een voorrecht om het prestigieuze museum te mogen adviseren, want dat doen de commissieleden; aankoopbevoegdheid hebben ze niet.

Anderzijds zoeken musea op hun beurt naar verzamelaars, die een hint krijgen om hun collecties bij hen onder te brengen. Sommige musea gaan daar zo ver in, dat ze verzamelaars uitnodigen om hun collecties tentoon te stellen, in de hoop dat dat tot een schenking zal leiden. Een voorbeeld daarvan is de Yale University Art Gallery in New Haven, Connecticut. Dit museum, dat aan de wereldberoemde universiteit is verbonden, bezit een bijzonder mooie verzameling oude meesters. De nadruk ligt op de Nederlandse 16de en 17de eeuw met namen als Jeroen Bosch, Joos van Cleve, Jacques de Gheyn en Pieter Paul Rubens. Yale heeft ook een Vincent van Gogh, een van de twee nachtcafés die hij in zijn Franse periode maakte. Anders dan de versie in Baltimore is die in New Haven van magere kwaliteit, door Van Gogh zelf omschreven als 'het lelijkste schilderij dat ik ooit heb gemaakt'. Hoogtepunt in het museum zijn twee portretten van Frans Hals die elkanders pendant zijn. Aan weerszijden van een deur hangt links de heer Bodolphe, rechts zijn echtgenote, beiden vereeuwigd in 1643.

Het Yale Museum kan nog aantrekkelijker worden als het erin slaagt om een collectie van twee particulieren te verwerven, het echtpaar Herbert en Monika Schaefer. Sinds 1991 biedt het museum onderdak aan deze verzameling en dit jaar verscheen een keurige catalogus. De Schaefers zijn dol op vroege Nederlandse meesters, ze laten zich op dit punt onder meer adviseren door de Hagenaar Hans Cramer, die als een van de weinige Nederlandse kunsthandelaren werkelijke topstukken weet te vinden. Cramer bemiddelde in de aankoop van een portret van Isabela la Católica door de Vlaamse primitief Michel Sittow (1468-1525/6), die de Schaefers als een van hun onbetwiste toppers beschouwen. Maar in hun collectie zitten ook zulke aansprekende namen als Bernart van Orley, Meindert Hobbema, Jan Brueghel de jonge, en Quinten Massys. Toen de verzameling dit jaar in de Art Gallery van de universiteit werd getoond, kreeg ze de naam 'Heiligen, zondaren en landschap', wat precies de drie thema's zijn waaronder het bezit van de Schaefers verenigd kan worden.

De voorkeur voor Nederlandse kunst strekt zich uit van de late middeleeuwen tot de Haagse School. In menig museum kun je zowel een Vlaamse primitief, als een Rembrandt, een Vincent van Gogh, of een Lawrence Alma-Tadema tegenkomen. Rembrandt en Van Gogh zijn van alle Nederlandse meesters het meest gezocht. Niet de gelden, wat in Amerikaanse musea nooit het grootste probleem is, maar de beschikbaarheid speelt een rol om er een te krijgen. Een fameuze concurrent voor elk Amerikaans museum is het Getty Centre, dat tegenwoordig in een nieuw optrekje in Los Angeles zit.

Het Getty is niet zo zeer speciaal in Nederlandse schilderkunst geïnteresseerd, het zoekt zijn heil uitsluitend in echte, onvervalste toppers, en daar horen nu eenmaal Nederlanders bij.

Amerikaanse musea zijn grofweg in drie categorieën te verdelen. De kleinste groep betreft die musea die het predikaat national mogen dragen. De National Gallery in Washington is het meest aansprekende rijksmuseum in de VS, een van de meest gerespecteerde ook, maar zeker niet het oudste. De National Gallery, die net als elk ander museum in Amerika een groot aantal particuliere schenkingen omvat, dateert uit de Tweede Wereldoorlog. Dat is het gebouw niet aan te zien: de oudbouw (tegenwoordig is er een nieuwe vleugel die met een ondergrondse doorgang is verbonden) is in dezelfde historiserende stijl gebouwd als bijvoorbeeld het Wadsworth Atheneum in Hartford (Connecticut), waar tegenwoordig Peter Sutton, auteur van een veelgeraadpleegde gids over Nederlandse kunst in Amerikaanse musea, directeur is. Er zijn natuurlijk ook moderne uitzonderingen: de al eerder genoemde Yale University Art Gallery hangt zijn Nederlandse meesters in een niet onaardig museumgebouw van Louis Kahn. Maar bijzondere architectuur is nooit een reden voor een museum om zich te onderscheiden. Een enkel museum trekt een architect aan die bekend is geworden om zijn vooruitstrevende ideeën (Frank Lloyd Wright die het Guggenheim in New York bouwde, Frank O. Gehry die Toledo en Buffalo ontwierp, Richard Meier die het High Art Museum in Atlanta en het Getty in Los Angeles bouwde, Marcel Breuer die een vleugel aan het Cleveland Museum of Art ontwierp), maar dat zijn uitzonderingen.

De tweede categorie musea, die omvangrijker dan de groep rijksmusea is, heeft haar wortels in een universitaire collectie. Ze staan ook vrijwel altijd op de campus van de universiteit die hun de financiële middelen verschaft om te bestaan. Bloomington, Oberlin, Vassar in Poughkeepsie (NY), de al eerder genoemde Yale Art Gallery, maar ook het Fogg in Cambridge bij Boston en het College Museum of Art in Williamstown (MA) zijn er voorbeelden van. In al deze musea hangen doorgaans smaakvolle, maar niet grote verzamelingen Nederlandse meesters.

Aan universiteiten gelieerde musea willen graag een zo compleet mogelijk overzicht van de kunstgeschiedenis geven, zodat er zowel Egyptische mummies, Japans porselein als Noord-Europese barok (de verzamelnaam waaronder in Amerikaanse musea Nederlandse Gouden Eeuw wordt geëxposeerd) is te zien. Omdat er meestal wel geld is om het museum open te houden maar niet om aankopen te doen, wordt een beroep op oud-studenten gedaan om hun bezit af te staan. Vele schilderijen in deze musea vermelden als schenker de naam van een student met de toevoeging 'Class of 1910' of een soortgelijk jaartal.

Dit soort musea kan door het streven naar compleetheid een hutspot aan allerlei niet al te belangrijke werken in huis hebben. De Italianisanten hangen altijd bij elkaar: met een Jan Both, een Nicolaes Berchem en een Jan Wynants kun je mooi het verhaal vertellen van de invloed van de Italiaanse kunst op schilderkunst uit meer noordelijke dreven. Hangt er een Rembrandt, dan krijgt die meestal met een uitvoerige tekst aandacht; Rembrandt is een naam die Amerikanen met ontzag vervult. Namen, verwijzingen en toeschrijvingen komen tegenwoordig met grote nauwgezetheid tot stand. Musea doen op dat punt niet voor elkaar onder. Het leidt soms tot unieke situaties, waarin de hele correspondentie over een bepaald werk boven water komt. Zo doet het Berkshire Museum in Pittsfield (Massachusetts) uitgebreid verslag over hoe het zijn schilderijen benoemt. Een familieportret uit 1650 kwam het museum binnen op naam van de Haarlemse portrettist Jan Cornelisz. Verspronck. Nadat het doek onder ogen was gekomen van Derk Snoep, de directeur van het Frans Halsmuseum in Haarlem, die een Verspronck-expositie in voorbereiding had, zou het voortaan worden toegeschreven aan Jan Albert Rootius (1624-1666), een kleine meester uit Hoorn 'en zeker geen lid van de Haarlemse School'. Het schilderij was een geschenk (uit 1914) van een zekere Zenas Crane, die het museum ook een burgemeestersportret van Thomas de Keyser gaf. Maar wat bleek? Crane had zich knollen voor citroenen laten verkopen: toen het schilderij grondig werd schoongemaakt, doken twee handtekeningen op van de schilder Franz Kessler. Geen welbekende en dure Nederlander, maar een onbekende Duitse meester, die leefde van 1580 tot 1660.

Veruit de meeste musea behoren tot de derde categorie. Dat zijn musea die niet de steun van de overheid of een universiteit hebben, maar draaien op fondsen die door particulieren, bedrijven of charitatieve instellingen beschikbaar worden gesteld. De directeuren van dit soort musea hebben een dagtaak aan het verwerven van fondsen en/of collecties, de meesten komen niet meer toe aan een artistiek beleid. Hun musea zijn meestal vernoemd naar de plaats waar ze een prominente rol in het culturele leven spelen (Detroit, Worcester, Cincinnati, Cleveland) of naar degene met wiens collectie c.q. geld het museum is opgericht (Carnegie in Pittsburgh, Taft in Cincinnati, J.B. Speed in Louisville). In al die musea hangen zonder uitzondering Nederlandse meesters. Een Amerikaans museum moet al vergaand gespecialiseerd zijn, wil het niet minstens één Nederlandse meester hebben.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden