'Nederlands is niet echt een zangtaal'

Honderden populaire liedjes heeft zanger/gitarist Eddy Christiani op zijn naam staan, opgenomen op kwetsbare 78-toerenplaten. Negenenvijftig van die oude successen zijn nu duurzaam vastgelegd op drie cd's. Gisteren kreeg de 80-jarige Christiani die aangeboden.

Toppers als 'Ouwe Taaie', 'Spring maar achterop', 'Zonnig Madeira' en 'Greetje uit de polder' klinken velen nog vertrouwd in de oren. Een groot aantal van de achthonderd op 78-toerenplaten vastgelegde liedjes is in de loop van de jaren echter verdwenen.

“Zelf heb ik nog zo'n honderdtwintig 78-toerenplaten. De rest is gebroken, het was kwetsbaar materiaal. Bij de omroepen hebben ze ook lang niet alles meer”, vertelt Eddy Christiani (anders dan wat velen denken is dit zijn echte naam). Als vitale 80-jarige - in april hoopt hij 81 te worden - trekt Christiani nog steeds door het land. Een paar keer per week treedt hij live op in bejaardencentra voor wat hij noemt 'de jeugd van vroeger'.

Muziek speelde al jong een rol in zijn leven. “Ik ben enig kind. Mijn vader, die in de pianohandel zat, overleed toen ik twee was. Mijn moeder kreeg het in die crisisjaren financieel heel moeilijk. Zij was modiste en ontwierp kleding en hoeden voor particulieren en enkele zaken in Den Haag. Maar ik heb haar nooit horen klagen. Zij had stijl en wist onze armoede aardig te verbergen.”

“Ik was vaak haar paspop. Ze drapeerde dan papier om me heen en knipte dat vervolgens op de juiste lengte. We verhuisden regelmatig tussen Den Haag en Amsterdam. Dat was financieel aantrekkelijk. Als je verhuisde, werd alles opnieuw behangen en hoefde je de eerste maand geen huur te betalen.”

“Een buurman bracht mij muzikale interesse bij. Hij had een pianola met als topper 'Dichter und Bauer'. Dat hoorde ik dagelijks. Na verloop van tijd kon ik die ouverture van voren naar achteren en van achteren naar voren fluiten.”

“Als ik met mijn moeder een dagje naar het strand in Schevingen ging, taalde ik niet naar het water. Het draaide bij mij om het orkestje op de Pier. Ik probeerde daar zo dicht mogelijk in de buurt te komen en lag dan op mijn buik op het strand te luisteren. Zingen was toen nog ondergeschikt. Op school in Den Haag mocht ik tijdens de zanglessen zelfs niet meezingen, omdat ik niet goed maat kon houden.”

“Toen ik veertien was, verhuisden we definitief naar Amsterdam. Daar woonde ook oom Matthieu, die opzichter was bij de Amsterdamse Sintelbaan. Rond mijn verjaardag stuurde moeder mij steevast naar hem toe om mijn traditionele geschenk, een paar gulden, op te halen. Ze rekende al helemaal op dat financiële extraatje. Maar toen ik veertien werd, had oom Matthieu een andere verrassing: hij deed me de gitaar cadeau die bij hem aan de muur hing. Ik had er wel eens met een scheef oog naar gekeken.”

“Een gitaar was in die tijd een vrij onbekend instrument. Ik heb me er zelf op leren spelen. Elke snaar die ik omhoog probeerde te draaien brak, omdat ik de juiste hoogte niet wist. De a-snaar hield het en die stemde ik op de bim-bamklok van mijn moeder. Vanaf dat moment zat ik meer met mijn gitaar op schoot dan met mijn huiswerk. Met toestemming van mijn moeder heb ik de mulo verlaten. Toen ik aan mijn onderwijzer vertelde dat ik gitarist werd, greep hij naar zijn hoofd en sprak de historische woorden: 'Wat is dat nu weer voor een politieke partij?' ”

Via optredens in horecabedrijven kreeg Eddy snel bekendheid, niet alleen als gitarist, maar ook als zanger. Dat laatste was uit nood geboren, omdat je als gitarist in een tijd zonder versterkers snel ondersneeuwde. John de Mol sr., de grootvader van Linda, had een orkestje waarin Eddy de elektrische gitaarpartijen voor zijn rekening nam.

Al gauw schreef Christiani ook eigen teksten en composities. In 1938 trad hij al op voor de Avro- radio. Christiani raakte vooral geboeid door Engelse dansmuziek. Hij waardeert het Engels nog steeds, hoewel hij zelf hoofdzakelijk Nederlandse teksten bleef zingen. De stampei die nu wordt gemaakt over het feit dat Nederland met een Engelstalig liedje meedoet aan een internationaal evenement als het Songfestival, vindt hij nogal overdreven. “Het Nederlands is niet per definitie een zangtaal, in tegenstelling tot de mooie klanken van het Italiaans en de korte klanken van het Engels. Het Nederlands is voor buitenlanders onverstaanbaar - en als je de tekst van een liedje niet verstaat, wat heb je er dan aan?”.

De huidige gewoonte om bij een optreden te playbacken (mee te mimen met een van tevoren opgenomen band) vindt Christiani maar niets. “We stevenen af op een periode waarin een zanger tegen zijn buurman zegt: 'Zou jij vandaag mijn beurt over willen nemen, want ik moet mijn kamer behangen'. Er zijn langzamerhand meer zangers dan behangers. We hebben op het ogenblik in Nederland tweehonderd popgroepen. Vermenigvuldig dat aantal met vier en je kunt de alarmerende berichten begrijpen dat er geen vakmensen meer zijn te krijgen.”

“Zingen en musiceren bij een bandje is geen vooruitgang. Iemand die drie akkoorden kan hakkelen op een gitaar, wordt al gepresenteerd als iemand die bovenaan staat in de Nederlandse hitparade. Men accepteert in vele opzichten het maskeren van een tikkeltje onvermogen, een niet beheersen van instrument en stem. Ik ben geen verzuurde ouwe man, maar ik constateer slechts dat de generatie van nu veel selectiever zou moeten zijn.”

Veel van zijn creaties brachten Christiani roem. 'Zonnig Madeira' leverde hem zelfs het ereburgerschap van dat eiland op. Zijn 'Ouwe taaie' noemt hij op het Wilhelmus na het bekendste Nederlandse strijdlied.

Christiani ziet het als een opdracht zijn kennis door te geven. “Aankomende gitaristen houd ik voor dat er muzikaal gezien veel meer mogelijkheden zijn om een gitaar te bespelen dan de steeds weer terugkerende, elkaar na-apende loopjes en akkoordjes die duizenden anderen ook laten horen. Als je zo met dat instrument omgaat, begrijp je mijn slagzin: Wie aan de gitaar zijn gunst kan geven, die heeft een vrind voor heel zijn leven!”

Nieuwe liedjes schrijft Christiani nauwelijks meer. “Mijn laatste werkstuk, 'De engel op mijn schouder', dateert van een jaar of drie geleden. De achtergrond daarvan is dat ieder mens een beschermengel heeft. Ik werd daar in mijn jeugd al op geattendeerd. Dat engeltje is mij altijd trouw gebleven, in tegenstelling tot velen die zich vrienden van mij noemden. Maar roem en bekendheid, heeft Wim Kan eens gezegd, is als een grote feesttaart waarvan iedereen mee-eet. Maar als de taart op is, verlaat iedereen het pand!”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden