NEDERLANDS ARCHITECTUURINSTITUUT IN ROTTERDAM OPENT ZIJN DEUREN De Venus van Milo van architect Jo Coenen

Het Nederlands Architectuurinstituut (NAi) wordt morgen officieel geopend. Vanaf zaterdag 30 oktober zijn de vier openingsexposities open voor publiek. De centrale tentoonstelling 'Stijl - norm en handschrift in de Nederlandse architectuur' geeft een (nieuw) overzicht van de Nederlandse architectuurgeschiedenis vanaf de 18de eeuw. Daarnaast zijn er drie kleinere tentoonstellingen: een met ontwerpschetsen van Jo Coenen voor het NAi, een over de Newyorkse architect John Hejduk en een van het Nederlands Foto Instituut met architectuurfoto's van vijf Nederlandse fotografen. Openingstijden tentoonstellingen: dinsdag t/m zaterdag 10-17u, zondag 11-17u. Openingstijden bibliotheek: dinsdag t/m vrijdag 10-17u.

Redenen voor trots heeft het NAi voldoende. Drie instellingen op het gebied van architectuur, die eerst over het land verspreid waren, zijn hier samengebracht in een complex naar ontwerp van een van Nederlands meest vooraanstaande architecten. Het NAi van Jo Coenen is een collage van vier onderling verbonden gebouwdelen, ieder met een eigen karakter en materiaalgebruik, ingepast in de Rotterdamse binnenstad.

Het gebogen deel (in de wandelgang 'de banaan' of 'de trein' genoemd) biedt een verantwoorde opslag voor het gigantische architectuurarchief, dat in de afgelopen vier jaar inmiddels zodanig is geinventariseerd, dat het voor onderzoek toegankelijk is. Er zijn modellen, maquettes en ontwerpschetsen van Cuypers en Berlage tot Rietveld en Oud, en dagelijks komen er schenkingen bij.

Daarnaast ligt een vierkante, gesloten doos van donkere baksteen ('een geheimzinnig kistje', volgens Coenen) met als inhoud 1900 m2 tentoonstellingsruimte: een grote, hoge zaal met twee galerijen en daklichten, die een prachtig helder licht verspreiden. Net als de in de theaterwereld zo geliefde black box kan deze zaal op eindeloos veel manieren worden 'bespeeld'; de ononderbroken ruimte biedt vele malen meer mogelijkheden dan de grote zaal van de Rotterdamse Kunsthal, waar vier zuilen de mogelijkheden sterk beperken, of het architectuurmuseum van Frankfurt dat een aaneenschakeling van kleinere ruimten is.

Toverdoos

Het NAi heeft een hoofdgebouw van glas, dat als een toverdoos in een staalskelet hangt. Het is een voortzetting van de Hollandse staalen-glas-bouwtraditie uit de jaren twintig en dertig, maar dan met de mogelijkheden van de hedendaagse bouwtechniek. Nog niet zo mooi als het Haagse congresgebouw van J.J.P. Oud (1956-'69), maar dan toch een waardige opvolger.

Een dergelijke manier van verwerken van de architectuurgeschiedenis binnen een collage van bouwvormen is typerend voor het werk van Coenen; hij is een postmodern architect in de oorspronkelijke, ruime zin van het woord en put vrij uit alles wat de architectuur te bieden heeftaan ruimtes, sferen en oplossingen, zonder letterlijk historische vormen te herhalen.

De gevels van het NAi-hoofdgebouw zijn mooi transparant door het gebruik van doorzichtig glas. Bovenaan liggen twee kantoorverdiepingen. Beide etages hebben een schitterend uitzicht over de stad. De directiekamer van Duivesteijn ligt aan de kop van hoogste verdieping, die als een groot, glazen oog over Rotterdam uitziet. Voor bezoekers is het panorama bijna even fraai vanuit de studiezaal met de bibliotheek, die een etage lager ligt. Door het gebruik van glas fungeert de transparantie ook vice versa: vanaf de straat zijn zowel de activiteiten in de kantoorverdiepingen als die in de directeurskamer te volgen.

Coenens ontwerp is meer dan een gebouw alleen. Het geeft vorm aan een voorheen uiterst rommelig stukje centraal Rotterdam waar rust, drukte, hoogbouw, villa's en woningen in een ongedefinieerd gat bij elkaar kwamen. Juist de stedebouwkundige kwaliteiten van zijn ontwerp vormden de reden dat het bestuur in '89 zijn ontwerp boven dat van Rem Koolhaas verkoos; een keuze voor integratie in de stad in plaats van voor een zelfstandig object. NAi-directeur Duivesteijn was indertijd uitgesproken voor Coenens ontwerp. “Het was een statement tegen de trend van volledig op zichzelf staande architectuur om voor Coenen en inbedding in de omgeving te kiezen.”

Nu de bouwhekken zijn opgeruimd, de vijver gevuld is en de wegen rondom gebruikt kunnen worden, blijkt het effect van het NAi op de stad pas duidelijk. Voor een deel komt dat door het gebruikte materiaal; de donkere baksteen van het tentoonstellingsgebouw sluit bijvoorbeeld aan bij die van het Unilever-gebouw van H.F. Mertens (1930-'31) op de aangrenzende kruising van de Rochussenstraat, al is het niet precies dezelfde steen. Andersoortige connecties leggen de vormen en de richtingen van het gebouw. Het archiefgebouw volgt de kromming van de Rochussenstraat, het hoofdgebouw pakt de richting van het park op en het plintgebouw (met de entree en openbare voorzieningen als het restaurant, de gehoorzaal en de foyer) ligt iets verdraaid ten opzichte van het hoofdgebouw erboven, haaks op het archiefgebouw en richting Boymans.

Tot zover is het allemaal prachtig. Maar aan het huidige NAi ontbreekt het een en ander, zeker wanneer je het vergelijkt met het oorspronkelijke ontwerp. De inpassing in de omgeving was in het eerste plan beter, maar is helaas niet volledig gerealiseerd. Het archiefgebouw langs de Rochussenstraat had een halve meter lager moeten liggen, zodat de traptreden naar de wandel-arcade langs de straat als bordes hadden kunnen fungeren. Nu dienen ze eerder als voetstuk of podium en lijkt het alsof dit de achterkant van het NAi is, terwijl het gebouw aan alle kanten even belangrijk moest zijn. Oorzaak: een afvoerpijp die niet mocht worden verlegd.

Het NAi oogt nu nogal besloten en werd al bestempeld als tempel voor architectuur, iets wat Duivesteijn en Coenen nu juist niet beoogden. Gezien vanaf het museumpark ligt het letterlijk op een eilandje, spiegelend in de vijver ervoor. Deze was bedoeld als de aansluiting op het park, maar omdat de gemeente dit deel van de straat onder geen beding autovrij wilde maken, ligt het instituut nu meer op zichzelf.

Ook het idee van een route architecturale, een parcours naar en door het gebouw met onderweg diverse architectuurervaringen, komt hierdoor minder goed tot zijn recht: ook daarvoor had het gebouw niet aan een verkeersweg moeten liggen, maar in het park.

Daarbij springt de naaktheid van het gebouw in het oog. 'Mooi naakt' was de bedoeling, maar dat is niet overal even goed gelukt. In de foyer is de zichtbare draagconstructie fraai, zoals bij de glazen concertzaal in de Beurs van Berlage. De golvende balie van de Tsjechische ontwerper Borek Sipek is leuk als contrast, maar was als verfraaiing niet eens echt nodig geweest. In de tentoonstellingsruimte is de combinatie van het beton, de verhoudingen en de lichtval ruim voldoende om dit een mooie ruimte te laten zijn. Maar dat het trappenhuis en de hellingbaan naar de tentoonstellingszaal niet afgewerkt zijn, is ronduit lelijk.

Pergola

Buiten straalt vooral de staalconstructie van het glazen hoofdgebouw het woord 'bezuiniging' uit. Niet af, lijkt dit karkas te schreeuwen. De verhoudingen zijn volledig zoek. De pergola bovenaan is zo iel, dat het een zielig gezicht is. De staande pilaren aan de buitenkant staan te dicht op de glaswanden, waardoor het effect van vrij hangen minimaal blijft. Het moet een harde dobber zijn voor Coenen, de architect van schoonheid en harmonie, 'een echte Limburger' volgens collega's. Inderdaad blijkt het dak nog niet af, maar of de als luifel bedoelde rand er ooit komt, is op dit moment nog de vraag.

“Normaal gesproken had ik dit bezuinigen op details niet gedaan,” zegt Coenen. “In dit geval wilde ik het bouwproces niet onmogelijk maken. Voordat de bouw begon was er meerdere malen sprake van dat het hele architectuurinstituut niet zou doorgaan. Daarom probeerde ik loyaal te blijven en, soms op het vervelende af, te blijven zoeken naar andere oplossingen, ook wanneer ik er al dertien getekend had.”

Toch heeft Duivesteijn gelijk wanneer hij stelt dat op geld juist niet bezuinigd is. Er is juist veel geld bij gekomen. Het NAi wist het budget van 22,5 miljoen gulden, dat de ministeries van VROM en VWC in 1988 ter beschikking hadden gesteld te verruimen tot 37 miljoen, plus veel sponsoring in natura te bedingen. In zekere zin was de vertraging in de bouw een voordeel, het leverde tijd op voor fondsenwerving. Toch vormde de begroting de belangrijkste bottleneck; vanaf het begin was duidelijk dat deze veel te krap was berekend om Coenens hele ontwerp te realiseren. Met als gevolg dat de architectuur moest worden uitgekleed.

“Het leuke van Jo is dat hij ongelooflijk hoog inzet, op het onbereikbare. Daar kom je dan bijna maar niet helemaal,” stelt Duivesteijn positief. “Er is geen geld voor en toch ben je er mee bezig om het voor elkaar te krijgen.” Maar de architectuur van Coenen is niet zomaar te versoberen en dat is te zien, zeker wanneer er vergelijkingsmateriaal voorhanden is, zoals in dit geval. In dezelfde periode dat hij de nieuwbouw voor het NAi ontwierp, maakte Coenen een ontwerp voor een bedrijfscomplex in Tilburg voor de firma J.C.J. Haans. Ook dit is een complex dat uit verschillende bouwvolumes bestaat waarvan er een, een transparante, glazen doos met een zware dakrand, in een vijver ligt. Dit ontwerp werd wel gerealiseerd zoals de bedoeling was. Per vierkante meter kostte Haans' bedrijfsgebouw vier keer zoveel als het NAi, maar daarmee klopt het dan ook tot in de details. Haans wilde een volledig ontwerp van Jo Coenen en was bereid daar de financiele consequenties van te dragen.

“Haans vindt dat onze tijd deze aandacht voor de omgeving weer nodig heeft, een soort denken dat verloren is gegaan,” zegt Coenen. De architectuurprijs Midden-Brabant die hij voor het gebouw ontving, gaf hij aan Haans door; voor het resultaat is de opdrachtgever tenslotte net zo verantwoordelijk als de architect.

Dat kan de overheid in haar zak steken. Toch heeft Duivesteijn gelijk wanneer hij stelt dat het juist fantastisch is wat in Rotterdam is gerealiseerd. Het NAi is een monument van bezuiniging, maar ook in positieve zin: voor wat heel veel moeite en inzet vermag. Bovendien kan een en ander alsnog worden toegevoegd, als iemand daar - net als Haans - het geld voor over heeft.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden