Column

Nederlanders oprotten, lees ik op de spandoeken

Rob Schouten Beeld Maartje Geels
Rob SchoutenBeeld Maartje Geels

Als kleuter was ik een racist. Er liepen weliswaar nog niet zoveel verschillende rassen in mijn wereld rond als tegenwoordig maar ik wist ook in de witte wereld waarin ik opgroeide allerlei verschillen op te merken en onderscheid te maken.

Zo zat er een jongetje met een vale en ongewassen trui in mijn klas en een meisje in de klas van mijn zusje kon niet met een schoolreisje mee omdat haar ouders geen geld hadden. Beiden bevielen mij niet helemaal. Bovendien had je aan de overkant van de Leidsevaart huisjes waar enge kinderen en volwassenen woonden die tot veel kwaad in staat waren.

In het boek 'Amerika in termijnen' van Abram de Swaan uit 1968 lees ik over 'rassenwaan': 'Het doordeweekse racisme heeft geen organisatie nodig, niet eens een rassentheorie, zelfs nauwelijks racisten. Het is allemaal een kwestie van stijl, van gevoel voor verhoudingen, van etiquette.' Zo'n soort racist was ik in mijn vroege jeugd.

Bonaire

Zestig jaar later rij ik rond op Bonaire, waar diezelfde zus in het ziekenhuis werkt. Ik bezoek de zoutpannen met de slavenhuisjes. Slavernij is een vorm van cultuuroverdracht, zegt iemand in de roman 'Machten der duisternis' van Anthony Burgess cynisch (ik heb nu eenmaal een goede opleiding genoten en mijn hoofd zit vol citaten!).

De huisjes voor de slaven der zoutwinning zijn piepklein, ongeveer ter grootte van een tent, maar ze zien er niet misdadig uit, je had in elk geval een dak boven je hoofd. Ik vraag me af of het een- of meerpersoonshutjes waren.

Hoe erg was de slavernij op Bonaire? Geen idee, ik kom uit Nederland, niemand uit mijn voorgeslacht heeft mij uit eigen ervaring ooit iets zinnigs over slavernij verteld, ik heb alles wat ik weet uit boeken, uit de krant en van de televisie. Als ik naar de andere kant van het eiland rijd in mijn huurauto raak ik de weg kwijt en verzeil in een rijkeluisbuurt. Sinds Bonaire een Nederlandse gemeente is, zijn er talloze Nederlanders bijgekomen die voor een relatief lage prijs een pompeus huis hebben gekocht of neergezet.

De Bonairianen zien het met scheve ogen aan. Ik ontwaar spandoeken en borden: 'Minder Makambas', 'Makambas oprotten!'. Makambas zijn Nederlanders. Ich bin ein Makamba. Maar trots ben ik er niet op al weet ik ook niet precies wat ik ermee aan moet met mijn vrijblijvende toeristentochtjes op het eiland en mijn fotografische belangstelling voor exotische slavenhutjes.

Mijn zus en zwager vertellen me dat de arme Bonairianen er niet best aan toe zijn; ik vang een glimp van ze op in het kustplaatsje Cai waar ik op zoek ben naar de decoratieve karkoschelpen die daar op enorme bergen liggen omdat vissers ze weggooien na het vlees eruit te hebben gehaald. De enorme schelp blijkt op de derde plaats in de topvijf van foute souvenirs te staan en wordt er bij de douane weer uitgehaald. Mag alleen als je speciaal toestemming hebt gevraagd.

Van domme racist tot domme toerist. Er valt voor een onnozele boekenwurm nog veel te leren over de wereld her en der, zelfs in eigen land.

Lees hier alle columns van Rob Schouten

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden