Nederlanders hebben geen steen in de buik

Nederland heeft prachtige architectuur, maar weinig excentrieke particuliere bouwers. De geschiedenis leert dat architecten en opdrachtgevers een beetje bang zijn voor elkaar.

Helene Kröller-Müller had 'lust tot achterlaten'. De echtgenote van de vermogende zakenman Anton Kröller probeerde haar leven betekenis te geven met kunst. Ze kocht een uitzonderlijke collectie bij elkaar en zocht architecten van naam aan voor het ontwerpen voor onderkomens voor haar werken en voor haarzelf.

Ludwig Mies van der Rohe maakte een maquette voor een gigantisch landhuis. Later bouwde hij van hout en linnen een model van een villa (schaal 1:1, op ware grootte dus). Vooraf had ze de jonge architect bestookt met wensen en aanwijzingen en daarna als een zoon in huis genomen. Kröller-Müller vond hem wat besluiteloos. Waarschijnlijk werkte haar aandacht verstikkend op zijn creativiteit. Mies van der Rohes ontwerpen werden nooit uitgevoerd.

Hendrik Berlage verbond zich niet veel later voor veertienduizend gulden per jaar voor een decennium aan de Kröllers. De met hem bevriende beeldend kunstenaar Richard Roland Holst verklaarde hem voor gek. Helene was volgens hem het prototype van de "aanstellerige, kunstminnende, vermogende dame".

Voor zijn opdrachtgevers leverde Berlage het in 1920 voltooide Jachtslot Sint-Hubertus af, een totaalkunstwerk ontworpen door de architect, maar dan wel in intensieve samenspraak met mevrouw. Van een museum kwam het ondanks veel tekenwerk niet. De verhouding tussen Berlage en Kröller-Müller werd steeds slechter. Zij hield er een duidelijke opvatting over de verhouding mecenas-kunstenaar op na (wie betaalt, bepaalt) en schroomde niet zich op te stellen als co-architecte. In die hoedanigheid overlaadde ze Berlage met aanwijzingen en opdrachten. Ondertussen beklaagde ze zich erover dat er zo weinig uit zijn handen kwam: "Het is godsgeklaagd, dat menschen die iets kunnen scheppen zoo traag soms zijn, wat tot stand te brengen." Geen wonder dat Berlage zijn tijd bij de Kröller-Müllers niet uitdiende.

Andersom komt het ook voor dat architecten zich weinig gelegen laten liggen aan hun opdrachtgever. Meubelontwerper en kunstverzamelaar Martin Visser liet Gerrit Rietveld een bungalow ontwerpen voor een bosperceel in Bergeijk. De architect hield nauwelijks rekening met de hobby van zijn tijdelijke broodheer. Het in 1956 opgeleverde huis had bijna geen muren om schilderijen op te hangen. Visser liet het euvel twaalf jaar later verhelpen toen hij een andere gerenommeerde architect, Aldo van Eyck, inhuurde voor een uitbreiding van zijn bungalow. Voortaan kon hij wel delen van zijn collectie kwijt.

Rietveld opereerde niet altijd zo eigengereid. De samenwerking met opdrachtgeefster Truus Schröder-Schräder bleef niet zonder discussie, maar was alles overziend toch tamelijk eendrachtig. Tussen de esthetische opvattingen van de ontwerper (onder meer voortbordurend op De Stijl) en de woonwensen van de weduwe (leven in plaats van geleefd worden) ontstond een zekere balans. Het resultaat, het in 1924 opgeleverde Rietveld Schröderhuis, is zonder twijfel het beroemdste voorbeeld van particulier opdrachtgeverschap in Nederland (de woning heeft onder meer een plek op de werelderfgoedlijst van Unesco). Rietveld hield kantoor op de benedenverdieping van het huis en ging na de dood van zijn echtgenote zelfs wonen in het huis van mevrouw Schröder-Schräder.

Nederland heeft geen grote traditie van buitenissig bouwen voor particulieren. De welgestelden van het Amsterdam van de Gouden Eeuw hadden er de middelen voor, maar hun huizen in de grachtengordel stonden op standaardpercelen en kregen al gauw min of meer een standaardvorm - een vinexwijk avant la lettre. Wie zich met zijn huis wilde onderscheiden kon dat hooguit doen met detaillering of bijzonderheden achter de voordeur.

Ook later lagen de vormen voor een belangrijk deel vast. Het heren- of stadshuis kende ruwweg twee types: het ene had een middengang met zijkamers, het andere de gang, de trap en de keuken aan een kant en de kamer en suite aan de andere kant.

Architectonische eigenzinnigheid kreeg eind 19de, begin 20ste eeuw een kans door de aanleg van villaparken en nog meer door de trek naar plekken buiten de stad zoals Het Gooi. De woningen die daar werden neergezet - vaak met Britse landhuizen als voorbeeld - zagen er rustieker, vriendelijker en persoonlijker uit. Plattegronden kregen een asymmetrische vorm. Ontwerpen en bewoners ontwikkelden oog voor harmonie met het omliggende landschap. Maar de blik bleef nog altijd sterk naar binnen gericht: huiselijkheid gold als het hoogst bereikbare.

In de loop van de 20ste eeuw kwam er meer aandacht voor licht, transparantie en ruimte. Opdrachtgevers durfden moderniteit aan. Ontwerpers veroorloofden zich meer en meer eigenheid. Het duo Brinkman en Van der Vlugt (ook verantwoordelijk voor de Van Nellefabriek) zette in de jaren dertig in Rotterdam en omgeving een aantal huizen neer die in alles de Nieuwe Zakelijkheid uitstraalden: dit waren woningen die oogden als kantoren. Een van die woningen, Huis Sonneveld, is nu onderdeel van het Nederlands Architectuur Instituut. Brinkman en Van der Vlugt ontwierpen ook het voor 1933 hypermoderne interieur van de woning met Gispenmeubelen en een keuken van Piet Zwart. De familie Sonneveld hoefde niets mee te verhuizen.

Architecten speelden ook met de indeling: Ernest Groosman liet een fabrikant en zijn familie op de begane grond slapen, omdat een woonkamer op de eerste verdieping een veel mooier uitzicht op de omgeving zou bieden.

Ontwerpers konden en kunnen lang niet altijd hun gedroomde gebaren maken. Ruimte is een probleem in Nederland. Kavels, zelfs die voor woningen in de vrije sector, hebben vaak een postzegelformaat. Maar een beperkt aantal vierkante meters kan een architect ook aanzetten tot onconventionele oplossingen.

Veel opdrachtgevers hebben echter een conservatieve smaak. Nederland is het land van 'doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg'. Vrije-sectorwoningen zijn vaak gemodelleerd naar voorbeelden elders, hooguit een lichte variatie op een bestaand thema. Nederlanders lijken zich liever te onderscheiden met hun tuin, met hun keuken of met het sanitair en de betegeling van hun badkamer. En zelfs in de keuzes daarvoor laten ze zich nogal eens leiden door de smaak van anderen, woonbladen en tv-programma's.

Architect Carel Weeber kon lastig begrijpen waarom Nederland veranderde in een zee van vrijwel identieke rijtjeshuizen, terwijl de Nederlander toch echt het liefst in een vrijstaande woning leeft. Dertien jaar geleden introduceerde hij het concept van 'Het Wilde Wonen': iedereen zijn huis naar keuze. Vrijheid blijheid. "In mijn ideaal gaan de mensen naar een bouwwarenhuis, een soort Gamma, dat huisonderdelen in verschillende variëteiten verkoopt." Ruimte genoeg, weersprak Weeber de algemene klaagzang over een vol land. Slechts tien procent van de oppervlakte was volgens hem bebouwd.

Ook de VVD'er Johan Remkes brak in 2001 als staatssecretaris van volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieu - wat meer politiek gemotiveerd - een lans voor nieuwe wegen: "Een derde van alle nieuwe woningen zal vanaf 2005 in enige vorm via particulier opdrachtgeverschap gerealiseerd moeten worden. De ultieme vorm van particulier opdrachtgeverschap is het bouwen op een vrije kavel." Maar Nederland lijkt als het gaat om woningbouw sterker in de sociaal-democratische dan in de liberale traditie te staan. De meeste mensen kiezen eerder voor confectie dan voor maatwerk. Belgen bijvoorbeeld worden met een baksteen in de buik geboren. Ze moeten en zullen zelf bouwen. Nederlanders hebben daar niet zo'n last van. Als het al kriebelt, worden ze wellicht door andere zaken tegengehouden. Zoals architect/beeldend kunstenaar Gunnar Daan het formuleerde: "In de opdrachtportefeuille van architecten komt de particuliere woning nauwelijks meer voor. Grotere bureaus halen de neus op voor het povere rendement in deze sector, terwijl de potentiële bouwheer juist opziet tegen de honoraria en de extra kosten die een niet-standaardoplossing met zich meebrengt."

De huiver aan beide zijden voor eigenwijsheid à la Kröller-Müller en Rietveld zal ook niet helpen.

Op bezoek
Huis Sonneveld
Het Huis Sonneveld is onderdeel van het Nederlands Architectuurinstituut (NAi). Het museum wordt momenteel verbouwd, maar de museumwoning is geopend en tot 1 juli zelfs gratis toegankelijk.

Di t/m za: 10.00 - 17.00 uur

Zon- en feestdagen: 11.00 - 17.00 uur

Museumpark 25

Rotterdam

Telefoon: 010-4401200

www.nai.nl

Jachtslot Sint-Hubertus
Het Jachtslot Sint-Hubertus is onderdeel van Nationaal Park de Hoge Veluwe. Bezoek kan alleen onder begeleiding. De rondleidingen worden dagelijks gehouden. Kaarten zijn te krijgen bij Nationaal Park de Hoge Veluwe. Meer info: www.hogeveluwe.nl

Rietveldhuis
Het Rietveld Schröderhuis in Utrecht is te bezoeken aan de hand van een audiotour. Reserveren hiervoor is noodzakelijk. Bezoeken zijn mogelijk van woensdag tot en met zondag. Meer informatie op www.centraalmuseum.nl

Grachtenmusea
Diverse grachtenpanden in de Amsterdamse grachtengordel - van woonhuis tot schuilkerk - vormen samen de Grachtenmusea. Ze zijn gezamenlijk en afzonderlijk te bezoeken. Meer informatie op: www.grachtenmusea.nl

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden