Nederlander integreert niet

Weggaan uit Nederland is in trek. Ieder jaar vertrekken meer mensen uit Nederland. Tv-programma’s als ’Ik Vertrek’ trekken veel kijkers. En als in maart de jaarlijkse emigratiebeurs weer plaatsvindt, trekt die naar verwachting opnieuw meer bezoekers dan de vorige keer. Maar hoe is het echt, om in een ander land een bestaan te moeten opbouwen?

Zouden veel mensen daar nou van dromen: wonen aan de Côte d’Azur, in de driehoek tussen Nice, Cannes en Grasse, in de kolonie rijke (maar op z’n minst grijzende) Nederlanders?

Ze vullen hun dagen met tennissen, golfen, wandelen en bridgen – met elkaar, want met de Franse bevolking mengen ze niet. Ze vinden het reuze belangrijk om samen Koninginnedag te vieren, 5 mei en Sinterklaas. Contact met Fransen hebben ze niet: „Die zijn erg op zichzelf.”

Zo’n honderd kilometer verderop, boven Ventimiglia, in bergdorpen die Olivetta, Fanghetto of Airole heten, streek een ander segment van Nederland neer: artistiek Amsterdam. Slechts een enkeling woont er 365 dagen per jaar, maar bij elkaar wonen er toch voldoende Amsterdammers om invloed te kunnen hebben op de plaatselijke politiek. Heeft de provincie plannen voor een steengroeve? Zijn de dorpelingen er zelfs blij mee, omdat dat werk betekent? Hedy d’Ancona, ooit europarlementariër èn bezitter van een huis in Fanghetto, stelde er op verzoek van de Italiaanse Amsterdammers aan de Europese Commissie vragen over. De steengroeve kwam er niet. Nederlanders die niet in het Amsterdamse artistieke plaatje passen zijn er trouwens evenmin welkom. Heeft de Amsterdamse kolonie contact met de plaatselijke Italianen? „Italianen zijn lieve mensen hoor”, zegt een Nederlander, „Maar hier in de buurt wonen geen mensen van wie je denkt: daar zou ik eens een dag mee op pad willen.”

De Nederlanders in de Franse ’gouden’ driehoek en de culturele Amsterdamse elite boven Ventimiglia vormen twee, wat Rosa Koelemeijer noemt, ’Hollandse bergen’: Nederlandse enclaves elders in Europa. Voor haar eerdaags te verschijnen gelijknamige boek bezocht ze er vijf, op zoek naar antwoord op de vraag hoe het werkelijk is om geëmigreerd te zijn, hoe het Nederlanders vergaat als zij elders integreren (of niet), en hoe goed het bevalt – want al vertoont de televisie heel wat emigratieprogramma’s, die houden meestal kort na de verhuizing op.

Ooit, in 2003, probeerde ze zelf te emigreren – eveneens naar Italië, maar zuidelijker. Ze vertrok met man en baby, denkend dat Italië (’het eten, de mensen, de zon’) geweldig zou zijn. Maar ze stierf binnen de kortste keren van heimwee. Van hondenheimwee (naar mensen), van kattenheimwee (naar plekken) en van dingenheimwee. Nederland bleef aan haar trekken. Hoe zit dat met andere emigranten, vroeg ze zich af, en ging op zoek naar Hollandse bergen.

Maar je kunt je afvragen of de emigranten die ze portretteerde wel zo’n gelukkige keuze vormen. Want zijn het eigenlijk wel ’echte’ emigranten, die rijke ouderen; of die mensen met een tweede huis in Italië (en de vrijheid er vaak te zijn); of de Nederlanders op hun zeewaardige zeilschepen in de grensrivier tussen Spanje en Portugal, de Guadiana, die met de mond belijden dat ze de Atlantische Oceaan gaan oversteken – maar het nooit echt doen; of de niet zo rijke oudere Nederlanders die in Hongarije een huis kopen dat in Frankrijk onbetaalbaar zou zijn? Dat type emigrant heeft meer trekken van een chronische toerist. Is het wel zo vreemd dat ze niet integreren – de helft van Koelemeijers geïnterviewden sprak de landstaal niet of nauwelijks? Er hoeft geen geld verdiend, geen bestaan opgebouwd te worden. De paar jonge Nederlanders om hen heen, die hun brood verdienen met dienstverlening aan de rijke oude garde – een krantje maken voor de Nederlandse kolonie; bitterballen importeren – zijn ook geen ’echte’ emigranten. Ze lijken weinig op de Nederlanders die in de jaren vijftig naar Canada, de VS of Australië trokken; of op de Turken en Marokkanen die naar west-Europa kwamen op zoek naar werk – op wie ook nog eens werd (en wordt) neergekeken.

Op maar een van de vijf ’Hollandse bergen’ die Koelemeijer bezocht is de emigratie voor het echie. In de Noorse (fjorden)provincie Müre og Romsdal zitten geen (oude, rijke) luxe-emigranten. Het zijn stellen en gezinnen die meer doen dan proberen Nederland te ontvluchten – om het weer, de stress, de drukte, het gebrek aan natuur. Ze proberen een nieuw bestaan op te bouwen als eigenaar van een camping, met een snackbar of als mosselkweker. Ze kwamen naar Noorwegen voor rust en ruimte: „Ik ben geen mens om in een rijtjeshuis te wonen”, zegt er een. Noorwegen bestrijdt de leegloop van z’n dorpen (de Noren trekken naar de stad) gráág met Nederlanders, want die zijn ijverig – ijveriger, kennelijk, dan de Noren. Die zijn door hun olierijkdom lethargisch geworden.

Maar om nu te zeggen dat de Nederlanders in Noorwegen integreren, nee. Ook al zeggen ze „We zijn hier gekomen om zo snel mogelijk te integreren”, Noorse vrienden blijken ze niet te hebben, stelt Koelemeijer vast. Nederlandse vrienden dan wel? Ook niet. Het publiek dat naar Noorwegen emigreerde, vaak van buiten de Randstad, leidde in Nederland vaak al geen druk sociaal leven. Een enkeling gaat maandelijks een weekend naar Oslo, per vliegtuig, om eens uitgebreid te stappen; maar de meesten hebben niet zo’n behoefte aan vertier. Op een Sinterklaasviering „zitten ze niet te wachten”, zegt een van hen.

Maar kennelijk bevalt zo’n bestaan-op-zichzelf in Noorwegen wel. Want van de 225 gezinnen die Norsk.nl (het web-medium waarmee Noorse gemeentes Nederlanders aantrekken) inmiddels tot emigratie heeft weten te verleiden, zijn er maar zeventien naar Nederland teruggekeerd. Dat is 7,5 procent – fors minder dan gemiddeld, want volgens Koelemeijer komt de helft van alle emigranten op enig moment terug naar Nederland.

Nederlanders hebben grote moeite met integreren in een ander land, concludeert Koelemeijer: ofwel omdat ze het niet willen, ofwel omdat het niet lukt. ’Integreren duurt jaren, zo niet generaties’, is haar conclusie.

Het meest succesvol lijken de mensen met kinderen die in het nieuwe land wortel schoten. Zoals de Nederlandse makelaar in Italië die (tot chagrijn van de Amsterdamse kolonie) huisjes begon te verkopen aan Jan en alleman. „Ze scholden op mij, maar uiteindelijk ben ik hier het meest ingeburgerd. Ik spreek de taal, we hebben Italiaanse vrienden. Mijn twee dochters zijn inmiddels allebei met Italianen getrouwd.”

Hollandse bergen, Rosa Koelemeijer, Uitgeverij Plataan, ISBN 978 90 5807 301 3, 14,95 euro.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden