Nederland zoals we het graag zien

'Holland op z'n mooist' toont het ongerepte landschap van de negentiende eeuw: kale polders, knoestige wilgen. Nu geliefd, destijds niet altijd.

Er is haast een vergrootglas nodig om ze te kunnen zien: de minuscule witte rookpluimpjes van een stoomlocomotief aan de horizon. Toen Jan Hendrik Weissenbruch ze schilderde rond 1845, in zijn 'Gezicht op Haarlem', was de trein nog een noviteit in Nederland. Als schilder van de Haagse School wilde Weissenbruch het landschap zo realistisch mogelijk weergeven, en daarin reed nu ook een trein.

Turend naar die rookpluimpjes, op de tentoonstelling 'Holland op z'n mooist', vraag je je af of Weissenbruch er ook iets anders mee wilde laten zien. Symboliseren ze ook de ingrijpende veranderingen in het landschap in de loop van de negentiende eeuw, met de trein als aanjager van de modernisering en industrialisatie? In dat geval zou je Weissenbruch en de andere Haagse Schoolkunstenaars, die nog net op tijd het ongerepte polderlandschap met knotwilgen, windmolens en koeien hebben vastgelegd, ook als een voorhoede van de natuur- en milieubeweging kunnen zien. Met hun schilderijen openden ze de ogen voor de schoonheid van het landschap. En dat leidde weer tot de oprichting, in 1905, van de Vereniging Natuurmonumenten.

Kunsthistorici schudden het hoofd bij deze veronderstelling. De Haagse Schoolkunstenaars waren geen wereldverbeteraars. Ze wilden het ware landschap verbeelden, zonder daar allerlei idealen of verhalen in te verpakken. Misschien vonden ze het zelfs wel machtig interessant dat er ineens een trein door de polder reed, zegt directeur Benno Tempel van het Gemeentemuseum Den Haag.

Toch vraag je je op de dubbeltentoonstelling 'Holland op z'n mooist', in het Gemeentemuseum Den Haag en in het Dordrechts Museum, voortdurend af waarom deze kunstenaars met zoveel passie het oer-Hollandse landschap met windmolens, drassige polders en met veldbloemen bezaaide weides hebben vastgelegd. Ze verlieten hun ateliers en trokken de natuur in, met koeien als hun nieuwsgierige publiek. De uitvinding van de verftube stelde hen in staat te schilderen in de buitenlucht.

Het Dordtse en het Haagse museum hebben allebei een grote collectie negentiende-eeuwse kunst. Daarom besloten ze samen op te trekken bij deze tentoonstelling, die je het beste kunt beginnen in Dordrecht. Daar maak je kennis met de wortels van de Haagse schildersschool. Waar Dordt stopt, gaat Den Haag verder en geeft daarbij ook een beeld van de tijd (1860-1900) en de samenleving waarin deze kunstenaars werkten.

Beide musea presenteren meer dan honderd schilderijen van Weissenbruch en zijn kompanen Jozef Israëls, Willem Roelofs, Paul Gabriël, Anton Mauve, Hendrik Willem Mesdag en Matthijs en Willem Maris, maar ook van kunstenaars van de verwante school van Barbizon, zoals Rousseau, Daubigny en Corot.

Simpele boeren en vissers

De titel 'Holland op z'n mooist' speelt in op de nostalgische gevoelens die hun schilderijen nu oproepen. Maar in hún tijd was het revolutionair om kale polders, knoestige knotwilgen en simpele boeren en vissers als onderwerp te kiezen. Het betekende een breuk met de vorige generatie van de Romantiek, die de natuur vooral groots en meeslepend en ook geïdealiseerd afbeeldde, met overweldigende Alpentoppen, gouden zonnestralen en bloedstollende zonsondergangen.

In het vroege werk van de Haagse Schoolkunstenaars is de invloed van de Romantiek nog zichtbaar. Dordrechts Museum koos het Parijse atelier van de Dordtse kunstenaar Ary Scheffer als vertrekpunt. Hij was een van de bekendste schilders van de Romantiek. In zijn atelier kwamen ook de 'opruiende' kunstenaars van Barbizon, die werden verguisd vanwege hun te realistische schilderijen. Scheffer gaf onder meer Théodore Rousseau, die werd geweigerd in de Parijse Salon, de kans om daar zijn omstreden ruige berglandschappen met koeien te tonen. Ook de jonge Jozef Israëls trok naar Parijs, uit bewondering voor Scheffer. Via hem maakte hij kennis met de schilders van Barbizon. Die 'fusion' van de gewone boeren en realistische landschappen van Barbizon en de romantische weemoed en treurende meisjes van Scheffer leidde in de ogen van conservator Gerrit Willems tot een soort 'oerknal' van de Haagse School in het atelier van Scheffer.

Aan het begin van de tentoonstelling wordt dat op een overtuigende manier in beeld gebracht. Daar hangt Israëls 'Dromen' (1860), dat meteen werd verkocht, naar de VS verdween en pas in 2013 weer opdook op een veiling. Het toont een meisje op blote voeten dat liggend op een duin over de zee uitkijkt.

Ernaast hangt Scheffers' 'Mignon, verlangend naar haar vaderland' (1836). Weemoed en romantiek zitten in beide werken. Maar Israëls kiest, anders dan Scheffer, niet voor een meisje uit de societykringen, maar voor een eenvoudig vissersmeisje dat hij afbeeldt in de echte natuur. Hij balanceert dan nog tussen sentiment en werkelijkheid.

Ook Israëls topstuk 'De drenkeling' (1861) uit The National Gallery in Londen, komt nog wat pathetisch over. Tegelijkertijd laat Israëls in dit schilderij zien dat hij oog heeft voor het leven van arme vissers. Ook Willem Roelofs, die met Israëls wordt gezien als de oervader van de Haagse School, liet zich inspireren door de landschappen en taferelen uit het boerenleven van de schilders van Barbizon. Zo is 'Vroege morgen', met een afdaling van koeien, direct ontleend aan een schilderij van Rousseau.

Haagse School

Na die worsteling tussen sentiment en realiteit, focust het Gemeentemuseum Den Haag op de landschappen van de Haagse School. In 1875 wordt deze groep kunstenaars voor het eerst zo genoemd in het tijdschrift De banier. De criticus J. J. van Santen Kolff typeerde hen als kunstenaars die wilden breken met hun voorgangers door onderwerpen te kiezen die tot die tijd niet 'waardig' genoeg waren in de vaderlandse schilderkunst, zoals een arme vissersvrouw en het kale polderlandschap. Daarnaast streefden deze moderne kunstenaars naar een weergave van de realiteit.

Die omslag in de schilderkunst viel samen met een groeiende belangstelling in Nederland voor de eigen natuur. Door de komst van de trein was het gemakkelijker om erop uit te trekken. De mensen kregen ook meer vrije tijd. De trekschuit maakte plaats voor de trein, stoomgemalen verdrongen de windmolens. Met rookpluimpjes laat Weissenbruch zien dat er een trein door het nog idyllische landschap rijdt. Schelfhout schilderde ook rookpluimpjes, van fabriekstorens.

Maar op de meeste schilderijen lijkt niets nog de rust te verstoren op het platteland. Het lijkt er soms op of de kunstenaars met hun rug naar de trein of ontmantelde windmolens zijn gaan staan om zich te focussen op het nog ongerepte landschap. Maar met oude ansichtkaarten, foto's en schetsboekjes met aantekeningen laat conservator Doede Hardeman zien dat ze niet sjoemelden met de realiteit en het echte landschap hebben afgebeeld. Het beeld wordt wel vertroebeld doordat de kunstenaars vooral de landschappen opzochten die nog niet geïndustrialiseerd waren.

Er zijn ook uitzonderingen: Paul Gabriël laat frontaal de trein de polder in denderen in zijn schilderij 'Hij komt van verre'. Dat was in de omgeving van Broeksloot, dichtbij Weissenbruchs kalme Trekvliet, waar nog niets zichtbaar is van de moderne tijd. Gabriël beeldt ook twee molens af zonder wieken met de veelzeggende titel 'De twee invaliden'. De onttakelde molens getuigen van de komst van het stoomgemaal, dat in dertig jaar tijd de negenduizend windmolens in Nederland halveerde.

Ook Jacob Maris verwijst met zijn schilderij 'De afgesneden molen', waarop de bovenkant met de wieken ontbreekt, naar het verdwijnen van de molen uit het landschap. Of was dit alleen maar een experiment met de compositie? Dat ligt niet voor de hand, omdat hij dat nooit deed.

Kurhaus in weiland

Hoe ingrijpend Nederland is veranderd, is wellicht het duidelijkst te zien op Gabriëls vergezicht op het Kurhaus, toen het rond 1885 tussen nog niets anders stond dan strand en weiland. Als je goed kijkt kun je aan de randen van het gras zien tot hoever de koeien graasden.

De landschappen van de Haagse School zijn er niet meer, ook al lopen er door nieuwe regels van staatssecretaris Sharon Dijksma van economische zaken straks weer meer koeien in de wei. Maar ze staan niet meer met hun poten in drassige polders met een weids uitzicht. In dat opzicht roept 'Holland op zijn mooist' nostalgische gevoelens op.

Toch is de Haagse School nog springlevend, leert deze tentoonstelling ook. Nog steeds bepalen deze schilders hoe er, ook internationaal, wordt gekeken naar Nederland: als het land van molens, knotwilgen, polders, koeien en indrukwekkende wolkenluchten.

Het waren dan wel geen natuurbeschermers die met hun schilderijen de aandacht wilden vestigen op het bedreigde landschap. Toch hebben ze het polderlandschap op de kaart weten te zetten. Door te laten zien hoe mooi het van zichzelf is.

****

'Holland op z'n mooist - het voorjaar van de Haagse School', t/m 6 september in Dordrechts Museum.

*****

'Holland op z'n mooist - op pad met de Haagse School', t/m 30 augustus in Gemeentemuseum Den Haag.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden