Nederland zal nooit religieus eensgezind zijn

Godsdienst is in Nederland nooit weggeweest, maar alleen van gedaante veranderd. Dat zegt de historicus James Kennedy in ’Gelovige Nederlanders vanaf de jaren zestig’, deel één van de nieuwe 35-delige historische reeks ’Geloof in Nederland’. Een voorpublicatie.

In het midden van de jaren zestig waren de grote veranderingen al merkbaar. De exclusieve visie van kerkelijke groeperingen, waarin het eigene werd benadrukt, maakte plaats voor een visie waarin ’andersdenkenden’ ook een plaats hadden. Gelovigen wilden in hun denken en handelen steeds meer de belangen van de hele mensheid voor ogen houden. Ze wilden solidariteit tonen met andersdenkenden en weerstand bieden aan de gesloten denkbeelden van bijvoorbeeld de conservatieve protestanten, die aan prinses Irene het recht zouden willen ontzeggen haar eigen hart te volgen.

De omslag kende verschillende oorzaken, waaronder het consumentisme, de individualisering en een nieuw begrip van solidariteit.

()

Niet alleen de televisie en het consumentisme lieten de traditionele religie afbrokkelen. Ook de opbouw van de verzorgingsstaat en het streven naar welzijn beïnvloedden de beleving van religie. Rond 1965 was bijna elke Nederlandse burger verzekerd van een minimuminkomen. Financiële zekerheid was volgens velen niet genoeg, uiteindelijk ging het om een hoge kwaliteit van leven. Al snel leken psychologen en psychiaters de plaats in te nemen van de paters en dominees als bemiddelaars van geestelijk welzijn. In weinig landen waren verhoudingsgewijs zoveel therapeuten actief als in Nederland. Omringd door geestelijke zorg en materiële zekerheid leefden Nederlanders in een wereld waarin de traditionele religieuze waarden, zoals opoffering en zelfbeperking, hun glans verloren hadden. Voor het eerst in de geschiedenis was het individu vrij om het eigen leven vorm te geven.

De nieuwe geestelijke zorg en materiële zekerheid maakten niet zonder meer een eind aan religieuze behoeften, maar ze deden wel vragen rijzen naar het nut en de noodzaak van religieuze organisaties. Nederlandse kerken waren niet goed voorbereid op het ontstaan van een religieuze markt met onafhankelijke, kritische consumenten.

()

De verwerping van het gezag, van de kerk en van religieuze dogma’s en de bevrijding van de angst voor deze machten, vierden hoogtij in de jaren zestig en zeventig. Niet langer zouden mensen zich laten vastketenen door de traditie en door regels van hogerhand. Vanaf de jaren zestig nam de scepsis over de georganiseerde religie sterk toe. Voor een deel was die scepsis een reactie op de strakke kaders van de ’eigen’ organisaties in de tijd voor 1960.

De kloof tussen persoonlijk geweten en georganiseerde religie werd steeds breder, zodat de kerkgang sterk terugliep.

()

De teloorgang van het traditionele christendom leidde tot uiteenlopende reacties. Sommige christenen legden zich neer bij de maatschappelijke ontwikkelingen en probeerden zich aan te passen. Anderen pleegden hevig verzet en bevochten hun plaats in de samenleving. Zo voerde de Bond tegen het Vloeken campagne met posters waarop een papagaai was afgebeeld en de tekst ’word geen naprater’. De posters waren op treinstations in heel Nederland te zien. Bij de gereformeerd-vrijgemaakten en de reformatorischen (een verzamelnaam voor de ’bevindelijk gereformeerden’) veroorzaakte de strijdlust nieuwe afsplitsingen, waardoor minizuilen ontstonden. Maar onder sommige niet-gelovigen was de stemming haast euforisch, nu de macht van de traditionele religie eindelijk gebroken leek te zijn. In hun boek ’Tegen de revolutie: het evangelie’ (1972) beschreven en bejubelden de journalisten Igor Cornelissen en Martin van Amerongen het ’einde van een christelijke natie’. En de deelnemers aan het ’Rock Against Religion’ festival, tijdens de Kerstdagen van 1979 in Club Kaasee in Rotterdam, vierden de secularisering van Nederland. Militant atheïsme kreeg slechts een beperkt aantal volgelingen in Nederland, maar het wantrouwen jegens de traditionele, religieuze moraal en organisaties was wijdverspreid. Voor de traditionele religie was weinig plaats meer in een samenleving die werd gekenmerkt door individuele zelfontplooiing.

Secularisatie vormt het kernwoord in de geschiedenis van Nederland sinds de jaren zestig. Het christendom verhuisde van het centrum van de macht naar de marge van de samenleving. Zelfs belijdende christenen gingen onder invloed van een seculiere cultuur soepeler om met hun traditionele en principiële geloofsovertuigingen en moraal. Steeds meer beschouwden gelovigen en ongelovigen religie als een privézaak. Religie mocht in het openbaar niet zichtbaar zijn; ze moest binnenskamers blijven.

Toch verdween religie niet. Het religieuze leven in Nederland werd gevarieerder en meer gefragmentariseerd dan ooit tevoren, en dat was vooral te danken aan invloeden van buitenaf.

[Kennedy noemt hier de invloed van Aziatische (boeddhistische) en Amerikaanse (evangelische) religies, Scientology, de new agebeweging (voorhoede van de spiritueel ongebondenen), goeroes en gebedsgenezers, en de komst, door migratie, van nieuwe religieuze groepen zoals hindoestanen en moslims.]

()

In de jaren negentig was Nederland nog sterker ontkerkelijkt en in religieus opzicht zeer divers. Een gemeenschappelijk religieuze moraliteit en levensvisie leken nog verder bezijden de werkelijkheid dan in 1960. Ondanks de verschillen geloofden de mensen toen nog dat vrijwel iedereen deel uitmaakte van het christendom.

Een groot deel van de Nederlanders bleef ’religieus’ – 40 procent in 2006, meer dan in de meeste andere Europese landen. Als ’reli-solisten’ konden Nederlanders zo intensief zoeken naar religieuze zingeving, dat hun voorouders ervan onder de indruk zouden zijn geweest. Maar als bindende en normatieve kracht leek religie gedoemd te verdwijnen uit het publieke leven. Nederland was ’one nation without God’ geworden, zoals een Amerikaanse socioloog eens zei. De paarse kabinetten (1994-2002) schenen dit schijnbaar onomkeerbare feit te illustreren en gingen voortvarend aan de slag met de verdere legalisering van euthanasie en homohuwelijk. RPF-leider Leen van Dijke bestempelde homoseksualiteit als een zonde, net als diefstal. Imam Khalil El-Moumni, geboren in Marokko, zei dat Europeanen minder zijn dan honden en varkens, omdat zij homoseksualiteit aanvaarden. Beiden werden voor de rechter gedaagd wegens discriminatie, maar door hogere rechtbanken vrijgesproken wegens het recht op vrijheid van meningsuiting en geloofsovertuiging.

Tegelijkertijd was het niet duidelijk of religie werkelijk verdween uit het publieke leven. De herdenking van de Holocaust was haast een publieke uiting van religie geworden, compleet met eigen rituelen, heiligen en mystieken, zoals Anne Frank en Etty Hillesum. En dan waren er de stille tochten tegen ’zinloos geweld’ en het massale afscheid van volkszanger André Hazes in de Amsterdamse Arena. Sommigen vroegen zich af of er niet een collectieve behoefte aan gedeelde religieuze oriëntatie was. Zelfs nepdominee Eppe Gremdaat (cabaretier Paul Haenen) lijkt te voorzien in een spirituele behoefte. Gremdaat geeft tegen betaling komische en erudiete adviezen aan allerlei groeperingen. Ook Pim Fortuyn, die katholiek werd opgevoed, leek open te staan voor religieuze ideeën. Tijdens de verkiezingscampagne van 2002 vertelde hij EO-journalist Andries Knevel dat hij een opdracht had van God. En de radicale katholiek Huub Oosterhuis stond kandidaat voor de Tweede Kamer namens de SP, een partij met maoïstische en seculiere wortels.

Aan het begin van deze eeuw was religie dus terug in de publieke belangstelling. Maar wat betekende dat? Nederlanders zijn niet teruggekeerd naar de oude religies. Sterker nog, het deel van de bevolking dat lid is van een geloofsgemeenschap, wordt elk jaar kleiner. Zo gezien wijkt Nederland nu sterk af van Nederland in 1960 en zal de toekomst niet op het verleden lijken.

De belangstelling voor religie heeft andere wortels. In de eerste plaats zijn Nederlanders er nu van doordrongen dat zij in een land met veel migranten voorlopig rekening moeten houden met het bestaan van allerlei religieuze minderheden. Nederlanders zijn er onderling nog niet over uit, hoe zij zich in dit debat moeten opstellen, maar zeker is dat religie niet meer genegeerd kan worden.

In de tweede plaats is er opnieuw waardering voor de positieve effecten van georganiseerde religie op de samenleving. Nederlanders willen geen lid van een kerk of moskee zijn, maar ruim driekwart van hen vindt religie een belangrijke basis voor de moraal. Nederlanders lijken nu meer behoefte te hebben aan een expliciete en gedeelde moraal. Daarom is de belangstelling voor religie in het vormen van normen en waarden toegenomen, en heel omstreden gebleven. Leden van kerken en moskeeën worden wel eens een belangrijke bron van ’sociaal kapitaal’ genoemd, omdat gelovigen meer tijd en geld besteden aan goede doelen. In een opvallende nieuwjaarstoespraak in 2002 zei de seculiere joodse burgemeester van Amsterdam, Job Cohen, dat de gemeente ’de bindende kracht van kerken en moskeeën [moet] gebruiken om de Amsterdammers bij elkaar te houden’. Omdat ’goed burgerschap’ nu weer belangrijk wordt gevonden, tonen politici meer belangstelling voor de sociale betekenis van gebedshuizen.

In de derde plaats zoeken Nederlanders weer naar hun eigen tradities. Omdat zij de negatieve kanten van globalisering hebben ontdekt, lijken ze sinds 1960 meer dan ooit op zoek naar het gemeenschappelijk ’eigene’. Daarom is ’erfgoed’ nu zo’n belangrijk concept geworden (het jaar 2008 is zelfs jaar van het religieus erfgoed). Voor secularisten was het eigene van Nederland de doorwerking van de idealen van de Verlichting. Het Humanistisch Verbond plaatste een advertentie met het verzoek om financiële steun, omdat de Nederlandse samenleving zonder het Humanistisch Verbond zou zijn ’overgeleverd aan de goden’. Tegelijkertijd zagen veel Nederlanders, ook diegenen die jaren geleden uit de kerk waren gestapt, de betekenis van het christendom voor de Nederlandse geschiedenis en identiteit.

Soms werden deze waarnemingen gepolitiseerd. Geert Wilders, een agnost, zei dat Nederland een land met joods-christelijke wortels was, waarin geen plaats was voor de islam. Maar voor anderen was de opkomst van de islam juist een uitdaging om het ’eigen’ profiel van Nederland als tolerant land en multireligieuze samenleving te versterken. Ella Vogelaar, minister van Wonen, Wijken en Integratie, voorspelde dat Nederland op den duur een joods-christelijke-islamitische cultuur zou krijgen. In dit alles voelden veel orthodoxe christenen en moslims zich geroepen hun eigen religie duidelijk te positioneren in de Nederlandse samenleving.

De behoefte aan het opnieuw vaststellen van de eigen nationale identiteit is dus een van de redenen waarom het religieuze verleden van Nederland opnieuw in de belangstelling staat. Maar de betekenis van het religieus verleden zal altijd omstreden zijn. We zijn te ver verwijderd van dat verleden om de tradities van voor 1960 in volle glorie te kunnen herstellen. De enorme diversiteit aan levensbeschouwelijke opvattingen in Nederland zou consensus over het religieuze verleden onmogelijk maken. Misschien kunnen Nederlanders zich troosten met de gedachte, dat hun voorouders ook al in een religieus veelstromenland woonden en dat ook zij grote moeite hadden met het scheppen van een gezamenlijke identiteit.

Het is misschien een kleine troost, maar het is toch niet onbelangrijk te beseffen dat levensbeschouwelijke eensgezindheid, hetzij religieus, hetzij niet-religieus, waarschijnlijk niet voor Nederland is weggelegd.

Fragmenten uit het eerste deel van de serie ’Geloof in Nederland’, dat morgen verschijnt. De reeks, waarvan elke twee weken een deel uitkomt, is verkrijgbaar bij de boek- en tijdschriftenhandel. Voor een abonnement zie www.geloofinnederland.net of bel 038 4673400.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden