Nederland worstelt met kwaad oorlogsgeweten

De rook in 1966 verhulde, behalve de Gouden Koets, ook de verwrongen houding van het Nederlandse volk jegens Duitsland. Nederland heeft zichzelf, en Duitsland, door die houding geschaad.

Menige als weldenkend bekend staande Nederlander heeft zich de laatste tijd laten verleiden tot krasse uitspraken over de kroonprins. Het verst ging de scribent die verklaarde dat in elke prins een kleine Samaranch schuilt, doelend op de totalitaire wijze waarop deze man leiding geeft aan het IOC. Het lijkt erop dat het Nederlandse volk bij monde van zijn spraakmakers bezig is op prins Willem Alexander over te dragen wat eerder op prins Bernhard en daarna op prins Claus is geprojecteerd: een slecht geweten.

Dit syndroom trad al sterk op tijdens de viering van de zestigste verjaardag van de koningin. De NOS liet de hele geschiedenis van de verhouding van Beatrix en Claus tot het Nederlandse volk nog eens aan ons oog voorbijgaan. Zonder verder commentaar, alsof deze geschiedenis voor zichzelf spreekt. Maar zo vanzelfsprekend was het niet, dat het volk te hoop liep toen Beatrix met 'een Duitser' bleek te gaan; en ook niet dat een commissie onder leiding van L. de Jong werd ingesteld om na te gaan of Claus' verleden geen beletsel vormde voor een huwelijk.

Sinds de Tweede Wereldoorlog is er discussie gevoerd over de Holocaust, over de treurige houding ten opzichte van hen die de concentratiekampen hadden overleefd, over de verdwenen, want van naam veranderde ondergedoken Joodse kinderen, over het leed van de oorlogsslachtoffers. Die discussie is voornamelijk onder Joodse Nederlanders gevoerd, zoals ook verreweg het meeste onderzoek door Joden zelf is gedaan. De houding van de Nederlandse bevolking als geheel, en haar academische representanten voorop, kenmerkte zich door sterke anti-Duitse ressentimenten. Zo was het een hoogleraar Duitse taal en letterkunde aan de universiteit van Amsterdam na de oorlog niet toegestaan zijn afscheidsrede in het Duits te houden. De Nederlandse academische wereld heeft de Duitse wetenschap van 1945 tot 1985 massaal gemeden - terwijl Nederlandse academici na de Eerste Wereldoorlog, in de lijn van de buitenlandse politiek van het 'actieve neutralisme', sterk gekant waren tegen de boycot die de geallieerden toen hadden ingesteld tegen de Duitse wetenschap. Na de Tweede Wereldoorlog hebben de geallieerden lering getrokken uit de faliekant verkeerde politiek van vernedering, en was hun politiek juist gericht op de wederopbouw van Duitsland.

Het Nederlandse volk heeft zich niet alleen niet al te best gedragen tijdens de Tweede Wereldoorlog, maar zich ook in het geheel niet ingezet voor de wederopbouw van de democratie in Duitsland. Daar is na de oorlog wel voor gepleit. De jurist F.M. van Asbeck en de econoom J. Tinbergen bijvoorbeeld zagen voor Nederland een hoofdrol bij het internationale (Brits-Amerikaanse) onderzoek naar de achtergronden van het nationaal-socialisme, in het verzoenen van de naties, en in de wederopbouw van Duitsland.

Maar aan deze oproepen is geen gehoor gegeven. Het verlenen van hulp en bijstand is overgelaten aan Amerika, Frankrijk en Engeland. Ook aan het internationale onderzoek naar de achtergronden van nazisme en fascisme heeft Nederland niet meegedaan. Men keerde de Bondsrepubliek, 'Duitsland' en 'Duitsers' de rug toe. Daarmee keerde men natuurlijk ook het eigen weinig rooskleurige oorlogsverleden de rug toe. Nederland heeft op deze manier geen ervaring opgedaan met gezamenlijk werken aan een nieuwe democratische situatie, tot schade niet alleen van de Bondsrepubliek maar evenzeer van de Nederlandse samenleving.

De handelsbetrekkingen met het buurland waren wel snel hersteld, en sindsdien is Duitsland, net als voor de oorlog, verreweg de belangrijkste handelspartner geworden, maar dergelijke betrekkingen veranderen niets aan de gezindheid van volkeren jegens elkaar. Zij dragen ook niet bij aan de (weder)opbouw van een democratisch bestel.

Er is een duidelijke parallel te trekken met de Indonesië-kwestie. Sinds de Tweede Wereldoorlog wordt er intensief gediscussieerd - maar dan voornamelijk onder de degenen die in een Japans interneringskamp waren ondergebracht - over de vraag hoe slecht de omstandigheden en de Japanners waren. De meningen daarover lopen sterk uiteen, variërend van 'beter dan de kostschool waarop ik eerder zat' tot 'Japanners waren slechter dan de Duitsers' en de 'Jappenkampen erger dan de Duitse concentratiekampen'. Nederland en zijn politieke en militaire representanten hebben zich niet zo erg sterk gedragen ten opzichte van het Indonesische onafhankelijkheidsstreven, maar daar komt bij dat het in niemands hoofd is opgekomen Japan na de oorlog behulpzaam te zijn bij de opbouw van een democratische bestel. Het verlenen van hulp is aan Amerika overgelaten.

Voor hulp bij de wederopbouw van Japan is door niemand in Nederland gepleit. Japan werd de rug toegekeerd. Wel zijn er initiatieven genomen die hebben geleid tot de oprichting van het Institute for Social Studies; het motief was hier dat het zonde zou zijn geweest als de vele 'alom gewaardeerde' kennis die Nederland had in het besturen van 'ontwikkelingslanden' verloren zou zijn gegaan. In die motieven schuilt zelfoverschatting en miskenning van de realiteit, maar het resultaat is, dank zij steun van de zijde van Engelse en Amerikaanse bestuurskundigen, een volwaardig internationaal instituut.

Zo verschijnt achter het rookgordijn van de rookbommen tijdens Beatrix' huwelijk een Nederlands volk en zijn politieke en academische representanten, dat relatief weinig heeft gedaan voor de verdediging van zijn democratie en zijn meest kwetsbare bevolkingsgroepen, maar ook na de oorlog verzuimd heeft Duitsland bij te staan in zijn democratisering. Zo verschijnt ook een volk dat zich zwak heeft betoond ten opzichte van het Indonesische vrijheidsstreven, daarmee zijn eigen geschiedenis verloochenend, maar bovendien na de oorlog verzuimd heeft Japan bij te staan bij zijn democratisering.

Nederland is, sinds 1848, een democratische republiek met een erfelijk vorstenhuis. Die democratische republiek behoeft versterking door een verwerking van het verleden, die over de grenzen van nationalistische sentimenten heenkijkt, en de wederzijdse afhankelijkheid van landen benadrukt.

De komst van emigranten en asielzoekers, de opening van de grenzen met de Oost-Europese landen, maken duidelijk dat de democratie voortdurend ondersteund en versterkt moet worden. Duitsland en Nederland hebben elkaar daarbij dringend nodig. Laten we ons met dergelijke kwesties bezig houden, en ophouden op 'Duitse' leden van ons vorstenhuis een slecht geweten te projecteren.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden