Nederland werd nooit een wereldspeler

Petten: Diep in het bassin van de Hoge Flux Reactor staan zes glazen buisjes die blauw licht geven. De straling van de reactorkern heeft van de stoffen in de buisjes radioactieve medicijnen gemaakt. Straks gaan ze naar een ziekenhuis voor de diagnose of behandeling van kanker, hartkwalen of pijnbestrijding. © Rob Huibers

Zestig jaar geleden leek Nederland zich te nestelen in de frontlinie van de nucleaire wereld. Door een gebrek aan bevlogenheid werd de belofte niet ingelost.

Het is de komende maand zestig jaar geleden dat de Noorse koning Haakon VII in Kjeller, even buiten Oslo, een kerncentrale in gebruik nam. De zwaarwaterreactor was een Noors-Nederlands project en op die dag, 28 november 1951, leek Nederland zich definitief te nestelen in de frontlinie van de nucleaire wereld. Het wachten was nog op kerncentrales in eigen land, maar niemand twijfelde aan een glorieuze toekomst. Dertig jaar later lag de droom aan diggelen en nog steeds is Nederland een marginale speler in de wereld van de kernenergie.

Vaak wordt het aardgas aangehaald als de grote schuldige. De vondst in 1959 van de enorme voorraden in de aardbodem onder Slochteren zou alle andere energiebronnen hebben weggevaagd. Maar zo eenvoudig lag het niet. In 1972 bijvoorbeeld voorziet de minister van economische zaken, Harry Langman, nog dat Nederland in het jaar 2000 35 kerncentrales nodig zal hebben om aan de groeiende vraag naar elektriciteit te kunnen voldoen.

De wisselwerking tussen aardgas en kernenergie was in die tijd dan ook eerder andersom, zegt Wim Turkenburg, hoogleraar natuurwetenschap en samenleving aan de Universiteit Utrecht. "Men was in de jaren zestig bang dat het aardgas weldra niets meer waard zou zijn. Kernenergie werd gezien als de ultragoedkope energiebron van de toekomst. Zo goedkoop dat het niet meer rendabel was om energiemeters in woonhuizen te plaatsen. Too cheap to meter, zeggen de Amerikanen."

Het Groningse aardgas werd grootschalig ingezet. Men sloot lucratieve contracten met het buitenland - lucratief voor het buitenland. De burger werd aangemoedigd vaker een douche te nemen, en isolatie van huizen was een non-issue. Het gas kon niet op. Nee, sterker nog: het gas moest op, eer niemand het meer wilde hebben.

Toen werd het 1973 en kwam de oliecrisis. In korte tijd schoot de prijs van olie, en daaraan gekoppeld die van gas, omhoog. Bovendien had de Club van Rome net aangegeven dat de voorraden eindig waren en er grenzen waren aan de groei. Niettemin schreef de nieuwe minister van economische zaken, Ruud Lubbers, dat in Nederland vóór 1985 drie grote kerncentrales zouden worden gebouwd. Die centrales kwamen er niet. De wereld was veranderd. "Het wordt nooit meer zoals het was", zei Lubbers' premier, Joop den Uyl.

Terug naar 1951, naar het Noorse Kjeller. Nederland is weliswaar betrokken bij de kerncentrale daar, maar de betrokkenen zijn hoogleraren in de fysica die de finesses van zo'n kernreactor willen leren kennen en minder geïnteresseerd zijn in zoiets prozaïsch als een nucleaire industrie of de opwekking van elektriciteit.

De overheid ziet dat op een gegeven moment ook in en richt daarom in 1955 het Reactor Centrum Nederland (RCN) op, een onderzoeksinstituut in de duinen van Petten. Nu komt er wat vaart in. Er worden proefreactoren gebouwd - in Petten, Delft en Wageningen - terwijl ook de Kema in Arnhem zijn eigen project heeft, de suspensiereactor.

Maar pas in 1962 gaat het voor de echt. De elektriciteitsbedrijven, verenigd in de Sep, besluiten om samen met de industrie en het RCN een heuse kerncentrale te bouwen. Een kleintje weliswaar, 50 megawatt, en het ontwerp is gekocht bij het Amerikaanse General Electric, maar de centrale wordt grotendeels door Nederlandse bedrijven gebouwd zoals Philips, Stork en RDM. Hij verrijst bij Dodewaard aan de Waal en op 26 maart 1969 verricht koningin Juliana de feestelijke opening.

Nog geen week later volgt de domper op de feestvreugde. De plannen voor een commerciële kerncentrale zijn dan al in een vergevorderd stadium. Het moet er een worden van een paar honderd megawatt, en de locatie is ook bekend: het Sloegebied bij Vlissingen. Nabij het dorp Borssele, om precies te zijn. Op 1 april 1969 maakt de Provinciale Zeeuwse Elektriciteitsmaatschappij (PZEM) bekend dat ze uit alle aanbiedingen heeft gekozen voor de offerte van de Duitse Kraftwerk Union (KWU), een dochter van Siemens en AEG. Argument: KWU is 10 procent goedkoper dan het conglomeraat waar Nederlandse bedrijven zich bij hadden aangesloten.

De verontwaardiging is groot. Die zuinige Zeeuwen, niet eens aangesloten bij de Sep, laten de nationale industrie in de kou staan ten faveure van wat grijpstuivers. De PZEM sputtert nog dat Nederlandse bedrijven met voorrang zullen worden behandeld bij de aanbesteding van de bouw, maar het kwaad is geschied. Veel bedrijven houden het voor gezien en staken hun nucleaire activiteiten.

Een aantal richt het vizier naar het oosten. Niet lang na het debacle van Borssele besluit de regering deel te nemen aan een groots project, net over de grens in de Bondsrepubliek Duitsland, de zogeheten snelle kweekreactor bij Kalkar. Het is een kostbaar project - Nederland stapt er voor 212 miljoen gulden in - en een deel van de kosten wordt verhaald op de klant.

Voor veel Nederlanders is het de eerste kennismaking met kernenergie en het is geen onverdeeld genoegen. Sommigen weigeren deze Kalkarheffing te betalen en trekken de 3 procent opslag weer van hun energienota af. Waarna het nutsbedrijf hun stroomvoorziening afsluit. En enkelen in hun met kaarsen verlichte huiskamers in de krant komen. De antikernenergiebeweging is geboren.

Begin jaren zeventig dringt ook het besef door dat er nadelen zijn verbonden aan kernenergie. Met name vanuit de Verenigde Staten sijpelen berichten binnen over de kans op kleinere en grotere ongelukken, en de gevaren van radioactieve stoffen. Tot dan dumpt iedereen zijn radioactieve afval in zee, en dat zit velen toch niet lekker. Bovendien mogen de brandstofkosten van een kerncentrale laag zijn, de huizenhoge investeringen in de bouw maken het financiële avontuur ongewis. In 1974 bepleit een groep wetenschappers, onder wie de eerdergenoemde Wim Turkenburg, daarom een bezinningsperiode van vijf jaar. Dat pleidooi mondt uit in de Brede Maatschappelijke Discussie (BMD).

Het wordt een hopeloze exercitie. Het zijn de jaren van de polarisatie en ook kernenergie verdeelt de bevolking in twee ongeveer even grote kampen. Na het (bijna)ongeluk in de Three Mile Island kerncentrale bij Harrisburg groeit het tegenkamp naar zo'n 85 procent, maar dat verschil zwakt daarna weer af.

Na 'Tsjernobyl' verdwijnt de kwestie- kernenergie in de koelkast

Uit de veelheid van geventileerde meningen trekt de Stuurgroep Maatschappelijke Discussie Energiebeleid (tekenend voor het geharrewar is dat het debat niet meer 'Breed' mocht heten) in 1985 de conclusie dat de bestaande centrales niet dicht hoeven maar dat er ook geen draagvlak is onder de bevolking voor nieuwe kerncentrales. Desalniettemin blijft de minister van economische zaken, Gijs van Aardenne, bij zijn voornemen om drie nieuwe centrales te bouwen.

Op 21 april 1986 moet de Tweede Kamer vergaderen over mogelijke locaties. Het debat wordt uitgesteld tot 6 mei, en dan komt het er niet meer van. Op 26 april ontploft de kerncentrale van Tsjernobyl en de kwestie-kernenergie verdwijnt voor zeker twintig jaar in de koelkast.

In een terugblik op het mislukte kernenergie-avontuur in Nederland legde de grand old man van het RCN, Jaap Goedkoop, de vinger op de veranderingen in de wereldenergiemarkt en op wisselingen in het politiek-maatschappelijke debat. In een land van kooplui en dominees hebben de atoomgeleerden het onderspit gedolven, schreef hij in 1982. Door de sterk fluctuerende olieprijs enerzijds en de wisselende opvattingen binnen de spraakmakende gemeente anderzijds, was er geen stabiel klimaat waarbinnen kernenergie kon gedijen, oordeelde hij.

Wim Turkenburg denkt echter dat binnen het hele krachtenspel het PZEM-besluit om voor Borssele in zee te gaan met Siemens een gevoelige klap is geweest. "Die is de industrie nooit meer te boven gekomen." Het ongeluk in Tsjernobyl is de genadeklap. Achteraf is die Zeeuwse keuze helemaal niet zo gek gebleken. Siemens zat met haar offerte ver onder de marktprijs; Borssele werd de eerste buitenlandse order voor het consortium. De PZEM nam toen ook nog een optie voor een tweede centrale maar die is nooit in een bestelling omgezet.

Tenminste, tot nu toe dan. Maar Turkenburg betwijfelt of Borssele II nu wel van de grond komt. "De voorbereidingen worden getroffen, vergunningsaanvragen ingediend, maar het echte besluit valt pas over een jaar of vijf. Dan moet ook de financiering rond zijn. Voor de centrale die men op het oog heeft, 1600 megawatt, moet je zeker op 4 à 5, maar wellicht zelfs 7 à 8 miljard euro rekenen. Banken vinden het een risicovolle investering, dus die tweede centrale is er nog lang niet."

Het gaat überhaupt niet zo goed met kernenergie, zegt Kees Andriesse, oud-medewerker van de Kema en auteur van 'De republiek der kerngeleerden' (over de geschiedenis van het RCN). "Wereldwijd is het niet geworden wat ervan verwacht werd." Veel factoren die het succes van kernenergie in de weg hebben gezeten, speelden ook elders, zegt hij. Ieder land weifelde met zijn energiepolitiek omdat de olieprijs zo schommelde. Kernenergie is altijd en overal een financieel linke optie geweest. "Zelfs de antikernenergiebeweging is niet typisch Nederlands."

Daarnaast zit er iets in onze volksaard waardoor het hier bijzonder slecht ging, zegt Andriesse. "Wij Nederlanders kunnen slecht samenwerken. Dat particularisme zit er al eeuwenlang in. Al die projecten zijn daarop stukgelopen. De Zeeuwen die doodleuk een Duitse centrale kopen. De Kema die blijft investeren in de suspensiereactor terwijl iedereen roept dat ze daar beter mee kunnen stoppen. Zelfs ons enige succesverhaal, de ultracentrifuge in Almelo, werd dat pas nadat we de Duitsers erbij gehaald hadden."

Hij vergelijkt het met de jaren van de wederopbouw. "Nederland lag plat na de oorlog. Er waren meer landen in Europa die alles van de grond af moest opbouwen, maar sociologen hebben wel eens beschreven dat de wederopbouw in Nederland een boekhoudkundige operatie was. Er zat geen durf achter, geen grootse visie. Dat geldt ook voor kernenergie. Om dat van de grond te krijgen heb je bevlogenheid nodig. Die ontbrak."

Dodewaard: In 1979 gepland als een nucleair park: vier reactoren op een schiereilandje. Het bleef bij één reactor. Die werd in 1997 uitgezet. Na acht jaar opruimen en slopen was hij gereed voor 40 jaar insluiting: daarin verliest de centrale 99,5 procent van zijn radioactiviteit en dan is hij makkelijker te slopen. In het gebouw heerst een onwezenlijke rust.Foto © Rob Huibers
In het opslaggebouw van Covra (Centrale Organisatie voor Radioactief Afval) in het Zeeuwse Nieuwdorp ligt onder ronde metalen deksels het meeste afval van de Nederlandse kernreactoren sinds de jaren vijftig. Het blijft meer dan 200.000 jaar dodelijk en niemand heeft daarvoor de afgelopen zestig jaar een oplossing kunnen bedenken. Foto © Rob Huibers
De Pakistaan Abdul Khan verdween 36 jaar geleden mét de geheimen van de ultracentrifuges waarmee Urenco in uranium verrijkt tot brandstof voor kerncentrales. Je kunt er ook atoombommen mee maken. Khan bezorgde Pakistan zijn bom en verpatste zijn kennis voor eigen gewin aan Iran, Libië en Noord-Korea. Dat overkomt Almelo niet weer! De bewaker stuurt na twee maanden twee bruikbare foto's na. Foto © Rob Huibers
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden