Nederland verrommelt

Nederland wordt een rommeltje. Er is te weinig aandacht voor de openbare ruimte. Met deze waarschuwing neemt directeur Aaron Betsky afscheid van het Nederlands Architectuurinstituut.

Het uitzicht op Rotterdam, vanuit zijn kamer op de vijfde etage van het Nederlands Architectuurinstituut (NAi), zal hij missen. Nog even kan directeur Aaron Betsky genieten van de architectonische hoogstandjes die zich aaneenrijgen in het centrum van Rotterdam, zoals de Kunsthal van Rem Koolhaas, de Erasmusbrug van Ben van Berkel, de spiegelglazen Nationale Nederlanden-torens van Abe Bonnema, en natuurlijk het half in water liggende NAi zelf, van Jo Coenen.

Komende maand vertrekt Betsky naar Ohio in de Verenigde Staten, waar hij directeur wordt van het Cincinatti Art Museum voor beeldende en toegepaste kunst. Daar zal hij in zijn werkkamer uitkijken op een ’echte Cézanne’, vertelt hij. Ook niet verkeerd, maar wel iets heel anders dan de architectuur van Rotterdam.

Het lijkt nogal een overstap, van de architectuur naar een kunstmuseum. Maar Betsky (1958) legt uit dat hij architectuur altijd heeft beschouwd als onderdeel van de visuele cultuur. „Architectuur wordt vaak gezien als een verzameling gebouwen, maar het is veel breder. Ook hier in Rotterdam heb ik altijd willen laten zien dat architectuur ook te maken heeft met de sociale verhoudingen, cultuur en geschiedenis van een land.”

Zijn vertrek komt voor hemzelf aan de vroege kant, maar het aanbod was te mooi om te laten lopen. Bij het NAi was hij nog lang niet uitgekeken. Zo werd vorige maand een dependance van het instituut in Maastricht geopend, dat hij graag had willen helpen opbouwen. Ook mist hij de verdere voorbereidingen voor een grote Le Corbusier-expositie, die in maart 2007 wordt geopend en die daarna naar andere steden in Europa zal reizen. Wel zal hij in Cincinatti nog veel te maken krijgen met architecten, omdat het museum voor een grote uitbreiding staat. Daarnaast zal hij ook blijven schrijven over architectuur en doceren aan de universiteit van Michigan.

Betsky studeerde architectuur in zijn geboorteland, Amerika. Van zijn vierde tot zijn achttiende woonde hij in Nederland, waar zijn hartstocht voor de bouwkunst werd gewekt. Als architect heeft Betsky nooit naam gemaakt, wel als architectuurdocent en -criticus. Voor zijn komst naar Nederland was Betsky curator voor architectuur en design bij het Museum of Modern Art in San Francisco. Zijn belangrijkste reden, vijf jaar geleden, om naar Nederland te komen, was het hoge niveau van de architectuur in Nederland. Internationaal gezien staat Nederland nog steeds aan de top, benadrukt Betsky, ondanks de afgelopen magere jaren. „De slechte economie en de bouwfraude, maar ook de moord op Pim Fortuyn en de aanslagen van 11 september hebben niet bijdragen aan een gunstig klimaat voor de architectuur. We zien dat ook aan de inzendingen voor de NAi-prijs voor architectuur van jonge architecten tot 40 jaar. Dat aantal is teruggelopen van 150 naar tachtig.”

„De afgelopen jaren was er ook een trend om vooral zo veel en zo snel mogelijk te bouwen, wat minder mooie en geslaagde gebouwen heeft opgeleverd. Het gebouw de Coopvaert in Rotterdam van architect Cees Dam is daar een voorbeeld van, terwijl Dam toch een architect is die heel mooie dingen kan ontwerpen. Wat me ook stoort, is dat gebouwen zomaar even worden neergezet zonder enige verbinding met de straat en de omgeving, alsof het dozen zijn.”

Ronduit zorgwekkend vindt Betsky het gebrek aan aandacht voor de openbare ruimte. Volgens hem worden op alle niveaus de gevolgen zichtbaar van een ontbreken van centrale regie. „De overheid heeft te veel zaken losgelaten die niet overgelaten kunnen worden aan lagere overheden of de markt. De gevolgen zien we bijvoorbeeld op het platteland, dat dichtslibt met woonwijken en bedrijvenparken. Waar voorheen groen was, worden rijtjeshuizen met tuinen gebouwd. Wederopbouwwijken worden gesloopt en parken worden hier tegenwoordig slechter onderhouden dan in Oost-Europa.”

„Ik zie het ook in mijn eigen woonomgeving. Ik woon in Prins Alexander, een Rotterdamse nieuwbouwwijk waar ik bewust ben gaan wonen, omdat ik daar een mooi groot huis kon kopen, met een park om de hoek, een winkelcentrum en een metro- en treinstation. Als de openbare ruimte niet meer goed wordt onderhouden, slaat de verloedering toe. De verrommeling van stad en land is echt schrikbarend. Je ziet die achteruitgang ook pijnlijk duidelijk bij een bedrijf als de Nederlandse Spoorwegen. Voordat het verzelfstandigd werd, had het veel sterke punten, zoals de dichtheid van het net en de grafische vormgeving.”

Wat Betsky ook een doorn in het oog is, is dat de horeca in Nederland nog steeds niet rookvrij is. „Als ik lekker wil eten, en dat kan in Nederland helaas meestal alleen in chique restaurants, zie ik vaak iemand een dikke sigaar opsteken. Dan wil ik liefst meteen weg. Dankzij de horecalobby kan dat allemaal, maar de overheid had gewoon voet bij stuk moeten houden en alle openbare ruimten rookvrij moeten verklaren. In Amerika is dat een stuk beter geregeld.”

Gelukkig constateert Betsky ook hoopvolle signalen. „Zo wil het Rotterdamse college van burgemeester en wethouders serieus werk maken van het aanpakken van de openbare ruimte. De bestuurders snappen dat je er niet bent met alleen het neerzetten van mooie gebouwen.”

Om de stad leefbaarder te maken en een menselijke schaal te geven, moeten volgens hem de ’plinten’ van grote gebouwen beter worden benut. Hetzelfde geldt voor andere plekken in de stad die nu naargeestig en doods zijn, zeker in de avonduren. Eén van de meest geslaagde voorbeelden vindt Betsky nog altijd het skatepark dat zes jaar geleden werd aangelegd in de middenberm van de Westblaak, een drukke verkeersweg in het centrum van Rotterdam.

Ook is Betsky opvallend positief over Vinex-wijken als Leidsche Rijn en Ypenburg. „Als ik buitenlanders op bezoek krijg die voorbeelden willen zien van goede Nederlandse ontwerpen, stuur ik ze altijd daarheen.”

Betsky: „Ik stuur bezoekers vaak ook naar de Uithof in Utrecht met zijn juweeltjes van architectuur, zoals de universiteitsbibliotheek van Wiel Arets en de Basketbar van NL Architects, of naar het Scheepvaart- en Transportcollege in Rotterdam van Neutelings Riedijk. De tramtunnel in Den Haag van Rem Koolhaas vind ik ook een geweldige opsteker.”

Dat Nederlanders zelf vaak zeuren over de eentonige en saaie Vinex-locaties vindt Betsky onterecht. „De eerste generatie van deze nieuwbouwwijken was een stuk minder van kwaliteit, dat geef ik toe, maar zelfs de middelmaat hier ligt nog altijd een stuk hoger dan het niveau in andere landen. Dat realiseren veel Nederlanders zich niet. Dit land behoort met zijn architectuur onverminderd tot de wereldtop. Het enige waar Nederlandse architecten misschien nog niet zo goed in zijn, zijn hoogbouw en kantoren. Daar lopen ze nog wat achter, maar ook daar zie ik hoopvolle ontwikkelingen. De woontoren Montevideo van Francine Houben op de Kop van Zuid in Rotterdam vind ik bijvoorbeeld heel goed.”

Wat Betsky ook positief vindt in Nederland, is dat er zoveel wordt gefietst. Zelf fietst hij ook bijna dagelijks van zijn huis in de Alexanderpolder naar het NAi in het centrum van Rotterdam. In Cincinatti moet hij straks hemelsbreed ongeveer dezelfde afstand overbruggen tussen woning en werkplek. Maar er liggen nogal wat heuvels tussen. „Toch ga ik proberen daar te blijven fietsen naar mijn werk, desnoods via een wat minder steile omweg.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden