Nederland verdient slaag!

Dwarsliggende schrijvers van Multatuli tot W.F. Hermans

JAAP GOEDEGEBUURE

Bij de aankleding van de door Berlage gebouwde Beurs aan het Amsterdamse Damrak, ruim een eeuw geleden, was een belangrijke rol weggelegd voor de dichter Albert Verwey, op dat moment een cultuurbobo van belang. Op zijn advies werd aan de gevel een beeld geplaatst van Jan Pieterszoon Coen (1587-1629), gouverneur-generaal van de met list en geweld veroverde Oost-Indische wingewesten.

In Verweys visie steeg Coen ver uit boven de gebruikelijke koopmans- en boekhoudersmentaliteit. "Boven de kleingeestige winstplannen van de hollandse bewindhebbers smadelijk uit", zo heet het in de overwegingen, "midden tussen de verbitterdste haat van Europeanen en de krioelende sluipmoord van de oostersen, schrijdt onvervaard deze begeesterde met zijn brede gebaar, zijn omspannende blik, zijn aanjagende hartstocht en zijn koninklijke overwinningsdrang."

De geciteerde zinnen zijn te vinden in 'De leeuw en zijn hemd', een essay dat Nelleke Noordervliet schreef ter toelichting op het Boekenweekthema 'Gouden tijden, zwarte bladzijden'. Daarbij blijft onvermeld dat Verwey enkele decennia later antwoord kreeg op zijn ronkende loftuitingen bij monde van de 23 jaar jongere Jan Jacob Slauerhoff. Die publiceerde in 1936 een toneelstuk waarin hij, tegen de gangbare verheerlijking van de VOC-mentaliteit in, Coen presenteert als een meedogenloze, machtsbeluste en cynische bruut. Om de prijs van de zeer gewilde kruidnagel op te drijven laat hij oogsten vernietigen; wie zich daartegen verzet wordt afgeslacht. Recht en gerechtigheid worden door hem stelselmatig vertrapt, wat culmineert als hij uit gefrustreerde minnenijd een van zijn officieren tot de strop laat veroordelen.

Bij Slauerhoffs leven werd het drama niet opgevoerd. Toen het in 1948 tijdens het jaarlijkse Boekenbal eindelijk zijn première leek te gaan beleven, werd dat te elfder ure verboden door de Amsterdamse burgemeester D'Ailly. Met het oog op de politieke situatie in Indonesië, dat zich op dat moment probeerde los te maken van Nederland, en de militaire actie die daartegen werd ondernomen, vond hij het stuk te controversieel. Het zou de critici van het Nederlandse beleid maar in de kaart spelen.

In 1961 werd 'Coen' andermaal door censuur getroffen. Vanwege de spanningen rond Nieuw-Guinea, het laatste stukje Oost-Indië dat ons door de Indonesische president Soekarno werd betwist, ontraadde D'Ailly's opvolger Van Hall de geplande opvoering. Die vond toen in besloten kring plaats. Pas in 1969 kon het Nederlandse publiek er dankzij een televisieregistratie kennis van nemen.

Door zo hardhandig Coens reputatie aan te tasten schaarde Slauerhoff zich bij schrijvers die kritische vragen stelden bij al het groots dat ons land in zijn koloniën zei te verrichten. In dat gezelschap dwarsliggers en nestbevuilers is de centrale plaats altijd nog gereserveerd voor Eduard Douwes Dekker. Nadat die er in zijn hoedanigheid van klokkenluidende ambtenaar niet in geslaagd was het bevoegde gezag tot actie te bewegen, schreef hij onder het pseudoniem Multatuli zijn roman 'Max Havelaar' (1860). Daarin deed hij een rechtstreeks beroep op koning Willem III om een einde te maken aan het uitzuigen van de Javaanse boeren, die gedwongen werden voor een schamele fooi producten te verbouwen waarvan de winst werd opgestreken door de Nederlandse Handelsmaatschappij, en die bovendien door hun eigen vorsten werden afgeperst. Aan deze misstanden kon gemakkelijk een einde worden gemaakt als men hem, Eduard Douwes Dekker, benoemde tot weldoend vorst van Insulinde.

In 1908 zou E.F.E. Douwes Dekker de fakkel van zijn oud-oom overnemen met 'Het boek van Siman den Javaan', de eerste Nederlandse roman waarin een zogenaamde inlander mag optreden als hoofdpersoon. De uitbuiting van de Indonesische bevolking werd er met nog meer cijfers en documenten gestaafd dan Multatuli had gedaan. Gealarmeerde Tweede-Kamerleden slaagden erin de verantwoordelijk minister tot maatregelen te bewegen.

'Siman den Javaan' werd naderhand herdrukt dankzij de inspanningen van E. du Perron, opgegroeid als het verwende zoontje van een rijke planter, maar als volwassen auteur ervan overtuigd geraakt dat de koloniale overheersing van Indonesië een groot onrecht was. Na een Europees verblijf van zeventien jaar keerde hij in 1936 terug naar zijn land van herkomst en sloot er niet alleen vriendschap met jonge Indonesische nationalisten, maar diende hun belangen ook met zijn vlijmscherpe pen, tot woede van de blanke kolonialen.

Toen de opstand tegen onze aanwezigheid in de Oost in 1945 daadwerkelijk begon en gewapenderhand werd bestreden, schreef Lucebert zijn poëtische 'Minnebrief aan onze gemartelde bruid Indonesia', een gedicht dat even fel eindigt als Multatuli's 'Max Havelaar': "ik ben de bruidegom zoete boeroeboedoer / hoeveel wreekt de bruidegom de bruid / als op java plassen bloed zij stuiptrekt / uitbuiters hun buit haar ogen oesters inslaan en uitzuigen?"

Wanneer na veel onnodige doden en onder Amerikaanse druk de oude wingewesten zelfbestuur hebben gekregen, keren de Nederlandse militairen huiswaarts, diep gefrustreerd vanwege hun zinloze missie. In zijn roman 'Ik heb altijd gelijk' (1951) laat W.F. Hermans een van hen aan het woord: "Een heel leger zit op Java om Soekarno te halen. Djokja wordt veroverd, Soekarno gepakt. En dan zegt de regering: Ophouden! Terugtrekken! Naar huis gaan! Soekarno loslaten! De generaal pleegt zelfmoord van ellende, maar dat heeft in Nederland niet in de kranten gestaan! Niemand weet iets! En wij naar huis! Vijf jaar op je buik getrapt door de Duitsers. En dan nog eventjes Soekarno halen! Je bent te oud geworden voor alles, nergens hebben ze je nodig. Er zijn tien miljoen Nederlanders. Hoeveel miljoen te veel?"

De vraag waarmee deze tirade eindigt loopt uit op de beruchte scheldpartij tegen de katholieken die zich voortplanten 'als konijnen, ratten, vlooien, luizen', en er niet over piekeren te emigreren. "Die blijven wel zitten in Brabant en Limburg met puisten op hun wangen en rotte kiezen van het ouwels vreten!" Hermans kreeg er een proces wegens belediging van een volksgroep voor aan zijn broek, en kwam alleen onder een veroordeling uit omdat hij de gewraakte woorden in de mond van een personage had gelegd. Dat hij zelf niet wezenlijk anders dacht, kan blijken uit publicaties waarin hij onder eigen naam fulmineert tegen de kinderbijslag, volgens hem een roomse truc om via ongebreidelde aanwas van de katholieke populatie Nederland niet alleen getalsmatig maar ook politiek te domineren.

Het is geen toeval dat Hermans later een biografie over medenestbevuiler Multatuli zou schrijven. Hij voelde zich maar al te zeer zielsverwant en lotgenoot van Douwes Dekker, die ooit schreef dat Nederland slaag verdiende, maar dat de ruggen zo hard waren dat de zweep er van kermde.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden