De kom-lezing

Nederland verandert, en dus de Dodenherdenking ook?

Dodenherdenking op 4 mei op de Dam Beeld anp

Voor 'zwartharige Nederlanders' hoort hij bij de machtige meerderheid, zelf ziet de Joodse schrijver/journalist Robert Vuijsje vanuit zijn woonkamer in Amsterdam elke dag een politiehuisje ter bescherming van mensen als hij.

Op 3 mei van dit jaar was ik een van de sprekers op de Dag van de Empathie. Voorafgaand aan 4 en ook 5 mei wordt dit sympathieke initiatief ieder jaar georganiseerd door de al even sympathieke Jerry Afriyie, tevens bekend onder de artiestennaam Kno'Ledge Cesare. In de geest van de empathie waren de sprekers van diverse afkomsten. En in het publiek waren alle kleuren vertegenwoordigd die in een stad als Amsterdam te vinden zijn.

Die avond vertelde ik, net als de andere sprekers, over mijn leven in Nederland. Over hoe ik als kind door het huis liep in een djellaba die mijn vader voor me had meegenomen uit Egypte. En hoe dat volkomen natuurlijk voelde, ook omdat mijn oma, de moeder van mijn moeder, uit Alexandrië komt. Geen moment kwam het als kind bij me op dat het als Jood merkwaardig zou zijn om in een djellaba rond te lopen. Op die manier dacht ik niet en ik kende niemand in Nederland die dat wel deed. Als kind liep ik ook weleens met een keppeltje op over straat, zonder er een seconde bij stil te staan dat het een bepaalde reactie zou kunnen oproepen.

In mijn spreekbeurt stelde ik vast: het is jammer dat Nederland in zekere zin achteruitgang heeft geboekt in plaats van vooruitgang. Je zou denken dat de bewoners van een samenleving dertig jaar later een betere manier hebben gevonden om met elkaar samen te leven. Niet alleen als het gaat om keppeltjes en djellaba's, maar ook op allerlei andere punten. Ik eindigde met het standpunt: empathie bestaat vooral uit het je kunnen inleven in het verhaal van De Ander en niet uit het opeisen van begrip voor je eigen verhaal.

Algemene dag tegen de oorlog

Een van de andere sprekers riep het publiek op om te gaan staan en allemaal elkaars handen vast te houden. We werden één grote multiculturele familie. In het gemengde gezelschap zat nog één andere Joodse spreker: Ido Abram, voormalig bijzonder hoogleraar holocausteducatie aan de Universiteit van Amsterdam. In zijn toespraak legde hij langdurig uit wat de Nederlandse samenleving voor gevolgen ondervond van een gebeurtenis als de Holocaust.

Na de sprekers was het tijd voor de vragen uit het publiek. En toen gebeurde er iets opmerkelijks. Tenminste, Ido Abram en ik merkten het allebei op. Een jongeman uit het publiek stelde voor om 4 mei voortaan geheel los te koppelen van de herdenking van de slachtoffers uit de Tweede Wereldoorlog. De wereld kende zoveel onrecht dat het beter was om 4 mei te gebruiken als een dag tegen oorlog in het algemeen. Op geen ander moment tijdens deze avond kreeg een spreker zoveel bijval. Niet een van de toespraken leidde tot het gejuich dat nu hoorbaar was.

Nationale herdenking van het slavernijverleden in het Amsterdamse Oosterpark Beeld Hollandse Hoogte

Landgenoten

Na afloop zeiden Ido Abram en ik tegen elkaar: dus we zijn hier op de Dag van de Empathie, die bedoeld is om naar elkaar te luisteren en de verhalen van De Ander voor één keer ook echt te horen, allebei hebben we uitgebreid verteld wat 4 mei voor ons betekent en waarom we de Dodenherdenking zo waardevol vinden - en uitgerekend op deze dag maken onze landgenoten hier massaal duidelijk hoe weinig empathie ze daarvoor kunnen opbrengen?

Ik stelde Ido Abram de vraag: wat als ik in deze zaal, nu we toch bezig waren, had gesteld dat 1 juli niet langer de dag moet zijn waarop de slavernij in de Nederlandse kolonieën wordt herdacht? In de wereld is zoveel onrecht en moderne slavernij, waarom zouden we de herdenking beperken tot slechts één onderdeel daarvan? Natuurlijk zou ik nooit zo'n mal voorstel doen, en al helemaal niet op de Dag van de Empathie, maar ik zag een patroon dat ik al langer meende waar te nemen in wat ik voor nu 'de antiracismebeweging' zal noemen. Daarin is ruimte voor een select gezelschap aan minderheden.

Bescherming

In mijn eigen beleving ben ik iemand die is geboren in een land waar vijfentwintig jaar eerder iedereen met mijn afkomst werd afgevoerd om vermoord te worden. Met behulp van de complete infrastructuur die ons land rijk is. Uit het raam van mijn woonkamer in de Amsterdamse wijk Buitenveldert zie ik iedere dag een politiehuisje. Wanneer mijn kinderen 's ochtends naar hun openbare school in Amsterdam-Zuid gaan, passeren ze een tweede politiehuisje. Dit ter bescherming van de agressie tegen mensen zoals zij. Als mijn moeder op vrijdag naar haar kerk gaat, of naar iedere andere bijeenkomst van mensen zoals zij, dan staan daar zwaar bewapende mannen voor de deur.

In mijn beleving voelen veel Joden in ons land zich verbonden met andere Nederlandse minderheden. Alleen doen ze dat in de wetenschap dat die verbondenheid omgekeerd niet zo wordt gevoeld. Wij zijn down met de homies, alleen zijn de homies niet altijd down met ons.

Voor de Volkskrant voer ik iedere week een gesprek met een Nederlander die ook nog een andere afkomst heeft. Inmiddels zijn het er meer dan honderd. Met enige regelmaat gaan die gesprekken over de discriminatie en uitsluiting die mijn gesprekspartners in Nederland ondervinden. Nadat ze daar een uur over hebben verteld, zeg ik weleens dat ik me er iets bij kan voorstellen, vanuit mijn eigen achtergrond.

Witte Hollanders

Zonder uitzondering kijken deze zwartharige Nederlanders me dan stomverbaasd aan en maken ze duidelijk: maar je dacht toch niet dat jij bij ons mag horen? Wij zijn minderheden, jij hoort bij de meerderheid. Niet alleen hoor ik in hun ogen bij de meerderheid, vaak noemen ze ook voorbeelden waaruit moet blijken dat mensen zoals ik de machtigste van het land zijn. Mijn gesprekspartners in de Volkskrant hadden vaak een scherp oog voor detail ontwikkeld als het ging om hun eigen behandeling, waarvoor ze (terecht) inlevingsvermogen opeisten van witte Hollanders. Tegelijk zagen ze niet hoe primitief de antisemitische vooroordelen waren die ze vanzelfsprekend vonden.

Maar jij komt toch uit een familie van miljonairs en voor jou zijn achter de schermen toch geheime netwerken waarin allemaal dingen voor je worden geregeld? - alle vooroordelen heb ik meerdere keren gehoord. Net zoals de natuurlijke verbinding die wordt gemaakt tussen de gecompliceerde situatie in Israël en hoe Joden in Nederland tegemoet worden getreden. Want ik begrijp toch wel dat de woede die mensen hier voelen over de positie van Palestijnen op organische en logische wijze is verbonden aan hoe zij naar Nederlandse Joden kijken?

Anton de Kom

De vraag die ik wil stellen, luidt: hoe zou Anton de Kom hiernaar kijken? In 1944 werd hij door zijn verzetswerk afgevoerd uit Nederland. Het jaar erna overleed hij in een concentratiekamp bij Neuengamme. In het Nederland dat hij kende werden mensen zoals ik, net zoals Anton de Kom uiteindelijk overkwam, naar concentratiekampen gebracht om te sterven.

Anton de Kom kende de vooroordelen uit de Tweede Wereldoorlog. Joden zouden rijk en machtig zijn. Je zou denken dat proefondervindelijk duidelijk is geworden dat deze vooroordelen niet op waarheid berusten. Bevolkingsgroepen die achter de schermen alle macht in handen hebben, kennen meestal niet als eigenschap dat ze massaal worden afgevoerd om te worden vermoord.

Hoe zou Anton de Kom kijken naar het fenomeen dat deze zelfde bevolkingsgroep in hetzelfde land slechts zeventig jaar later nog steeds op dezelfde manier wordt gezien? Een bevolkingsgroep die op geen enkele manier zou horen bij de andere zwartharige minderheden, maar juist bij de Hollanders van wie ze tijdens De Koms leven zo duidelijk werden afgescheiden?

Zou Anton de Kom verbaasd zijn om te horen dat 'Joden' tegenwoordig een van de meest populaire scheldwoorden is om Nederlandse politieagenten mee aan te duiden? De politie van wie hij zoveel leden zo efficiënt en fanatiek had zien meewerken aan het arresteren van deze zelfde Joden? Hoe zou Anton de Kom kijken naar een zaal vol Nederlanders die dolenthousiast reageerden op de mogelijke afschaffing van het herdenken van de oorlog waarin hij stierf?

De zwartharige Nederlanders aan wie ik deze vragen stelde, zeiden: natuurlijk zou Anton de Kom zich in deze tijd inzetten voor de minderheden die het nu moeilijk hebben - en daar horen Joden niet bij. Waar ik hem zag als een verzetsstrijder die door zijn geschiedenis op dezelfde manier naar Nederland zou kijken als ik, daar zagen zij een Anton de Kom die zich had aangepast aan de huidige tijd. En daarin speelde de Tweede Wereldoorlog geen grote rol voor mensen die eruit zagen zoals Anton de Kom.

Schmink en afro-pruik

En daarmee kom ik uit bij de vraag die ik echt wil stellen. Eerder dit jaar heb ik een boek gepubliceerd dat 'Kaaskoppen' heet. In dat boek maak ik bijna driehonderd pagina's lang duidelijk: de bevolking van Nederland is veranderd, of we dat nu leuk vinden of niet, en daar horen aanpassingen bij. In een land met bijna een miljoen nakomelingen van de Nederlandse slavernij is het niet meer passend om jaarlijks drie weken lang in zwarte schmink en een afro-pruik over de straten te paraderen. In een land met bijna een miljoen moslims is het wellicht logisch om een van de christelijke feestdagen in te wisselen voor een vrije dag met het Suikerfeest.

Dit zijn aanpassingen waar ik geen seconde van wakker zou liggen. Maar wat nu als we deze redenering zouden doortrekken naar iets wat mij wel persoonlijk raakt? Naar de stelling: Nederland is zodanig veranderd dat een groot deel van de bevolking geen gevoel meer heeft bij de Dodenherdenking van 4 mei. Dat kan bijvoorbeeld gelden voor de Nederlanders van wie de voorouders tijdens de Tweede Wereldoorlog hier nog niet woonden. Die hele oorlog is niet het verhaal van hun voorouders, de enige plek waar ze er ooit over hebben gehoord is op school. Ik denk zelfs dat veel zwartharige Nederlanders het zo zien: de grote rol die de Tweede Wereldoorlog inneemt in Nederland is alleen maar een benadrukking van het marginaliseren van hun eigen geschiedenis. Wat volgens mij een oplossing zou zijn: niet minder aandacht besteden aan de Tweede Wereldoorlog, maar meer aandacht voor de geschiedenissen in de Nederlandse koloniën, van zowel de West-Indische Compagnie als de Vereenigde Oostindische Compagnie.

Volgens mijn eigen redenering zou de herdenking op 4 mei dus moeten worden aangepast. Dat is een stuk moeilijker als het gaat om je eigen particuliere dingetje waar je zoveel waarde aan hecht. Zou ik niet mijn persoonlijke gekwetstheid opzij moeten zetten wanneer een zaal vol mensen juicht voor het afschaffen van de herdenking van de oorlog waarin mijn halve familie is uitgemoord? Zou ik me niet meer moeten verdiepen in de vraag waarom zij daar zo hard voor juichen? Of benader ik ze dan met een empathie zoals zij die niet voor mij kunnen opbrengen?

Het probleem met dit soort vragen is dat er geen eenduidig antwoord op bestaat. Wat zou De Kom denken? Ik weet het niet. Niemand weet het. Wat ik wel weet: ik hoor niet bij de mensen die pretenderen dat ze precies weten hoe het zit. De mensen die beweren: mijn zienswijze is de enige juiste en alles wat daarvan afwijkt is niet correct. Dat vind ik enge mensen. En ik hoop en denk dat De Kom dat ook zou vinden.

Dit is de ingekorte versie van de Anton de Kom-lezing, die Robert Vuijsje gisteren hield in het Verzetsmuseum in Amsterdam. De lezing is een initiatief van het Verzetsmuseum en Trouw.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden