Nederland moet voorbeeld nemen aan Duits kiesstelsel

Onlangs heeft de partijraad van het CDA ingestemd met een notitie over bestuurlijke vernieuwing, waarin onder meer wordt gepleit voor een nieuw kiesstelsel voor de Tweede Kamer. De 150 zetels zouden voor de helft moeten worden gekozen volgens het stelsel van evenredige vertegenwoordiging, zoals nu voor alle zetels gebeurt.

Dat betekent dat een zetel behaald wordt door wie 1/75ste (nu nog: 1/150ste) van de geldig uitgebrachte stemmen weet te behalen. De andere helft van de 150 zetels zou moeten worden gekozen in een beperkt aantal kiesdistricten (gesproken is wel over vier à vijf). De achterliggende gedachte is dat aldus de band tussen kiezer en gekozene kan worden verstevigd.

In het voorstel van het CDA wordt gekozen voor een beperkt aantal kiesdistricten omdat het CDA de pluriformiteit wil waarborgen. Anders gezegd: binnen elk district moeten ook relatief kleine partijen nog in staat kunnen zijn om een zetel te behalen. Dat kan als Nederland zou worden verdeeld in bijvoorbeeld vijf kiesdistricten, in elk waarvan dan vijftien zetels zijn te verdelen. Als ook binnen een kiesdistrict het stelsel van de evenredige vertegenwoordiging wordt gehandhaafd, zoals bet CDA wil, krijgt dus elke partij een zetel die in dat district 1/15de van de stemmen behaalt. Daardoor zullen splinterpartijen verdwijnen, maar kunnen partijen als de SP en de ChristenUnie overeind blijven.

Tegen dit 'gemengde' kiesstelsel hebben Rudmer de Vries en Gerthein Boersma zich gekeerd (Podium, 18 mei). Zij stellen dat het voorgestelde kiesstelsel 'op zijn minst origineel genoemd kan worden'. Toch is het niet zo origineel als het wellicht lijkt. Het Duitse kiesstelsel lijkt er sterk op (net als trouwens het huidige Nieuw-Zeelandse). De helft van de Bondsdag (de Duitse Tweede Kamer) wordt gekozen volgens evenredige vertegenwoordiging, de andere helft in kiesdistricten, in elk waarvan één parlementszetel is te behalen. De kiezer mag twee stemmen uitbrengen: één op een landelijke lijst en één op een individuele kandidaat in zijn kiesdistrict.

Voor ons land zou een dergelijk stelsel betekenen dat Nederland wordt verdeeld in 75 kiesdistricten, in elk waarvan één kamerlid wordt gekozen. De overige 75 kamerleden worden, net als nu alle 150, gekozen door middel van evenredige vertegenwoordiging. Het voordeel van een dergelijk stelsel is dat de kiesdistricten tamelijk klein zijn en dat de kans dat de kiezer de kandidaten daar kent of leert kennen derhalve groot is.

In Duitsland geldt in elk kiesdistrict afzonderlijk een meerderheidsstelsel. Gekozen is die kandidaat die relatief de meeste stemmen haalt. Als een socialist 40 procent van de stemmen haalt, een christen-democraat dertig en een liberaal eveneens dertig, gaat de zetel naar de socialist, hoewel hij geen absolute meerderheid aan stemmen heeft gehaald. De evenredigheid is hier dus zoek. Als alle parlementszetels volgens dit kiesstelsel zouden worden verdeeld (zoals bijvoorbeeld in het Verenigd Koninkrijk), kunnen er landelijk gekke dingen gebeuren. Een partij die in elk district als grootste uit de bus komt met 40 procent van de stemmen, krijgt dus landelijk alle zetels, hoewel zij maar een minderheid (40 procent) van de kiezers achter zich heeft staan.

Om landelijk toch evenredigheid te bereiken, heeft Duitsland ervoor gekozen om de uitslag van de 'lijstenverkiezingen' volgens evenredige vertegenwoordiging aan te houden bij de verdeling van het totaal aantal zetels. Stel dat een partij landelijk bij de verkiezingen volgens evenredige vertegenwoordiging 40 procent van de stemmen behaalt, dan krijgt die partij ook (ongeveer) 40 procent van de zetels. Aan die partij worden dan eerst alle zetels toegekend die zij in de afzonderlijke districten heeft behaald. Als een partij recht heeft op meer zetels dan zij in de districten heeft behaald, gaan die overige zetels naar kandidaten die op de landelijke lijst stonden. Zo is het totaal aantal zetels per partij in overeenstemming met de evenredige vertegenwoordiging en kan elke kiezer tevens een stem uitbrengen op iemand in en uit zijn eigen regio.

Nederland hoeft, anders dan Duitsland, geen kiesdrempel te hanteren. Elke partij die bij het stelsel volgens evenredige vertegenwoordiging 1/75ste van de stemmen behaalt, krijgt een zetel. Elke zetel die in een kiesdistrict wordt gewonnen, blijft behouden, ook al zou een bepaalde partij slechts in één kiesdistrict winnen, maar landelijk niet 1/75ste van de stemmen halen. (Resultaat is wel dat de Tweede Kamer in sommige gevallen kan bestaan uit meer dan 150 zetels.)

Per saldo zou de band tussen kiezer en gekozene worden versterkt, zonder dat kleine politieke partijen worden weggevaagd.

Dat partijen zelf regionale bekendheden zouden moeten kandideren is een mooi streven, maar praktisch nauwelijks haalbaar, tenzij zij daartoe als het ware verplicht zijn, omdat nu eenmaal in elk district een kandidaat moet worden gesteld.

Het CDA heeft een goed, zij het niet bijster origineel idee, maar moet een stap verder zetten. Voor de band tussen kiezer en gekozene zijn 75 kiesdistricten beter dan vijf, mits de landelijke evenredigheid behouden blijft en daardoor de pluriformiteit.

Mr. J.L.W. Zuijdwijk is universitair docent staats- en bestuursrecht aan de Vrije Universiteit

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden