Nederland maakt op Biennale in Venetië goede indruk met jonge kunstenaars

VENETIE - Lag het aan de ellenlange smeekbede van organisator Jean Clair aan de Italiaanse premier Dini dat het komende weekeinde dan toch nog de Biennale van Venetië geopend kan worden? Nog slechts enkele weken geleden meldde Clair aan iedereen die het maar wilde weten, dat hij van de Venetiaanse overheid zoveel tegenwerking kreeg, dat hij er spoedig mee zou stoppen of op zijn minst een deel van de tentoonstelling zou afgelasten. Met name ondervond hij de zegeningen van de Italiaanse bureaucratie waar het om herstel en restauratie van de diverse paviljoens in de Giardini ging, het terrein waar gewoontegetrouw de meeste exposities en landenpresentaties worden gehouden. Wie er nu gaat kijken - vanaf zaterdag gaat de Biennale voor het publiek open - ziet een trits van nieuwe of opgeknapte tentoonstellingsgebouwen, waar de mortel en de witte verf nog behoorlijk nat zijn.

In wat toch een bijzonder feestelijke zomer moet worden, bestaat de Biennale precies een eeuw. Hoewel zij in de regel om de twee jaar wordt gehouden (door organisatorisch gekrakeel wordt wel eens een jaar langer gewacht), is dit toch pas de 46ste versie. Oorlogsgeweld van 1916-'18 en 1944-'46, alsmede het ook in Italië zo violente studentenprotest van 1968 hebben er toe geleid dat in dit jubileumjaar niet precies de vijftigste editie gehouden kon worden. Anders dan in voorgaande jaren staat de Biennale bewust niet in het teken van de vooruitgang in de kunst. Dat ligt enerzijds aan het feit dat het eeuwfeest natuurlijk moest worden aangegrepen voor een terugblik, anderzijds voerde Jean Clair, de eerste Franse en eerste buitenlandse organisator in dienst van het Biennale-bestuur, een aantal maatregelen door om de manifestatie een minder actueel gehalte te geven. Er moet dit jaar eerst en vooral worden teruggeblikt, wat door middel van een monstergrote expositie, verdeeld over verschillende paleizen en paviljoens, mocht plaatshebben.

Maar het retrospectieve karakter van deze Biennale ligt vooral aan het feit dat er voor het eerst geen bijzondere aandacht voor jonge kunstenaars is. In 1980 werd aan de toenmalige gastconservator Harald Szeemann gevraagd om een presentatie van jonge kunst te maken, een sindsdien altijd nagevolgd initiatief, dat onder de naam Aperto ('Open') een bekende klank heeft gekregen. Beroemd geworden kunstenaars als Jeff Koons en Keith Haring maakten destijds in de Zoutopslag of de Touwslagerij hun debuut voor een internationaal publiek. Officieel heet het nu dat Clair, die in het dagelijks leven directeur van het Picasso Museum in Parijs is, te weinig tijd had om de zijns inziens veel te grote Touwslagerij (Corderie) met voldoende kwaliteit te vullen. Maar bekend is ook dat Clair weinig vertrouwen in de actuele kunst heeft. Hij vond de door Szeemann uitgewerkte formule bovendien niet zo goed meer van pas komen in een tijd dat er naar zijn idee helemaal geen nieuwe kunst meer wordt gemaakt. Dat die er natuurlijk toch is, ligt niet aan Clair, maar aan verschillende landen die jongeren selecteerden met het oog op hun bijdrage van actuele kunst.

Zo maakte Nederland bijvoorbeeld een bijzonder goede indruk door drie jonge mensen te kiezen die, op één uitzondering na, zelfs in eigen land alleen nog maar bij het avant-garde-publiek bekend zijn. Nederland dankt die keus aan de Belg Chris Dercon, thans nog directeur van het centrum voor beeldende kunst Witte de With en volgend jaar van Museum Boymans-van Beuningen, beide in Rotterdam. Dercon koos naast de schilderes Marlene Dumas de twee ruimtelijk werkende kunstenaressen Maria Roosen en Marijke van Warmerdam. Dercons keus voor jonge kunstenaars wordt door zijn Belgische landgenoten gedeeld: daar mochten de Walen dit jaar hun oog laten vallen op de sculpturen van Didier Vermeiren.

Maar de meeste landen grijpen een internationale presentatie als de Biennnale toch aan om hun nationale paradepaardjes op te laten draven. Hoe bekender een naam - ook in het buitenland - klinkt, des te groter is de kans dat hij wordt uitgezonden. Zo ontruimde Frankrijk zijn kleine paviljoen om er beeldhouwer César de gelegenheid te gven zijn in elkaar geperste autowrakken op te stapelen (een vondst die hij sinds de Zero-kunst van de jaren '70 eindeloos blijft herhalen), brengt Griekenland weer eens de evenwichtskunstenaars Takis, zie je bij Engeland de nu wel heel erg ouderwets geworden schilder Léon Kossoff, en nam Polen cijferschilder Roman Opalka mee. Zo wordt de 46ste Biennale aangegrepen om reputaties te bevestigen en te onderhouden, die van de Biennale zelf niet in het minst.

Nog meer dan in voorgaande jaren moet de Biennale-bezoeker het hebben van het 'bij-programma', de exposities in de marge van de manifestatie. Die zijn door de hele stad verspreid en bestaan, zoals de vele voetgangers langs het Canal Grande al kunnen zien, voor een belangrijk deel uit buitenbeelden. Op plaasten die van zichzelf toch al markant waren, staan nu huizenhoge sculpturen van Marek dit Suvero, als signalen die de bezoeker naar het Biennale-terrein moeten loodsen. Meer dan uitroeptekens te zijn, willen ze vragen stellen over het hoe en waarom van deze manifestatie. Die heeft als thema het gegeven 'identiteit en eigenheid' meegekregen. Toepasselijker had dat dit keer niet kunnen zijn.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden