Nederland is een ontwikkelingsland op het gebied van registratie van beroepsziekten

Vroeger was het loodvergiftiging, asbestose, silicose en kruipknieën, tegenwoordig is het kappers-eczeem, bakkers-allergie en 'burnout'. Oude en nieuwe beroepsziekten wisselen elkaar af; vandaag het slot van een serie waarin mensen vertelden over hun werk én hun klachten.

GONNY TEN HAAFT

“Wat betreft de signalering van beroepsziekten is Nederland een ontwikkelingsland”, stelt G. van der Laan van het Nederlands centrum voor beroepsziekten, gehuisvest in het AMC-ziekenhuis te Amsterdam. Hij toont de 'Europese lijst van beroepsziekten', een aanbeveling uit 1990 van de Europese commissie aan de lidstaten over de preventie en compensatie van beroepsziekten. Een lange lijst, die zich voor de leek maar moeilijk laat lezen.

Soms worden concrete ziekten genoemd zoals tetanus en staar, maar vaker gaat het om namen van stoffen die mogelijk tot ziekte leiden. Roet en teer bijvoorbeeld - bekende veroorzakers van huidziekten - maar ook ruwe paraffine, houtstof en mangaan. In opdracht van het ministerie van sociale zaken en werkgelegenheid doet het centrum voor beroepsziekten nu mee aan een Europees project waarin van dertig ziekten de criteria worden geformuleerd die voor de registratie als beroepsziekte bepalend zijn.

Een belangrijke stap in de goede richting, vindt Van der Laan, hoewel het nog moeilijk is te zeggen wat zo'n betere registratie voor Nederlandse werknemers zal betekenen. Van belang is ook de houding van Nederlandse artsen, die volgens Van der Laan nog te weinig op de opsporing van beroepsziekten gericht zijn. In Denemarken bijvoorbeeld kunnen artsen voor de opleiding van beroepsziekte-specialist kiezen en in Duitsland en alle Scandinavische landen zijn speciale beroepsziekten-klinieken. Nederlandse bedrijfsartsen die zo'n buitenlandse kliniek bezoeken, worden volgens Van der Laan pas daar geconfronteerd met de hoge know-how.

Bij het ministerie van sociale zaken geven ze het intussen eerlijk toe: vergeleken met het buitenland stelt de registratie van beroepsziekten hier hoegenaamd niets voor. Op grond van buitenlandse studies, vertelt drs. H. Middelplaats van de directie arbeidsomstandigheden, weten we dat tien- tot twintigduizend werknemers een beroepsziekte zouden moeten hebben. Bij de arbeidsinspectie komen echter jaarlijks niet meer dan zo'n 1500 meldingen binnen. Een belangrijke verklaring is dat er geen onderscheid wordt gemaakt naar de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid: een zieke of afgekeurde werknemer krijgt in Nederland niet meer of minder geld als hij (mede) als gevolg van het werk ziek geworden is.

Wettelijk wordt 'beroepsziekte' weliswaar gedefinieerd als “een ziekte of aandoening die in hoofdzaak het gevolg is van arbeid of arbeidsomstandigheden”, maar voor de hoogte van een uitkering maakt het niet uit of klachten veroorzaakt worden door het werk. In alle andere Europese landen bestaat zo'n relatie wel, hetgeen in ieder geval een betere registratie in de hand werkt.

Anderzijds staat Nederland niet voor het immense probleem om hele lijsten en bijborende criteria op te stellen (waar en op grond waarvan leg je een grens?) en is er minder last van medisch-juridisch getouwtrek rond de beoordeling van individuele situaties. Bij Sociale zaken zijn ze weinig jaloers op bijvoorbeeld Duitsland, waar 55 wettelijk erkende beroepsziekten in de zogenaamde Listenkrankheiten zijn omschreven. “O wee als je op zo'n lijst niet voorkomt”, weet Middelplaats, “Psychische aandoeningen staan er bijvoorbeeld niet op, met als gevolg dat relatief veel Duitse werknemers hart- en vaatziekten hebben.”

Iedereen is het er ondertussen wel over eens, dat ook de Nederlandse registratie verbetering behoeft. In de nota 'Heroriëntatie arbobeleid en arbowet' die nu ter advisering aan de Sociaal-Economische Raad is voorgelegd, dringt ook de staatssecretaris daar op aan. Een probleem in de huidige situatie, zo analyseert R. in 't Veld van de directie arbeidsomstandigheden, is dat het formeel de plicht van de werkgever is om beroepsziekten te melden, terwijl het in de praktijk meestal de bedrijfsarts is die dit doet. “Het medisch beroepsgeheim en de privacy vormen daar een belangrijke verklaring voor. Maar meldingen door een bedrijfsarts die de werkgever nooit te zien krijgt, heeft voor maatregelen ter preventie weinig zin.”

Bovendien, voegt Middelplaats toe, is het “opmerkelijk” dat een werkgever aan de arbeidsinspectie meldt, zoals de wet nu voorschrijft. “Dat is hetzelfde als aan de politie vertellen dat je zonder rijbewijs gaat rijden. Werkgevers gaan natuurlijk niet graag te biecht bij een instantie die moet toezien dat de wet wordt nageleefd. Geadviseerd wordt nu dat het Centrum voor beroepsziekten - een neutrale instantie - de plek wordt om te registreren.”

In 't Veld en Middelplaats verwachten veel heil van de arbodiensten, een in potentie “prachtig systeem” waar het buitenland op zijn beurt wel eens jaloers op zou kunnen worden. Arbodiensten hebben niet alleen de bedrijfsgezondheid tot hun taak, maar ook de bedrijfsveiligheid, arbeidshygiëne en 'arbeidsorganisatiekunde'. In de visie van het ministerie zijn arbodiensten in toenemende mate dé crux in het beleid rond ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid.

In juli toonde staatssecretaris De Grave (Sociale zaken) zich tevreden over het percentage werkgevers dat een contract met een arbodienst afgesloten heeft. Bij bedrijven van meer dan 100 werknemers is dit al opgelopen tot 91 procent, bij bedrijven met 10 tot 100 werknemers ligt het op 76 procent en bij minder dan 10 werknemers op 51.

In 't Veld: “De meeste werknemers van het midden- en kleinbedrijf krijgen nu 'arbo-ondersteuning'. Vroeger was er voor hen weinig tot niks op dit gebied, terwijl maar liefst 80 procent van de werknemers bij het midden- en kleinbedrijf werkt. Een goed functionerend systeem van arbodiensten betekent een enorme vermenigvuldiging van kennis.”

Arbodiensten kunnen ook behulpzaam zijn bij de verplichte risico-inventarisatie en -evaluatie. Voor de preventie van beroepsziekten een bijzonder belangrijke taak, waarvoor de werkgever zelf verantwoordelijk is geworden. “Zelfwerkzaamheid en zelfregulering zijn voor ons het sleutelwoord”, licht Middelplaats toe, “de oude wetgeving was te rigide. Een spoeltoilet op een bouwplaats was verplicht, zelfs voor korte klussen was een chemisch toilet niet toegestaan.”

Vooral van het niveau van de branche-organisaties verwacht het ministerie veel. In het buitenland zijn verscheidene onderzoeken gedaan naar het voorkomen van beroepsziekten per branche, waarvan de resultaten volgens In 't Veld ook op Nederland toepasbaar zijn.

Notoir hoog scorende branches zijn de metaalindustrie, bouw, hout- en meubelindustrie, transport, horeca, levensmiddelenindustrie en de gezondheidszorg. Middelplaats: “Bovendien wordt het verzuim voor eenderde deel veroorzaakt door fysieke belasting en eenderde door stress. Pas daarna komen chemische stoffen, onveiligheid en lawaaidoofheid. De bouwvakker die door zijn rug gaat, is in dat opzicht veel belangrijker dan de tomatenkweker met hommelallergie.”

“Maar natuurlijk verdienen ook de meer onbekende klachten aandacht. Laatst las ik nog van een veearts van wie het gehoor enorm verminderd was. Onderzoek wees uit dat dit kwam omdat hij gemiddeld tien uur per week in varkensstallen werkt: aan zo'n oorzaak denk je niet zo gauw.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden