Nederland dwarsboomt klimaatbeleid

Nederland heeft de EU in de gordijnen gejaagd met z'n berekening hoeveel ons land moet verminderen aan CO2 -uitstoot. Ontwikkelingslanden zijn boos omdat Nederland bezuinigt op subsidies aan milieuprojecten daar. Die woede is terecht; het beleid moet worden bijgesteld.

De milieuministers van de EU-lidstaten komen vandaag bijeen om te proberen afspraken te maken over een klimaatbeleid. Vooral Nederland heeft bij de internationale discussies over dit onderwerp de laatste tijd dwarsgelegen. Een dezer dagen moet de langverwachte klimaatnota van Vrom-minister Pronk verschijnen.

Het kabinet worstelt zichtbaar met een aantal kwesties. Bijvoorbeeld met de vraag hoe vorm gegeven moet worden aan de afspraken van de grote VN-klimaatconferentie in Kyoto. Toen is overeengekomen dat alle industrielanden aan het einde van de periode van 1990 tot 2010 acht procent minder CO2 moeten uitstoten dan aan het begin. In maart stelde Duitsland in de EU-ministerraad voor dat de helft daarvan in eigen land zou moeten worden gerealiseerd. De andere helft zou mogen worden gerealiseerd door het verwerven van emissierechten van landen die relatief veel minder CO2 uitstoten - vooral ontwikkelingslanden. De meeste EU-landen steunden dit voorstel.

Nederland was ertegen omdat het van een andere berekening uitgaat, waarbij niet 1990, maar 2010 als peildatum wordt genomen. Den Haag stelt dat de CO2 emissies in ons land met 17 procent zouden groeien als we niets zouden doen. Door maatregelen te treffen komen we dus tot een vermindering van 17 procent. Omdat bovendien in Kyoto is toegezegd 8 procent ten opzichte van 1990 te verminderen, is de redenering dat ons land in totaal 25 procent minder CO2 zou moeten realiseren. Als we daar dan de helft van nemen komen we op 12,5 procent, die we in het buitenland mogen realiseren. De andere 12,5 procent blijft over voor maatregelen in eigen land. Maar we hadden al gepland 17 procent te beperken. Aldus blijft er door de huidige Nederlandse opstelling feitelijk 4,5 procent ruimte om meer CO2 te blijven uitstoten dan was afgesproken. Met name het bedrijfsleven kan daardoor rustiger aandoen met energiebesparing en andere maatregelen.

Nederland heeft hiermee andere EU-lidstaten tegen zich in het harnas gejaagd, en een constructieve opstelling van de EU ernstig ondermijnd. Bovendien is daardoor het tegenwicht van de EU tegen de conservatieve opstelling van de VS in internationale klimaatonderhandelingen aanzienlijk verzwakt. Nederland vergroot bovendien het gevaar dat ontwikkelingslanden niet langer mee zullen werken aan maatregelen om de emissies van industrielanden buiten de eigen grenzen te beperken. Internationaal afgesproken reductiedoelstellingen zouden in dat geval volstrekt onhaalbaar worden.

In het Kyoto-verdrag is de mogelijkheid vastgelegd om emissierechten van landen te verhandelen. Landen die relatief weinig CO2 uitstoten, kunnen een deel van hun rechten verkopen aan industrielanden met een veel te hoge uitstoot. Ook kunnen industrielanden met ontwikkelingslanden boomplantprogramma's overeenkomen. Verder zijn er afspraken gemaakt over een Schoon Ontwikkeling Mechanisme (afgekort tot CDM) dat vanaf 2000 moet worden uitgevoerd.

Hierbij gaat het om investeringen van de geïndustrialiseerde landen in projecten in ontwikkelingslanden die bijdragen aan de vermindering van CO2 uitstoot. Deze vermindering kan op rekening van de investerende landen worden geschreven. Ontwikkelingslanden krijgen het voordeel dat ze over relatief schone en moderne technologie kunnen beschikken. De gedachte is dat aldus op mondiaal niveau een netto beperking van de totale CO2 uitstoot wordt gerealiseerd, terwijl ontwikkelingslanden bovendien in staat worden gesteld een grote inhaalslag te maken op het vlak van technologische ontwikkeling.

Het internationale bedrijfsleven toont grote belangstelling voor dit CDM, omdat het hun een mogelijkheid biedt toegang te krijgen tot nieuwe markten in ontwikkelingslanden. Het Kyoto Protocol beoogt nadrukkelijk het bedrijfsleven bij de uitvoering van het CDM te betrekken. Deze projecten moeten leiden tot extra emissie-reducties. De gedachte hierachter is dat ook aanvullende financiële middelen worden gegenereerd, zowel van de zijde van overheden als van de particuliere sector.

In het regeerakkoord heeft de regeringscoalitie vorig jaar vastgelegd op een geheel eigen manier vooruit te lopen op een definitieve regeling van het CDM. Op de begroting van ontwikkelingssamenwerking is voor de jaren 2001 en 2002 respectievelijk 200 en 300 miljoen gulden gereserveerd. Deze bedragen worden geheel ten laste gebracht van het budget dat beschikbaar is voor internationaal milieubeleid. In de praktijk betekent dit dat geen aanvullende, doch bestaande budgetten zullen worden ingezet voor Nederlandse CDM-inspanningen.

Als gevolg daarvan zullen in 2001 en 2002 voor genoemde bedragen bezuinigingen moeten plaatsvinden op gangbare milieuprogramma's. Hierbij gaat het om zaken als stedelijke milieuproblemen, organische landbouw en bodembescherming, milieubewustwordingsprogramma's, maar ook gewoon om steun aan milieuorganisaties in ontwikkelingslanden. Een en ander komt erop neer dat ontwikkelingslanden financieel opdraaien voor beleid dat Nederland extra ruimte verschaft voor vermindering van de CO2-emissies. Deze opstelling werd afgelopen december bevestigd in de Tweede Kamer. Een motie van het GPV en Groen Links om geen ontwikkelingsgeld voor het CDM te gebruiken haalde het niet. Kort daarna besloot de Europese Raad van milieuministers dat de EU-lidstaten geen ontwikkelingsgeld voor het CDM zouden gebruiken. In strijd met zijn eigen regeerakkoord, besloot minister Pronk toen daarmee in te stemmen. Het kabinet worstelt hier met een probleem. Het hoeft nauwelijks te verbazen dat de klimaatnota van minister Pronk inmiddels drie maanden vertraging heeft opgelopen.

Nederland dreigt zich, zowel op het vlak van de berekening van reducties van CO2-emissies als op het vlak van de financiering van CDM, te vervreemden van de overige EU-lidstaten en de ontwikkelingslanden. De opstelling van het kabinet leidt onvermijdelijk tot grote vertraging in het moeizame proces van de internationale klimaatonderhandelingen. Bovendien wordt de kans getorpedeerd om voor het eerst het bedrijfsleven constructief te betrekken in de vormgeving van klimaatbeleid. Vanuit deze zorg hebben tal van buitenlandse milieuorganisaties een dringend beroep op de Nederlandse regering gedaan haar opstelling te herzien.

Gehoopt mag worden dat de komende klimaatnota uitzicht biedt op een meer constructieve houding. Mocht dat toch niet het geval zijn, dan dient de Tweede Kamer haar verantwoordelijkheid te nemen. Zeker Nederland heeft veel te verliezen bij het uitblijven van effectieve internationale maatregelen die het broeikaseffect moeten tegengaan.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden