Nederland boert goed met onderzoeksgelden

Europa is ver weg voor veel mensen, maar dichtbij voor de boer, de vrachtwagenchauffeur én voor de wetenschapper. Onderzoek en ontwikkeling zijn een Europese groeisector. Dat gebied verkennen we in een korte serie. Aflevering 1: Geoloog André Niemeijer

André Niemeijer kan verder met zijn geologisch onderzoek dankzij belastingbetalers in Portugal, Spanje, Ierland, Polen en zelfs Griekenland. Want zij betaalden zijn subsidie, deels.

Die landen stoppen meer geld in de Europese subsidiepot dan ze eruit halen. Voor Nederland geldt het omgekeerde; dat haalt veel meer geld uit de pot dan het erin stopt. De Nederlandse R&D (onderzoek en ontwikkeling) wordt dus deels gefinancierd door de armste delen van de Unie: Midden- en Oost-Europa en Mediterrane landen, en door Duitsland en Frankrijk.

Niemeijer kreeg een zogenoemde starting grant van de European Research Council (ERC). Die ERC werd zes jaar geleden geïntroduceerd, in de zevende editie van het Europese kaderprogramma voor onderzoek en ontwikkeling. De ERC was een vreemde eend in die bijt. In alle voortgaande kaderprogramma's voor onderzoek was de nadruk gelegd op samenwerking van onderzoekers over de landsgrenzen, in projecten. Er werden minimumeisen gesteld aan het aantal partners en het aantal nationaliteiten in een project.

De European Research Council deelt echter individuele beurzen ('grants') uit aan onderzoekers die met niemand hoeven samen te werken als ze dat niet willen. De ERC stimuleert dus geen Europese onderzoekssamenwerking, maar is een Europese competitie voor fundamenteel wetenschappelijk onderzoek. Een Europese competitie waarvoor de lidstaten via de EU geld bijeen hebben gebracht.

Nederland is erg goed in het binnenhalen van ERC-subsidies. In het diagram is te zien hoe de taart wordt verdeeld. Groot-Brittannië heeft het meeste succes bij de ERC, gevolgd door Duitsland en Frankrijk. Direct na die grote landen komt Nederland, op de voet gevolgd door Zwitserland, dat geen EU-lidstaat is maar wel deelneemt aan het onderzoeksprogramma.

Als je dit gaat afzetten tegen de bijdragen aan het budget, worden de verschillen tussen lidstaten nog scherper. Duitsland neemt met een dikke 14 procent een flinke hap uit de subsidietaart, maar het grote Duitsland betaalt meer dan 21 procent van het budget. Het ziet slechts 70 procent daarvan terugkomen in subsidies aan Duitse onderzoekers. De Fransen doen het niet veel beter; zij zien 80 procent van hun contributie terug.

De Britten voeren ook in deze vergelijking de ranglijst aan: met de onderzoeksvoorstellen die ze bij de ERC indienen halen ze 170 procent van de Britse contributie binnen. Nederland is tweede, met 150 procent van de afgedragen contributie. Zweden komt op plaats drie, met 130 procent. Ronduit dramatisch zijn de prestaties van Italië: het land betaalt bijna 14 procent van het budget, maar zijn onderzoekers weten nog geen 6 procent van de subsidies binnen te halen.

Wat de landbouw wás voor Nederland, is de wetenschap geworden. In de eerste decennia van de Europese samenwerking profiteerde Nederland fors van de Unie dankzij een omvangrijke agrarische sector. Zo fors, dat het de contributie die het aan Brussel moest afdragen ruim zag terugkomen in de vorm van landbouwsubsidies. Nederland hield aan zijn lidmaatschap van de Europese Unie geld over. Daarin kwam verandering toen de EU de landbouwsubsidies ging afbouwen.

Voor de wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog waren die subsidies een goed idee, omdat Europa zeker wilde zijn dat het in zijn eigen voedsel kon voorzien. De ondersteuning van de landbouwproductie gaf die zekerheid, maar schoot zijn doel voorbij: het Europese landbouwbeleid leidde tot boterbergen, melkplassen en verstoring van de wereldmarkt. Europa moest de steun aan zijn boeren verminderen.

Minder subsidies dus voor de Nederlandse boeren. Daar kwam bij dat het aantal boeren in Nederland daalde, waardoor Nederland nog eens minder subsidie uit Brussel kreeg. Begin jaren negentig was er het omslagpunt: Nederland betaalde voor het eerst meer aan Brussel dan het terugkreeg.

Die omslag, van netto-ontvanger naar netto-betaler, is de Nederlandse Europapolitiek gaan bepalen. Inzet werd nu het budget van de Europese Unie zo klein mogelijk te houden, want Brussel kostte geld. Naar de verhoudingen op de verschillende posten van die EU-begroting werd nauwelijks gekeken.

In de aanloop naar de jongste editie van het EU-kader voor onderzoek, getiteld Horizon 2020, heeft het Europees parlement aangedrongen op een substantiële verschuiving van de EU-middelen, van landbouw naar kennis, van agrarische sector naar R&D. Dat pleidooi is getemperd door de lidstaten met grote agrarische belangen, zoals Frankrijk, maar ook door lidstaten die het budget van Unie niet willen zien groeien, waaronder Groot-Brittannië en Nederland, de landen die het het best doen in het subsidiecircuit voor wetenschappelijk onderzoek.

Horizon 2020 heeft uiteindelijk een budget gekregen van 80 miljard euro voor een periode van zeven jaar, 12 procent minder dan de Europese Commissie had voorgesteld en het Europees parlement had bepleit.

De European Research Council is maar een onderdeel van Horizon 2020 (zie kader). Een belangrijk deel van het programma is ingeruimd voor de grote uitdagingen waar alle Europese landen voor staan, zoals klimaat, duurzame energie, vergrijzing, en veiligheid. Dat is nieuw. Daarbij is gebleven wat voorheen de kern was van de EU kaderprogramma's, namelijk Europese projecten op kerntechnologieën, zoals industriële technologie, nieuwe materialen, ict, biotechnologie en nanotechnologie. In die projecten werken kennisinstellingen samen met kleine en grote ondernemingen.

Brussel heeft altijd de hoop gehad dat zijn kaderprogramma lidstaten zou aanzetten om ook hun nationale subsidieprogramma's voor wetenschap en technologie open te stellen voor onderzoekers uit andere EU-lidstaten. Dat hebben de lidstaten nooit gedaan. Er wordt samengewerkt, bijvoorbeeld bij de aanschaf van grote en dure apparatuur, maar hun subsidiegelden hebben landen altijd voorbehouden aan hun eigen onderzoekers.

En afgezet tegen die nationale middelen, is Europa erg klein. Horizon 2020 lijkt met 80 miljard euro voor zeven jaar een enorm programma, het is nog geen 5 procent van wat de lidstaten zelf uitgeven aan wetenschap en technologie.

Aflevering 2: Kan Europa het opnemen tegen zijn wereldwijde concurrenten in wetenschap en technologie?

Grote uitdagingen in Horizon 2020
Horizon 2020 is het achtste in de rij van EU-kaderprogramma's voor onderzoek en ontwikkeling. Het eerste begon in 1984 en had een budget van 3,7 miljard euro voor vier jaar. Het zevende programma, 2007-2013, had een budget van 50 miljard.

Voor Horizon 2020 zijn eind vorig jaar de eerste 'calls' uitgegaan. In deze 'calls for proposals' worden kennisinstellingen en bedrijven uitgenodigd voorstellen in te dienen, en wordt vermeld aan welke eisen die voorstellen moeten voldoen.

Een belangrijk deel van Horizon 2020 is de Europese samenwerking op wat de grand challenges heten, de zeven grote uitdagingen: gezondheid en demografische ontwikkeling; voedselveiligheid, duurzame landbouw en 'biobased economy'; veilige en schone energie; slim en groen vervoer; klimaat, milieu en natuurlijke bronnen; innovatieve en inclusieve samenlevingen; veiligheid en vrijheid.

Het programma biedt wetenschappers via de European Research Council ook individuele onderzoekssubsidies voor technologische ontwikkelingen, kredieten voor innovatie in midden- en kleinbedrijf, en de vermaarde Marie Curie-beurzen, waarmee jonge onderzoekers aan de slag kunnen in een andere lidstaat, en waarmee talenten die zijn verdwenen naar - bijvoorbeeld - de Verenigde Staten, teruggelokt worden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden