Review

Nazi-kunst niet langer taboe

De Duitse beeldhouwer Arno Breker (1900-1991) werkte in de nazi-tijd in opdracht van Hitler. Hoewel hij zijn leven lang omstreden bleef, wordt zijn latere werk geroemd door grootheden als Salvador Dalí en Jean Cocteau. Een overzichtstentoonstelling moet een discussie uitlokken.

Bij de infobalie van het Schleswig-Holstein-Haus in het Duitse Schwerin staat de telefoon al weken roodgloeiend, vertelt een medewerkster enigszins verontrust. Zo veel media-aandacht heeft het kleine museum in de Landeshauptstadt van deelstaat Mecklenburg-Voorpommeren nog nooit gehad. Niet alleen de Duitse media en politiek, maar ook geïnteresseerden en critici van ver over de grens bellen het museum voortdurend. De New York Times stuurt zelfs een correspondent, zegt dezelfde medewerkster trots. Maar ze heeft ook al heel wat scheldkanonnades moeten aanhoren.

De eerste solo-tentoonstelling van ’Hitlers lievelingsbeeldhouwer’ Arno Breker sinds de Tweede Wereldoorlog deed al geruime tijd voor de opening stof opwaaien in de Duitse media. Tegenstanders noemden de aandacht voor meeloper Breker in Schwerin een schaamteloze Verharmlosung, een bagatellisering. Het debat dat curator Rudolf Conrades wilde uitlokken, lijkt in ieder geval gelukt.

Arno Breker (1900-1991), is vijftien jaar na zijn dood nog steeds omstreden. Hitler roemde de beeldhouwer als de ’grootste van onze tijd’, gaf zijn lieveling Breker een atelier en een landhuis cadeau en zorgde persoonlijk voor een onophoudelijke stroom aan prestigieuze rijksopdrachten.

Zo beeldhouwde Breker portretten van nazi-kopstukken en vervaardigde hij classicistisch georiënteerde beeldengroepen en reliëfs voor de monumentale gebouwen van het Derde Rijk: tijdloze naakten met opgepompt torso in groot formaat, luisterend naar epische namen als ’Overwinnaar’, ’Gewonde’ of ’Kameraadschap’.

Geallieerde bombardementen aan het eind van de oorlog vernietigden een groot deel van Brekers werk, evenals zijn atelier. Zijn beelden werden verkocht, Breker zelf werd bestempeld als ’meeloper’ en hij betaalde als straf een geldboete, om vervolgens uit de openbaarheid te verdwijnen.

Opdrachten kreeg Breker na de oorlog genoeg, zij het niet meer van overheidswege. In de tweede helft van zijn leven bleef hij bij een beperkte schare liefhebbers voornamelijk bekend als uitstekend portrettist. Hij maakte koppen van collega’s Jean Cocteau en Salvador Dalí, maar ook van pianist Wilhelm Kempff en van belangrijke politici als Konrad Adenauer en Ludwig Erhard. Al die naoorlogse opdrachtgevers roemden Breker om zijn vakmanschap en de tijdloze schoonheid van zijn kunstwerken.

In 1981 was in West-Berlijn een tentoonstelling gepland rond Breker, die echter voortijdig moest worden afgebroken vanwege de felle protesten. De expositie werd een ’provocatie’ genoemd, het werk van Breker ’in steen uitgehouwen barbarij’. De huidige tentoonstelling van zeventig werken in Schwerin (ondertitel ’ter discussie gesteld’) toont aan hoe complex het is om tot een oordeel te komen over Breker. Breker beriep zich er na de oorlog op dat hij door zijn contacten heel wat collega’s had gered van de deportatie (Jean Marais, Pablo Picasso) of dienstplicht. Tegelijkertijd bestond het personeel van zijn atelier in de oorlog voor een groot deel uit dwangarbeiders. Die werden goed behandeld. Maar toch.

Zowel de expositie als de catalogus gaat uitgebreid in op Brekers rol en plaats in zijn tijd. In de Schweriner zaaltjes zie je de kunstwerken per periode veranderen: afstandelijk gestileerd in de jaren twintiger, brutaal masculien in de jaren dertig en veertig; om na de oorlog terug te keren naar een statische schoonheid die (zeker in de portretten) wel wat doet denken aan het hyperrealisme van bepaalde popart.

De catalogus leert dat Breker met zijn expressieve classicisme in veel opzichten een kind van zijn tijd was. Beschreven wordt hoe de Duitser Frankrijk als zijn artistieke thuisland zag, hoe hij werd geïnspireerd door Franse kunstenaars zoals Auguste Rodin (kopiëren was Breker niet vreemd) en hoe hij internationaal werd gewaardeerd als collega en vriend. Beroemdheden als Alexander Calder, Henry Moore, Andy Warhol spraken hun lof uit over Brekers werk. Aristide Maillol loofde Breker als ’Michelangelo van de twintigste eeuw’, Jean Cocteau noemde hem ’de vitaalste beeldhouwer van deze tijd en onze grootste hoop voor de toekomst’. Salvador Dalí zei zelfs: „God is schoonheid en Arno Breker zijn profeet”.

In 1942 vond nota bene in Frankrijk de eerste (en tot voor kort enige) solotentoonstelling van Brekers werk plaats, in de Parijse Orangerie. De kritieken waren positief, al kwam die ’collaboratie’ met name Cocteau na de oorlog duur te staan.

„Sindsdien hebben weinigen Brekers beelden in het echt gezien”, vertelt curator Rudolf Conrades. „De kunst uit de nazi-tijd werd tot nu toe vaak op foto’s gerepresenteerd, om de afstand zo groot mogelijk te houden. Ik vind het niet goed dat Duitsland de kunst uit die periode wil verstoppen. En ik denk dat veel critici bang zijn dat Brekers beelden een soort duivelse verleidingskracht hebben. Terwijl diezelfde critici niet nalaten te wijzen op het derderangs en irrelevante karakter van het werk. Hoe zou zulke slechte kunst dan zo’n kracht kunnen bezitten? Nee, ik denk dat het zestig jaar na de Tweede Wereldoorlog tijd wordt om ons kritisch auseinander zu setzen met die periode. Hoe je het ook wendt of keert, Breker hoort bij de Duitse kunstgeschiedenis. Daar mag een vrije samenleving zich niet voor afsluiten.”

Desgevraagd zegt Conrades dat hij zelf niet zo geïnteresseerd is in de kunst van Breker. Op een paar portretten na is Breker niet zijn ding. Sommige beelden noemt hij zelfs kitscherig. Conrades: „Ik heb me meer beziggehouden met andere kunstenaars uit de twintigste eeuw, bijvoorbeeld met Jean Cocteau. Ik heb me altijd verbaasd over diens jarenlange vriendschap met Breker. Wat zag Cocteau toch in die ouwe nazi-zak?, dacht ik al tijdens mijn studie. Breker bleek een kameleon, wiens leven beheerst werd door dat soort tegenstellingen: aan de ene kant vriendschappen met belangrijke kunstenaars van zijn tijd, aan de andere kant die lippendienst aan Hitler. Deze tentoonstelling gaat over die tegenstellingen. Ik ben geïnteresseerd in het debat dat de figuur Breker oproept.”

Conrades haast zich te zeggen dat de expositie in geen geval als Breker-apologie bedoeld is. Geen hommage of bagatellisering dus, maar een mogelijkheid zelf een oordeel te vormen over Breker. En om het taboe rondom de kunst uit die periode te doorbreken.

Conrades’ critici verwijten hem ongevoeligheid: zo vlak voor de deelstaatverkiezingen in september zou de Breker-tentoonstelling de neofascisten weleens in de kaart kunnen spelen. Maar dat argument wijst de curator van de hand als onzinnig. Met zijn evenwichtige opzet oogstte de tentoonstelling ook al de nodige bijval, bijvoorbeeld van schrijver Günter Grass.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden