Natuurlijk is niet goed

(Trouw) Beeld
(Trouw)

De natuur staat tegenwoordig op een voetstuk, stelt filosoof Sebastien Valkenberg. Dat bewijst hoezeer Jean-Jacques Rousseau school heeft gemaakt – maar niet dat de natuur die erepositie ook verdient.

Liever een biologische maaltijd dan eentje vol conserveringsmiddelen. Bevallen doe je thuis en zonder ruggenprik. Meer vrouwen aan de top van het bedrijfsleven voorkomt nieuwe economische crises.

Ogenschijnlijk hebben deze uitspraken niets met elkaar te maken. Maar hoewel ze over de meest uiteenlopende thema’s gaan, verraden ze eenzelfde invloed. Alle drie zijn ze te herleiden tot het gedachtegoed van de achttiende-eeuwse Zwitserse filosoof Jean-Jacques Rousseau.

Over het algemeen bestaat er redelijke eensgezindheid als het gaat om de vraag wie onze grootste intellectuele erflaters zijn. Doorgaans scoort Friedrich Nietzsche hoge ogen. Zag hij niet al heel scherp de contouren van de huidige seculiere samenleving toen hij ruim honderd jaar geleden zei dat God dood is? Wellicht dat anderen Sigmund Freud opvoeren als de meest invloedrijke denker. In elk geval heeft hij met het onderbewustzijn een concept bedacht dat zijn weerga nauwelijks kent – wie verwijst hier niet zo af en toe naar, al was het maar om een onverklaarbare droom te duiden?

Minstens dezelfde statuur heeft Rousseau, hoewel hij dat krediet zelden krijgt. Toch zijn weinig denkers zo van invloed geweest op de huidige samenleving als hij. Misschien wel niemand.

Wie was Jean-Jacques Rousseau? Deze vraag is des te relevanter als je bedenkt dat de vele anekdotes zijn werk dreigen te overwoekeren. Honderden pagina’s heeft de filosoof volgeschreven over onderwijs en opvoeding, maar hij was niet in staat zijn vijf kinderen op te voeden. Die bracht hij naar het vondelingenhuis. Ook legendarisch: zijn talent om gebrouilleerd te raken met zijn vrienden. Knallende ruzie kreeg hij met Denis Diderot en zelfs met de aimabele David Hume (die bekend stond als le bon David). De laatste controverse was maandenlang hét onderwerp van gesprek in de Parijse salons. Zij was extra bitter aangezien Hume hem nota bene asiel verleende in Londen. Meerdere malen moest Rousseau op de vlucht slaan vanwege zijn nogal omstreden ideeën. Tegenwoordig is hij juist mainstream geworden en het is eerder de vraag op welke maatschappelijke terreinen zijn invloed níet merkbaar is.

Centraal in het oeuvre van Rousseau staat zijn visie op de natuur – zijn opvattingen over opvoeding en staatsvorming zijn hiervan een afgeleide. Maar hem zomaar een natuurliefhebber noemen, is een understatement van jewelste. Van de stadse hectiek moest hij niets hebben, overigens niet onbegrijpelijk gezien zijn status van vreemde snuiter in het Parijse salonleven. Naar buiten dus, ver weg van de roddel en achterklap en het valse decorum dat inherent was aan het maatschappelijke verkeer; het landleven was het echte leven. Hoe goed had de natuurmens het wel niet! Die zwierf gelukkig door de uitgestrekte wouden, die semi-paradijselijke trekken krijgen in de beschrijvingen van Rousseau, en het laatste waar hij zich druk om maakt is hoe hij overkomt op anderen. Allemaal opsmuk die danig wordt overschat.

De vermeende zuiverheid van de natuur oefent nog steeds een grote aantrekkingskracht uit, zij het dat mensen hier selectief mee omgaat. Zo krachtig als Rousseau het drukke stadsleven afwees zijn er, als het er op aankomt, maar weinigen. Is het immers niet zo dat de meeste mensen in de stad wonen, en kiezen voor het comfort dat daarbij hoort?

De fulltime natuurmens is zeldzaam. Dat neemt niet weg dat de stadsmens het af en toe op de heupen krijgt – bijvoorbeeld als de zomervakantie zich aandient. Veel mensen verkiezen een super-de-luxe all inclusive arrangement aan de Turkse Rivièra, maar daar staat een grote groep tegenover (bijna drie miljoen!) die een camping opzoekt of zelfs gaat wildkamperen. Dan rekent de mens af met alle comfort. Op vakantie moet het plotseling allemaal anders. Wassen kan alleen met koud water, koken gebeurt op een zielig vlammetje en het grondzeil kan niet verhullen dat de ondergrond wel erg rotsachtig is. Al deze ongemakken deren de kampeerder niet. Hij is tenslotte het verre achterneefje van Rousseau dat een gebrek aan luxe associeert met authenticiteit.

Op het eerste gezicht lijkt dit een typisch geval van nostalgie de la boue – nostalgie naar de modder –, maar vergis je niet. Rousseau slaat behoorlijk op hol in zijn beschrijvingen, maar leidt daaruit niet af dat de natuur voor hem een verzameling fraaie tafereeltjes is. Er staat voor hem veel meer op het spel dan een goed gevuld fotoboek met spectaculaire panorama’s. Behalve een esthetisch genoegen biedt de natuur inzicht in de moraal. Natuurbeschrijvingen en ethische bespiegelingen lopen door elkaar heen bij Rousseau. Wil je weten wat goed is, kijk naar de onbedorven natuur. Het slechte? Dat is ontstaan toen mensen gingen samenleven en ze elkaar onechte wensen en eisen hebben aangepraat. De beschaving vindt Rousseau helemaal niet beschaafd; daarmee is juist alle ellende begonnen omdat toen de band met de natuur is doorgesneden. Hij zegt het op meerdere plaatsen, maar het meest welsprekend doet hij dit in ’Emile oú l’education’ (1761): „Alles is goed wat voortkomt uit de handen van de Schepper. Alles raakt verdorven in de handen van de mens.”

Dit schema leidt niet alleen tot primitief gedoe op de camping, maar is ook een aanjager van de norm dat eten natuurlijk zou moeten zijn. De deur uit met die kunstmatige additieven. Of zoals Karen Luiten, culinair medewerkster van Trouw, het zegt: zónder pakjes en zakjes. Dat doet ze ’niet met opgeheven vingertje, hoor’, maar ondertussen. In het voorwoord van haar nieuwste kookboek schrijft ze met afschuw over die pakjes en zakjes, blikken en stoombakjes, diepvriesdozen en knijpflacons. „Wel vier miljoen kant-en-klaarmaaltijden gaan er in ons land per dag over de toonbank. Maar gezond is anders, kijk maar eens goed naar de kleine lettertjes. Wat zit er allemaal in ons eten om het houdbaar te houden?”

Luitens antwoord: smaakversterkers, conserveermiddelen en E-nummers. Ze laat er geen misverstand over bestaan: zelfgekookte maaltijden zónder die ’niet -natuurlijke toevoegingen’ zijn ’per definitie gezonder dan gemaksvoedsel’.

Per definitie – welke definitie dat precies is, blijft onduidelijk. En het maakt ook helemaal niet uit dat Luiten hier niet over uitwijdt, want de gemiddelde consument weet zelf heel goed hoe het zit. (En als hij zich hier niet aan houdt, dan hoort hij daar ten minste een knagend schuldgevoel aan over te houden). Dat heeft de supermarkt hem krachtig ingeprent. Natuurlijk kun je er nog steeds een ordinair halfje wit kopen, maar dat steekt schril af tegen het ’Brood met liefde en passie als enige toevoeging’, dat daarnaast ligt.

Ziehier de reusachtige erfenis van Rousseau: ook al leeft hij al lang niet meer, hij heeft de status verworven van assortimentsmanager, die bepaalt wat er in de schappen komt te liggen. Argeloos je winkelwagen volladen is er niet meer bij anno 2011.

Dit ondervond ook NRC-columniste en moleculair biologe Rosanne Hertzberger toen zij onlangs een lans brak voor de magnetronmaaltijd. Die vond ze, tegen de heersende mode in, eigenlijk best lekker. Leve de additieven! zo kan haar stuk worden samengevat. De reacties waren talrijk en vooral fel: de door Hertzberger aangeprezen maaltijden waren onecht en dus inferieur aan natuurlijk voedsel. Hier klonk de echo van Rousseau.

Aan deze verheerlijking kleven minstens twee bezwaren. In de eerste plaats berust zij lang niet altijd op waarheid. Allicht dat de zo versmade toevoegingen niet altijd leiden tot een maaltijd die even smakelijk is als eentje die is bereid met louter verse producten. Maar conserveringsmiddelen voorkomen ook dat voedsel snel rot; pesticiden verhinderen dat ongedierte bezit neemt van de gewassen op het land. In veel opzichten vergróten ze juist de eetbaarheid van ons eten. Veel hoon waarop de bespoten appel kan rekenen is dus onterecht.

Er is nog een tweede reden om de verheerlijking van het ’natuurlijke eten’ te wantrouwen. De eerste landbouw, zo’n 5.000 jaar voor het begin van de jaartelling, was puur natuur. Anders gezegd: biologisch boeren was destijds nog een pleonasme. Maar deze werkwijze was weinig profijtelijk voor de natuur. Voor dezelfde productie had men destijds naar schatting negen keer zoveel grond nodig als tegenwoordig. De huidige productiewijze verkleint de ecologische voetafdruk spectaculair – met dank aan kunstmatige middelen.

De natuur is dus niet de weldoener waarvoor zij vaak wordt gehouden. Desondanks blijft ’natuurlijk’ een ijzersterk merk. Of nog beter: een gezaghebbend keurmerk. En dan doel ik niet alleen op de wildgroei aan groene logo’s op de verpakkingen in de supermarkt. Ook in de geneeskunde heeft Rousseau zijn sporen nagelaten. Wie ziek wordt, gaat naar de dokter: zo werkt het lang niet voor iedereen. Een grote groep mensen zoekt zijn heil in de natuurlijke geneeskunde, van homeopathie tot kruidentherapie. ’Natuurlijke genezing’ is een knap staaltje framing, omdat in ’natuurlijk’ meteen ’heilzaam’ meeklinkt.

De suggestie dringt zich op dat het andere kamp, de reguliere geneeskunde, onnatuurlijk is en dus ongezond. Het succes van deze benadering vertaalt zich in een lange lijst boeken op bol.com met ’natuurlijk genezen’ in de titel. Wie daarentegen op zoek gaat naar boeken over ’onnatuurlijk genezen’, komt van een koude kermis thuis. ’Geen zoekresultaat’, luidt het antwoord van de internetboekhandel dan. Begrijpelijk is dit wel (ga maar na hoeveel mensen je voor het boek ’Onnatuurlijk beter worden’ zou kunnen interesseren), maar niet terecht. Gezien de resultaten van de reguliere geneeskunde zijn er juist gegronde redenen voor talloze van zulke titels. Brandnetels en kruiden mogen natuurlijk zijn, maar kanker – of een andere nare ziekte – versla je er niet mee. Vertrouw dan liever op de onnatuurlijke producten van de farmaceutische industrie.

Wat voor de geneeskunde in het algemeen geldt, namelijk dat ’natuurlijk’ het ideaal is, geldt in het kwadraat als er een kindje op komst is. Tijdens de hele zwangerschap heeft de techniek een flinke vinger in de pap. De echo vertelt hoe de embryo groeit en via een nekplooimeting kom je te weten hoe groot de kans is op een kindje met het syndroom van Down.

En dan kondigt zich het moment suprême aan: de bevalling komt op gang. Het aanvankelijk zo vanzelfsprekende vertrouwen in de techniek slaat om in wantrouwen en de monitoren en slangetjes moeten weg. Bevallen doet de aanstaande moeder in beginsel thuis, in haar vertrouwde omgeving – of moet ik zeggen: natuurlijke omgeving? – , liefst met een ontspannen muziekje en waxinelichtjes erbij. Als zij dan toch in het ziekenhuis belandt, vindt zij opnieuw Rousseau op haar pad. Opnieuw: bij de tandarts is een verdoving doodnormaal, maar tijdens de bevalling gelden andere wetmatigheden. „Pijn is noodzakelijk”, zo staat het op de website van ’s lands bekendste verloskundige Beatrijs Smulders. Haar populariteit is licht tanende, maar HP/De Tijd riep haar onlangs nog uit tot één van de honderd invloedrijkste Nederlanders. Een ruggenprik: alleen als het echt niet anders gaat dus. Alles, zo lijkt het, om te voorkomen dat het wonder van nieuw leven een medische aangelegenheid wordt. Maar dit is het natuurlijk wel. Al jaren is de babysterfte in Nederland bijzonder hoog in vergelijking tot andere Europese landen. Een belangrijke oorzaak, blijkt uit recent onderzoek van het UMC Utrecht, is het systeem alhier waarbij een bevalling thuis begint en je de natuur zijn gang laat gaan.

Dus puur natuur is niet goed, maar slecht? Dat moet ook niet de conclusie zijn. Val niet van het ene uiterste in het andere uiterste. De natuur is domweg en bevindt zich voorbij goed en kwaad. Het is hinderlijk als een brandnetel je kuiten beroert, maar hem de jeuk die daarop volgt verwijten is absurd. Daarom moet je zeggen dat natuur zich amoreel gedraagt in plaats van (im)moreel. In de praktijk blijkt dit onderscheid al snel te verwateren, zeker als er dieren in het geding zijn. Zo ook op Terschelling, toen daar een vos was gesignaleerd. Goed nieuws, zou je zeggen, te meer omdat het beest zijn beschermde status nog maar net was kwijtgeraakt. Maar nee, erg hartelijk was de ontvangst niet, want de vos had het voorzien op de vogelnesten. Er werd zelfs gesproken van een ’almachtige rotstreek’. Hier liet de natuur even haar tanden zien – en dat was niet de bedoeling. Ruw werd de rousseauiaanse idylle verstoord dat ze per definitie een heilzame kracht zou zijn.

Dit selectieve winkelen – benadrukken van de mooie en vergeten van de minder fraaie kanten – zie je vaker. Ook de pleitbezorgers van het o zo populaire diversiteitbeleid redeneren op een vergelijkbare manier. Tal van redenen geven zij waarom er meer vrouwen in de top van het bedrijfsleven zouden moeten. In haar boek ’Verwende prinsesjes’ geeft Trouw-redacteur Elma Drayer een bloemlezing van deze argumenten. Volgens het internationale adviesbureau McKinsey zorgen meer vrouwen voor een verbetering van ’de sfeer’. Ook fijn: zij zorgen voor ’meer verschillende perspectieven en ideeën.’ Daarnaast zouden zij ’minder machtsbelust’ en ’meer uit op consensus en groepsharmonie.’ Ook veelgehoord is de overtuiging dat vrouwen de bankencrisis hadden voorkomen. Econome Esther-Mirjam Sent, hoogleraar in Nijmegen, is van mening dat ’mannelijke gedragskenmerken’ hier debet aan waren en pleit voor ’een vrouwelijke benadering’. „Zorgzaamheid, behoedzaamheid, vragen durven stellen, bescheidenheid, meer aandacht voor de lange termijn.”

Stuk voor stuk prijzenswaardige eigenschappen. Dat wil Drayer dan ook niet ontkennen. Wel is ze kritisch als ze worden gekoppeld aan het vrouwelijke geslacht. Beschikken vrouwen van nature, gratis en voor niets, over een reeks speciale gaven die hen een voorsprong geven op een mannen? Hier is toch echt sprake van een karikatuur. Ongetwijfeld zijn er vrouwen die beschikken over de kwaliteiten hierboven, maar evenzo zijn er mannen die dat doen. Vandaar dat Drayer spreekt over ’lyrisch gezemel’. Er zijn biologische verschillen tussen de seksen – hoe kun je die ontkennen! –, maar maak van vrouwen geen wonderwezens die de sleutel hebben tot het paradijs op aarde.

Er is nog een reden om de redenering te wantrouwen, laat Drayer zien. Want hoewel die de emancipatie van vrouwen een grote dienst lijkt te bewijzen – neem hen aan vanwege hun exclusieve kenmerken –, is ze even bruikbaar voor wie vindt dat vrouwen juist thuis moeten blijven. De Amerikaanse conservatieve filosoof Harvey Mansfield, auteur van het boek ’Mannelijkheid’ (2006), zal het dan ook roerend eens zijn met Sent als zij stelt dat vrouwen zo zorgzaam zijn.

Sent krijgt ook uit andere, onverwachte hoek steun. Haar idee wordt – o ironie – al eeuwen uitgedragen door de christelijke traditie, zij het dat die tot tegengestelde conclusies komt.

Wie wil weten hoe het hoort, leze in de eerst plaats natuurlijk de Bijbel, maar volgens Johannes Calvijn was de natuur het tweede boek waaruit je godskennis kon opdoen. Daar is zij weer: de gelijkstelling van het natuurlijke aan het goede. Zowel man als vrouw hebben, vanuit hun aard, elk hun eigen rol te vervullen. Wie dat niet doet, dwaalt af van God, zoals bijbelschrijver Paulus het zegt – die maakt zich schuldig aan ’tegennatuurlijk’ handelen. Het moge overigens duidelijk zijn dat de accentuering van de verschillen binnen het christendom níet leidt tot een actief diversiteitsbeleid.

„Het kan verkeren”, stelt Drayer. „Duizenden jaren werd de rolverdeling tussen man en vrouw gerechtvaardigd met een beroep op de Schepper. Hij had dit in den beginne zo bedacht, en dat was niet voor niets. Toen Zijn rol ter discussie kwam te staan, meldde zich een nieuwe, veelbelovende kandidaat: Moeder Natuur.”

Wie mag zich de belangenbehartiger van de natuur noemen? Sent speelt deze troefkaart uit, evenals de Bijbel dat al eerder deed, en zoals Mansfield dat met evenveel recht doet. Mansfield geeft aan zijn idee over de aard van de vrouw een logisch vervolg. Waarom zou je, redeneert hij, vrouwen die zo zorgzaam zijn, nog stimuleren om het bedrijfsleven in te gaan? Als er één deugd is die van pas komt bij de opvoeding van de kinderen, is het zorgzaamheid. Manfield geeft toe dat ook vrouwen typische mannelijke deugden kunnen ontwikkelen als eer, moed en doorzettingsvermogen – zie Margaret Thatcher. Maar dat laat onverlet dat het huishouden de plaats is „waaraan zij eer kunnen behalen en vreugde kunnen beleven”.

Vanzelfsprekend is de natuur een factor om rekening mee te houden. Maar voor velen is dit niet genoeg, die laten zich graag imponeren. Zo’n heiligverklaring is niet alleen onterecht, maar verloochent ook de verworvenheden van de beschaving. Het is makkelijk de lof te zingen op de wilde natuur als je weet dat thuis het warme bed en de boxspring staan te wachten. Maar wat als zij zich minder conformistisch opstelt en zich meldt in de gedaante van een windhoos? Op hoeveel geestdrift kan zij dan nog rekenen? We zijn de bui liefst voor – en surfen naar buienradar.nl. En reken maar dat een schuilplaats, of een andere vorm van beschutting die is voorgebracht door de beschaving, van harte welkom is.

(FOTO TOM THULEN, HH) Beeld TOM THULEN / The New York Times/
(FOTO TOM THULEN, HH)Beeld TOM THULEN / The New York Times/
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden