Natuur, een kwestie van vakantie

Pas op het Friese platteland wordt schrijver en Randstadbewoner Nicolaas Matsier zich bewust van het landschap dat hem in Nederland omgeeft. Een voorpublicatie uit zijn nieuwe boek.

Het Nederlandse landschap, met al zijn overbevolktheid en met zijn kleinschaligheid - die ik vroeger speciaal in de vorm van die overbezorgde ANWB-paddestoelen met hun verkleuterde aanduidingen van toch al zeer kleine aantallen kilometers compleet tot in de decimalen diep heb verafschuwd - is me gaandeweg steeds dierbaarder geworden. Het bijna volledig door mensenhand vormgegeven agrarische landschap, met zijn vreemde hoogteverschillen tussen de droogmakerijen en de rivieren die tussen hun dijken onwaarschijnlijk voortstromen boven het omliggende land, is zo'n door en door bizar en grotendeels oud cultuurlandschap dat het niet meer op zal houden mij te verbazen.

Agrarische geschiedenis, oude kaarten en routes interesseren me steeds meer. Als fietser en als wandelaar, of gewoon met een boek in mijn handen, midden in de Greidhoek, waar ik sinds enkele jaren een - het hoge woord moet eruit - tweede huisje het mijne mag noemen. Een overigens niet weinig problematisch tweede huisje. Ik maak mij, zonder dat dat nou zo nodig is, wijs dat Friesland de provincie is waar ik vandaan kom - daarbij mijn moeder schandelijk veronachtzamend. Zelfs heb ik zo af en toe de illusie dat ik nog een beetje Fries ga leren. Het zal wel niet. Maar met het oog op de grote hoeveelheid christelijke Friese streekromans die tezamen met de rest van de inboedel is overgenomen, heb ik alvast een fors Fries woordenboek aangeschaft.

Het huisje ligt aan een vaart en is eigenlijk alleen maar bereikbaar per boot. Het is een kleine enclave te midden van weidegrond. We roeien erheen, eerst over een bijvaart, dan recht op het huisje af, dat in de zomer vanaf de dichtstbijzijnde weg onzichtbaar is geworden door de hoog opgeschoten populieren, abelen, esdoorns, wilgen en wat dies meer zij. 's Winters daarentegen ligt het huisje er in al zijn kleinheid schokkend naakt bij.

Als we op het huisje aan roeien, hebben we onveranderlijk de sensatie de negentiende eeuw te naderen. Want nadat we de roeiboot hebben aangelegd, moeten wij water putten, emmers dragen, hout stoken, olielampen en kaarsen ontsteken. We hebben, voor verrichtingen die elders niet meer inspanning kosten dan een druk op een knop, hier opeens een heleboel tijd nodig. Alle gereedschap is mechanisch.

Soms fietsen we over bijvoorbeeld de Slagtedijk, en proberen ons voor te stellen dat deze middeleeuwse dijk een zeedijk was, evenals de meeste dijken in deze contreien aangelegd door cisterciënzers. Kijkend in een historische atlas zien we hoe het voorouderlijke Bolsward in de Middeleeuwen een havenstad aan de zogenoemde Middelzee was. En wij begrijpen in dezelfde moeite door hoe het komt dat een klein natuurmonument, niet ver bij ons vandaan - een stukje weidegebied met een zoute kwel - nog altijd een reminiscentie is aan diezelfde Middelzee.

Dit parttime landleven van de Randstadbewoner geeft een diepe en nooit helemaal doorgronde bevrediging. Wij spelen voor negentiende-eeuwer zoals Marie Antoinette in haar bergerie in Versailles voor herderin speelde. We zagen ons jaarlijks een ongeluk aan wilgetakken boven de onze enclave omgevende sloten, die aan het eind van de zomer uitgediept moeten worden. We schilderen de dakgoten. We ontdekken tot onze ontzetting houtworm. Ik zwem in de vaart. We eten een salade van het onuitroeibare maar erg lekkere zevenblad.

We zien met verbazing hoe een enorme haas in rechte lijn aan komt zetten door het weiland, heel snel, en hoe hij aangekomen bij de vaart springt en het in dezelfde rechte lijn op een zwemmen zet, tot hij bij de overkant is en met andermaal bewonderenswaardige rechtlijnigheid zijn traject vervolgt, alsof er een Romeinse weg in zijn hoofd zit. Wij kijken naar het doorlopende schilderij van Potter om ons heen. Koeien zijn onze buren. We vragen ons af waar het bruine kiekendievenpaar dat elke dag tegen de tijd van de schemering een wijde cirkel boven ons kleine landgoed beschrijft precies thuishoort. En met onze neus in een schitterende reprint van de atlas van Schotanus, waarin we onszelf hebben opgezocht, zien we verheugd dat er op de plaats van dit huis al in de achttiende eeuw een voorganger gestaan heeft. Zonder enige twijfel een boerderij.

We houden van het totale buitenzijn waartoe het huis ons in staat stelt. Maar wat is dat eigenlijk voor buitenzijn? Op elke plaats waarop de wind geen vat heeft, zetten wij stoelen neer en een tafel. In het altijd te hoge gras. Dat doorschoten is van brandnetels, dovenetels, paardebloemen, zevenkruid en iets wat wij opschot noemen. Uitlopers van populieren en wilgen. Wij zijn verbijsterd over de groeikracht.

De vrouw van de dominee van wie we het huis hebben gekocht, heeft ons een luchtfoto laten zien, gemaakt door haar broer die piloot was. Op die foto, van slechts een paar tientallen jaren terug, ligt het huisje volkomen vrij aan de vaart: boom- en struikloos. Alles wat er nu staat, ettelijke tientallen bomen, is er geplant of komen aanwaaien. De dominee had het terrein rond het huis verkaveld met een ensemble van hekjes en afrasteringen dat ertoe diende om het gras kort te laten houden door een paar steeds verkassende schapen. Maar wij vonden die poep overal maar niks. Zodra de schapen waren opgehouden met hun werkzaamheden schoot het gras op, onder onze aanvankelijk welwillende blik.

De grasroller moest geslepen worden, evenals de snoeischaar. We lieten ze slijpen, we rolden en knipten. En tenslotte begonnen we de omvang van het probleem in te zien: als wij niets deden, zou dit stukje Friesland van ons volkomen dichtgroeien en zou er stellig een dag komen waarop we ons met klewangs een weg zouden moeten kappen om onze voor- dan wel achterdeur nog te kunnen bereiken.

We kochten een zeis met toebehoren en probeerden ons de beweging eigen te maken - de eeuwenoude beweging, die al bijna net zo zeldzaam moet zijn geworden als verlichting met kaarsen. Ik kreeg een les van de boerenzoon met wie we een beetje bevriend zijn. En ik bewonderde een ruim tachtigjarige die een demonstratie gaf op een plek, ergens in Friesland, waar men de tijd van de armoe en het veen museaal wil koesteren. Het is zeer de vraag of ik die volmaakte beweging, die moeiteloze halve cirkel, dat schitterende, zachte geluid ooit zal kunnen bereiken. Daarvoor is vermoedelijk een heel leven vereist, met alle winters, voorjaren en zomers die daarvan deel uitmaken.

Ik had niet gedacht dat ik er een tweede huisje voor nodig zou hebben, om nog eens ingescherpt te krijgen welk landschap ons in Nederland omgeeft. Ik dacht dat ik het al wist. Wij worden immers overal omgeven door ons aanstaande voedsel. Wat die schapen van de dominee in het klein deden, het gras kort houden, dat deed een aanzienlijk deel van de veestapel met de Greidhoek als geheel. Al die prachtige boerderijen met hun oranje pannendaken en hun lichtgele ijsselsteentjes dankten hun vorm en hun formaat aan de koeien die 's winters op stal stonden, en aan het alleen voor hen gedroogde gras op de enorme hooizolder. Al die weiden, die op hun beurt weer allerlei interessant vogelleven mogelijk maakten, vormden een enorm areaal dat als zodanig even weinig met natuur te maken had als - bijna - de hele rest van Nederland: bedijkt, ontveend, verkaveld, ontwaterd, ingepolderd, bemalen, gekanaliseerd. Onze delta, allicht, is een en al kunstmatigheid. Al eeuwenlang, al duizend jaar. Dit is het duizendjarig rijk van de vleeseters en van de melkdrinkers, van de kaasmakers en de botersmeerders.

En wat mij, hoewel steeds minder vleeseter, onveranderlijk frappeert, dat is juist die historische, cultuurlijke dimensie aan alles wat hier nu eenmaal landschap heten moet. Maar dat het land er voor de stad is, met zijn enorme maag, dat hoeft niemand mij te vertellen.

Daarom is het niet meer dan een oppervlakkige paradox dat de gezworen grotestadsbewoner die ik stellig ben er een tweede huisje op na houdt. Wie anders dan een stadsbewoner zou zo iets eigenaardigs willen? Een tweede huis is een vorm van sedentair toerisme. Dat verschijnsel komt alleen maar voor onder stedelingen. Alleen een stedeling is in zijn vrije tijd graag provinciaal. Je het omgekeerde zelfs maar voorstellen, stuit op problemen. Plattelanders met een pied-à-terre in de stad moet ik nog tegenkomen. Op de een of andere manier is dat niet alleen maar een kwestie van geld. Eerder lijkt het om een levenswijze te gaan, en misschien zelfs om een overtuiging.

De stad is voor mij een noodzakelijke behoefte, het land een luxe. Als er een plaats is waarvan ik denk veel zo niet alles te begrijpen, dan is dat de stad. Wat een bioloog weet van de natuur, dat weet ik - met enige overdrijving - van de architectuur. Wat een landbouwhistoricus weet van verkaveling en grondgebruik, dat weet ik van de plattegrond van de stad. Ik ben een wandelaar en een fietser en ik kijk mijn ogen uit.

Natuur, dat is voor mij als ik heel eerlijk ben een kwestie van vakantie. En dus, waar het om ons eigen land gaat, ook van onze bescheiden reservaten, van ons hoogst kunstmatige natuurbehoud, en van onze zogenoemde natuurmonumenten: tot in de naam toe een verbluffend oxymoron en de meest Nederlandse paradox van alle die op dit gebied denkbaar zijn.

Dit is een voorpublicatie uit 'Lof der stenen. Beschouwingen over gebouwd Nederland' (De Bezige Bij, Amsterdam; 304 blz.¿€ 18,90) dat komende week verschijnt.

Dit door en door bizarre cultuurlandschap zal niet meer ophouden mij te verbazen

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden