Natura artis magistra

Dagenlang had het geregend en het goot nog steeds. De tuin was doordrenkt van hemelwater, een moddervlakte. Ik durfde met mijn auto niet te ver het grasveld op te rijden, bang dat ik weg zou zakken of voor eeuwig diepe voren zou trekken. 'Altijd november, altijd regen', sijpelde het in mijn hoofd. Gelukkig was het binnen droog, daar was de regen nergens doorgedrongen. Ik keek naar het Journaal: Iran, Rusland, Filippijnen, het weer. Het had wel iets behaaglijks, in een Engelse stoel bij het haardvuur. Opeens hoorde ik een zacht gedruis. Had ik ergens een kraan aan laten staan? Was de wc soms op hol geslagen? Even probeerde ik het te negeren, toen ging ik op zoek. Niks kraan, niks wc, het geluid kwam van beneden en ineens begreep ik het: de kelder liep onder.

Het is een donkere spelonk daar, zonder licht, een koude, vochtige ruimte. Laarzen aan en zaklantaarn mee. Ik zag wat er aan de hand was, op drie plekken spoot het water uit de muur. De kelderwand was kennelijk poreus en kon het grondwater niet langer tegenhouden. Wat nu? Ik pakte een paar handdoeken en zware stenen, probeerde het water te stelpen. Hansje Brinker. Op een gegeven ogenblik hoorde ik niks meer. Mooi zo. Maar toen ik even later weer ging kijken, was het water een stuk gestegen, het had inmiddels de gaten gepasseerd, waardoor ik niks meer hoorde stromen. Het stond nu minstens tachtig centimeter hoog. Om elf uur 's avonds wilde ik naar bed met 'The Circle' van Dave Eggers maar ik durfde niet. Ik wist dat het water de kamervloer niet kon bereiken want er zat een soort brievenbus in de kelder waardoor het water op zekere hoogte naar buiten zou stromen. Maar die gedachte hielp niet.

Ik heb niks meegemaakt, dacht ik, geen tyfoon, geen watersnood, geen oorlog, ik ben niet in dienst geweest, heb de apocalyps gemist, ik ben een watje, ik schrik al van een ondergelopen kelder. Ik deed geen oog dicht, ging om de twee uur kijken, het steeg nog steeds, was al vijf traptreden opgekropen. Pas rond een uur of vijf 's nachts leek het te stabiliseren. Ik sliep onrustig, stond de volgende ochtend vroeg op, het was nu duidelijk aan het dalen. De natuur, dacht ik, ze teistert je en ze troost je. Toen het water nog maar tien centimeter hoog stond besloot ik de gaten dicht te metselen. Misschien hielp het. In het duister modderde ik rond met mijn bakje cement. Het hoofdgat hield zich nu verraderlijk stil maar ik wist het te vinden. Juist toen ik er een kwak cement tegen aan wilde gooien, sprong er een kikker uit, glanzend en kleiachtig. Ik schrok me wezenloos.

Dit is er van ons geworden, dacht ik even later, leeuwen en sabeltandtijgers, orkanen en ijstijden en de homo sapiens schrikt van kelders en kikkers. Waar moet het met ons naartoe? Ik wist het ook niet maar ik meende er iets van opgestoken te hebben, dat de natuur ons ondanks Facebook, Twitter en het hele technologisch universum toch nog steeds op de vingers tikt. Een les van niks misschien, u daar op het platteland lacht er allicht om. Maar ik, verpapte stedeling maar nooit te oud, moest 'm nog leren.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden