Nagekomen afscheid van Bologna

Een jaar geleden kondigde Riccardo Chailly zijn vertrek aan uit Bologna waar hij als chefdirigent bij de opera (daar 'Teatro comunale' genoemd) werkte. Het afscheid verliep nogal abrupt, maar discografisch zat er nog een staartje aan de verbintenis: de al vastgelegde 'La cenerentola' van Rossini verscheen en die werd prompt met een Edison bekroond. En nu sluit de MESSA SOLENNE (Decca 444 134), ook van Rossini, de Bolognese tijd definitief af.

De compositie is net te lang voor één schijf; in een doosje voor één zitten daarom twee cd's en ze worden deze maand aangeboden voor de prijs van één. Een afscheidscadeautje dat een beeld geeft van wat Chailly bereikte sinds hij bij zijn komst in 1986 veel energie stak in het opera-orkest. De cd bevat namelijk de tweede versie van wat eerst 'Petite messe solenelle' heette; Rossini schreef zijn bepaald niet kleine mis oorspronkelijk voor koor, solisten, twee piano's en harmonium. Dat ensemble paste in de huiskapel van adellijke vrienden in Parijs. Rossini zorgde kort voor zijn dood in 1868 voor een orkestratie. Chailly stelde er een eer in om met zijn Bolognese ensemble en vier topsolisten (Daniella Dessi, Gloria Scalchi, Giuseppe Sabbatini en Michele Pertusi) met wie hij veel samenwerkt, de zwanezang van de maestro die in Bologna directeur van het conservatorium was, vast te leggen.

De opname, gemaakt in het stedelijk theater, is wat droog en zit net te dicht op het koor, waardoor het smakelijk vibrato van de volle Italiaanse stemmen iets teveel doordringt. Enige moeite heb ik met enkele onderdelen uit de compositie zelf; zoals het eindeloos herhaalde 'Tu solus Altissimus' in het Gloria, hoe gloedvol ook gezongen door de bas Pertusi. De kerkgang van Rossini's opdrachtgevers moet wel een genoeglijke, opera-achtige sfeer hebben gehad.

Concertgebouworkest vertelt verhalen

De discografie van Chailly toont een verrassende veelzijdigheid: dat hij met operawerken enige mijlpalen plaatste is niet zo verwonderlijk. De vraag is hoe hij die lijn gaat doortrekken. Met het Concertgebouworkest, of met de Scala Milaan? Een Verdi-cyclus met het Concertgebouworkest vindt mogelijk een vertrekpunt in het 'Requiem' en de 'Vier sacrale stukken' die al werden vastgelegd. De draad van het laat-romantisch repertoire is weer opgepakt. En met de twintigste eeuw heeft Chailly sterke troefkaarten in handen: Schönberg, Zemlinsky, Stravinsky, Prokofjef en Messiaen krijgen onder zijn handen opwindende vertolkingen, waarbij het Koninklijk Concertgebouworkest een virtuoze partner is.

De laatste bewijzen daarvan zijn te horen op een MOSOLOV/PROKOFJEF/VARESE-uitgave (Decca 436 640) en een ZEMLINSKY-uitgave (Decca 443 569). Op beide cd's werken waarin de componisten rukken aan de kettingen van de tijd om vooruit te komen, maar ook nostalgisch achterom kijken om de juiste expressie voor hun visioenen te vinden. De derde symfonie van Prokofjef, waarvan de vijf delen gebaseerd zijn op thema's uit zijn opera 'De vurige engel' is opgeladen met even smachtende verrukkingen als furieus flitsende ontladingen. En het is niet alleen de Prokofjef van 'De vurige engel' maar ook van zijn Romeo-balletmuziek (die in het vijfde deel doorklinkt). Curieus is het openingsnummer, de 'Ijzergieterij' van Mosolov: 3 minuten 36 seconden perfecte hoogoven-geluiden in een sensationele orkestratie met een triomfantelijke fanfare er boven uit.

De Zemlinsky-cd is onderdeel van de serie 'Entartete Musik', gewijd aan joodse of volgens nazi-standaard anti-volkse composities. De 'Lyrische Symphonie' heeft wat van een symfonie en van een doorgecomponeerde opera met twee stemmen, sopraan (Alessandra Marc) en bariton (Hakan Hagegard). De geëxalteerde teksten, even mystiek als sensueel, van Rabindranath Tagore, zijn gevangen in op- en neerwaarts slingerende vocale lijnen, waarbij het orkest de witregels tussen de verzen in vaak onstuimige bewegingen omvat. Verlangen naar het 'Jenseits', de lokkende roep van een etherische hemelvrouw, een netwerk van onbenoembare stemmingen worden uitgedrukt met veel majeur-mineurwendingen, driftige crescendi en ranke zang (van de sopraan) als klankgeworden Jugendstil. Het Concertgebouworkest is er de grootste verteller in.

Wie die twintigste eeuwse expressie te ver gaat, vindt een wonderschoon alternatief in SCHEHERAZADE (Decca 443 703) van Rismky-Korsakof (aangevuld met het 'Scherzo fantastique' van Stravinsky). Wat een wonder: Rimsky schreef deze orkestrale Verhalen uit Duizend-en-één-nacht in 1888, het jaar dat het Concertgebouworkest werd opgericht. Zoals prinses Scheherazade vertelde, zo vertelt ook het Concertgebouworkest, verleidelijk, spannend, virtuoos, 1001 avond. Rimsky legde het orkest de perfecte tekst in de mond en met Chailly als dirigent word je meegesleept tot in de laatste bit.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden