Naar de Oriënt!

Gérard de Nerval interesseert zich voor vrijwel alles: voor het dagelijks leven in Caïro, voor moslims en druzen, voor architectuur

Treinen en stoomboten maakten in de negentiende eeuw het reizen opeens een stuk gemakkelijker dan voordien. Ook voor schrijvers. Het is dus niet verwonderlijk dat het reisverslag in dat tijdperk uitgroeide tot een druk beoefend en veelgelezen genre. Reizigers wilden het naadje van de kous weten over de bouwwerken, de levenswijzen en de opvattingen in verre, vreemde streken. Veel van die boeken blijken ook nu nog de moeite waard. Voor de toenmalige lezer waren ze vooral interessant door de confrontatie met die andere bestaanswijzen en gewoonten. Voor ons voegt de afstand in de tijd daar nog een smakelijk laagje exotisme aan toe.

Voor de Fransen was Spanje, nabij en toch zo anders, van meet af aan een zeer geliefde bestemming. Théophile Gautier kwam als een der eersten terug met een uitvoerig reisverslag over dit exotische buurland. Schrijfster George Sand overwinterde met haar geliefde, de componist Frédéric Chopin, op Mallorca, in de hoop er verlichting voor diens tuberculose te vinden. Hun rampzalig verblijf vol ontberingen leverde een meeslepend boekje op, 'Een winter op Mallorca'. De schrijfster, de cultuurschok nog lang niet te boven, schroomt niet de bewoners van het eiland uit te maken voor een stel apen.

Ons eigen, aan de zee ontworstelde Nederland was voor zuiderlingen weer een hoogst exotische bestemming, en genoot in de tweede helft van de negentiende eeuw een verrassende belangstelling vanuit Portugal. De vooraanstaande schrijver Ramalho Ortigão reisde voor de Wereldtentoonstelling van 1883 naar Nederland. Hij keerde terug met een dik en onderhoudend boek, 'Holland in 1883', dat in Portugal nog steeds regelmatig wordt herdrukt. In veel opzichten vond de auteur dat ons goed georganiseerde land zijn chaotische en ongedisciplineerde landgenoten ten voorbeeld gesteld kon worden.

Maar het sterkst werden schrijvende reizigers in die dagen aangetrokken door het Midden-Oosten. Een belangrijke reden voor die belangstelling was de expeditie van Napoleon naar Egypte en Palestina, in 1798-1801. Militair was die een mislukking, maar met de latere keizer reisde een groot aantal wetenschappers en kunstenaars mee, die onder meer de piramides en tempels in kaart brachten en de steen van Rosetta ontdekten, met behulp waarvan de hiërogliefen konden worden ontcijferd. In 1809 verscheen de beroemde 'Description de l'Égypte', in 23 delen, waaraan door ruim 160 wetenschappers en tweeduizend kunstenaars was meegewerkt.

Vier van de grootste Franse schrijvers reisden in de daaropvolgende decennia in het Midden-Oosten rond, en ieder kwam terug met een vuistdikke pil. In chronologische volgorde: François-René de Chateaubriant, Alphonse de Lamartine, Gérard de Nerval en Gustave Flaubert.

Van die vier is het verslag van Gérard de Nerval onbetwist het levendigste. Van zijn boek is nu een schitterende, precieze en vlot lezende vertaling verschenen, die ook nog eens voortreffelijk werd geannoteerd.

In zijn relaas combineerde de schrijver de ervaringen die hij tijdens een tweetal reizen opdeed in de vroege jaren veertig van de negentiende eeuw. Volgens sommigen is de levendigheid van Nervals verslag mede te danken aan de omstandigheid dat de schrijver met zijn boek een verborgen agenda had.

Rond zijn 35ste kreeg de geniale en sensibele auteur, die op zijn twintigste al Goethe's 'Faust' in het Frans had vertaald, last van sterk wisselende stemmingen en hallucinaties. Een tijdlang werd hij zelfs in psychotische toestand verpleegd in een kliniek in Montmartre. Met zijn reis, en met het verslag daarvan, zou Nerval hebben willen aantonen dat het met zijn labiliteit inmiddels weer meeviel, en dat hij zijn evenwicht en belangstelling voor de wereld had hervonden.

Hij betoont zich inderdaad een hoogst onderhoudend causeur, met een sterk ontwikkeld gevoel voor humoristische details. Bovendien geeft hij blijk van een aangename zelfspot.

De schrijver neemt ruim de tijd voor zijn relaas, en dat is voor de lezer van nu misschien wel nóg prettiger dan voor diens tijdgenoten. Nerval interesseert zich voor vrijwel alles, en schrijft het prachtig op. Het leven in Wenen, Caïro, bij de piramiden, in Libanon en Istanbul wordt uitgebreid beschreven, evenals de mensen die de auteur ontmoet en de reizen tussen deze bestemmingen, per postkoets of per boot. Daardoorheen vlecht de schrijver brieven aan vrienden, verhalen, legenden, zelfs een complete roman, zodat het boek misschien niet erg vormvast, maar wel hoogst afwisselend is. ¿

Vrouwen op wie Nerval verliefd raakt blijken doorgaans onbereikbaar. Om in Caïro sociaal te overleven schaft hij zich niettemin, op aandringen van 'de sjeik van de wijk', bij een gespecialiseerde koopman een vrouw aan. Het onbegrip en de misverstanden tussen de beide echtelieden lopen vanaf dat moment als een rode draad door het relaas. Wanneer een potentiële minnaar zich wat erg nadrukkelijk voor de vrouw begint te interesseren, laat Nerval hem geïrriteerd het aankoopbewijs zien. Voor het overige is zij - door Nerval doorgaans aangeduid als 'de slavin' - toch vooral een vrouwvormig aanhangsel in het kielzog van de schrijver. Soms is haar gezelschap wat lastig, omdat zij óók wel eens wat wil, maar doorgaans functioneert zij als een handig laissez-passer.

'Reis naar de Oriënt' is al met al een overweldigend boek. De schrijver betoont zich een tomeloos verteller, goedgehumeurd en met een open geest. Hij munt uit in onvergetelijke portretten, hij verheldert de gecompliceerde godsdienstige opvattingen van moslims en druzen, heeft aandacht voor geschiedenis, kunst, architectuur, zeden en gewoonten.

De bewonderenswaardige gelijkmoedigheid die Nerval temidden van dit alles bewaart, is mooi verwoord in een terugblik op weer een ingewikkelde situatie waarin hij verzeild raakt: "Dat is het soort streken dat het Midden-Oosten je levert; in het begin lijkt alles eenvoudig, niet duur en gemakkelijk. Maar algauw maken allerlei behoeften, gebruiken, verzinsels de zaken ingewikkelder en word je meegesleept in een pasja-achtig bestaan dat, gevoegd bij de rommelige en weinig betrouwbare rekeningen, ook de best gevulde beurzen weldra leeg klopt."

Nerval excelleert in het helder uiteenzetten van die duistere leefregels en intriges. De wijze waarop hij kan genieten van wat hem bijna geheel vreemd is, de manier waarop hij daar lering uit trekt ¿ het is een verademing. Juist nu het Midden-Oosten zo vaak met een verengde blik wordt gezien. ¿

Gérard de Nerval: Reis naar de Oriënt. Vertaald uit het Frans en ingeleid door Hannie Vermeer-Pardoen. Van Gennep, Amsterdam; 551 blz. € 29,90

En de Franse reisschrijvers van de twintigste en van onze eeuw?
In de eerste helft van de twintigste eeuw ontpopte de diplomaat Paul Morand zich tot Frankrijks reisschrijver bij uitstek. Hij is degene die de snelheid in het genre introduceerde, zowel door zijn beknopte stijl als door zijn lyrische beschrijvingen van vliegtochten, expressetreinen en pakketboten. Door zijn opstelling in de oorlog vertoefde hij enkele tientallen jaren in het vagevuur van de literatuur, maar na 1968 herwon hij zijn reputatie als schrijver.

Ook in de afgelopen decennia is er door Franstalige schrijvers nog druk gereisd. Toen de Europese jeugd aan het eind van de jaren zestig de spirituele rijkdom van India ontdekte, werd de 24-jarige Muriel Cerf op slag beroemd met haar reisverslag 'L'Antivoyage'. Haar boek werd onder meer hoog geprezen door André Malraux, die zelf in de jaren dertig door China en Indochina gereisd had. De laatste jaren is deze schrijfster wat uit de belangstelling verdwenen. Nog immer rijzende is daarentegen de ster van de Franstalige Zwitser Nicolas Bouvier (1929-1998), die vanaf de vroege jaren vijftig onder meer Sri Lanka, Japan en Pakistan bereisde. Door de intensiteit waarmee hij zijn ontberingen ervaart en noteert overstijgt hij verre het niveau van de losse notitie of de rake schets en weet hij grote literaire hoogten te bereiken. Zijn werk is ook in het Nederlands vertaald, en werd door de kritiek zeer goed ontvangen.

Op dit moment lijkt de belangstelling van de Franse reiziger-schrijvers in het bijzonder uit te gaan naar het onverbiddelijke en barre Siberië, een gebied dat in de negentiende eeuw al door Jules Verne in de verbeeldingswereld van het Franse lezerspubliek was ingelijfd met zijn roman 'Michael Strogoff, koerier van de tsaar'. Olivier Rolin, die ooit enige maanden doceerde aan de Universiteit van Irkoetsk, beschreef twee reizen met de Transsiberië-expres. Ook Danièle Sallenave en Dominique Fernandez deden het afgelopen jaar verslag van een reis met de trein der treinen. Maar het misschien wel allermooiste Franse boek over Siberië, eveneens vorig jaar verschenen, is het met de Prix Médicis bekroonde 'Dans les forêts de Sibérie'. Daarin doet Sylvain Tesson verslag van een verblijf van een half jaar in een houten hutje aan de oevers van het Baikalmeer, ver van alles en iedereen. Enkel twee honden, tientallen boeken, vele flessen wodka en met tabascosaus op smaak gebracht blikvoer herinneren hem aan de beschaafde wereld. De confrontatie met kou, stilte en zichzelf levert een intense ervaring op.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden