'Naam van de roos'-ervaring ver van moderne toerist Moissac

MAASTRICHT - Elk jaar trekken grote aantallen toeristen naar het Zuidfranse Moissac om daar de schitterende romaanse abdijkerk te bekijken. Rijk uitgevoerd beeldhouwwerk is er te zien met intrigerende voorstellingen. Theoloog Régis de la Haye promoveerde onlangs in Nijmegen op de betekenis van deze voorstellingen.

Wie de film 'De naam van de roos' heeft gezien, naar het boek van Umberto Eco, herinnert zich wellicht de angstwekkende portaalscène: de jonge novice Adson die in een romaans kerkportaal staat en zich bedreigd voelt door de apocalyptische voorstelling op het timpaan. Het laat een letterlijke verbeelding zien van het troonvisioen uit de Openbaring van Johannes, die een goddelijke figuur op een troon in de hemel ziet zitten: “En van de troon gingen bliksemstralen, stemmen en donderslagen uit; en zeven vurige fakkels brandden vóór de Troon. En voor de troon was als een glazen zee, kristal gelijk. En midden in de troon en rondom de troon waren vier dieren, vol ogen van voren en van achteren.” De voorstelling is zo reëel uitgebeeld dat Adson de figuren op zich af ziet komen en van angst inelkaar duikt.

Het troonvisioen is te zien op het timpaan van het hoofdportaal in Moissac. Inderdaad hadden de filmmakers geen beter voorbeeld uit kunnen zoeken dat zich leent voor de uitbeelding van zo'n angstaanjagend tafereel. De middeleeuwse bezoeker kàn de voorstelling zoals Adson ervaren hebben. Een ervaring die overigens mijlenver afstaat van de belevingswereld van de hedendaagse toerist.

De la Haye: “Wij relativeren het goede en het kwade. Zelfs de grootste schurk kan volgens ons van een poes of hondje houden. Maar voor de middeleeuwer was zo'n relativering volstrekt ondenkbaar. Toen werd uitsluitend in zwart en wit gedacht: men was òf goed òf slecht.”

De la Haye - ondanks zijn verfranste naam Nederlander van geboorte - belandde in de jaren zestig bij toeval in Moissac. Hij volgde toen een priesteropleiding bij de 'Mission de France'. Studeren en stages wisselden elkaar af; een van de stages leidde naar Moissac, waar De la Haye naast de romaanse kloostergang van de kerk kwam te wonen. In het begin interesseerde hij zich nog niet zo voor het 11de- en 12de-eeuwse beeldhouwwerk, dat kwam pas later. Toen probeerde hij erachter te komen welke (bijbel)teksten een rol hadden gespeeld bij de voorstellingen die hij in de kloostergang en het hoofdportaal zag. Behalve het portaal bezit de abdij van Moissac namelijk ook een fraaie kloostergang. Ruim zeventig kapitelen bekronen de zuiltjes in deze vierkante hof en ook zij laten vreemde taferelen zien. Vooral de dierscènes boeien: gevleugelde slangen, griffioenen, leeuwen en adelaars komen veelvuldig voor.

De la Haye vertelt dat deze diersymboliek aan de invloed van de kerkvaders te danken is. De teksten van Augustinus speelden hierbij de grootste rol.

De benedictijner monniken van Moissac kenden deze literatuur goed. Dat blijkt uit de handschriften die zich in de bibliotheek van de abdij bevonden en die De la Haye in Parijs heeft geraadpleegd. De geschriften van de kerkvaders domineren in die collectie en de voorstellingen op de kapitelen in de kloostergang zijn er volgens De la Haye aan te danken. Hij heeft echter geen samenhangend programma tussen deze kapitelen - die omstreeks 1100 vervaardigd werden - kunnen ontdekken. Dat is tegelijk het grote verschil met het hoofdportaal, dat kort daarop tot stand kwam, in de eerste helft van de 12e eeuw. De la Haye meent dat het portaal de moderne theologie van toen weerspiegelt. Er kwam een rationelere manier van denken en die uitte zich in een manier om de dingen te systematiseren. De discussies spitsten zich vooral toe op de maagdelijkheid van Maria en op de kwestie van de Drieëenheid.

De la Haye vertelt dat in het troonvisioen van Johannes het Sanctus wordt gezongen, het driemaal 'Heilig, heilig, heilig'. Hij legt uit dat dit naar de Heilige Drieëenheid verwijst.

Voor de moderne bezoeker krijgt het timpaan hierdoor een diepere betekenis, die hem anders was ontgaan. Het timpaan blijkt dus ook een religieus pamflet. Lag de zaak voor de middeleeuwse bezoeker anders? Dat is de grote vraag. Diende het timpaan toch vooral niet als reclamebord van dat wat binnen werd aangeboden?

De la Haye benadrukt dat hij zich met zijn aanpak duidelijk onderscheidt van kunsthistorici. “Kunsthistorisch onderzoek blijft vaak beperkt tot plaatjes kijken en die benoemen. Meestal blijft men steken in beschrijvingen, waardoor de betekenis niet aan de orde komt.” Met kunsthistorici heeft hij dan ook niet veel op, geeft hij grijnzend toe.

Zijn recalcitrante houding herinnert aan de historicus Albert Delahaye, bekend om zijn omstreden theorie dat Karel de Grote nimmer in Nijmegen zou hebben gezeteld. Nijmegen zou systematisch verward zijn met het Noordfranse Noyon. Familie? De grijns wordt nog breder: het gaat om zijn vader. Junior heeft zijn familienaam na genealogisch onderzoek 'gecorrigeerd' van Delahaye in De la Haye, vandaar.

Het bloed kruipt dus waar het niet kan gaan: waar Delahaye sr. historici tegen zich in het harnas joeg, daar vindt De la Haye jr. de kunsthistorici tegenover zich. Tijdens de promotie bleek dat zijn geïsoleerde aanpak van het onderwerp hem niet in dank werd afgenomen.

Zo is het inderdaad jammer te noemen dat andere in de buurt van Moissac gelegen abdijkerken niet besproken worden. En dat terwijl daar hetzelfde type beeldhouwwerk (zoals in Beaulieu en Souillac) voorkomt. Dat wordt wachten op een volgend proefschrift. Van een kunsthistoricus?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden