Naakt aan het mysterie

Morgen worden mijn dochter en ik in de Sint Victor te Noordwijkerhout gedoopt. En je denkt, althans ik denk, dat de hartstocht van de twijfel dan wel een wit uitgeslagen vurigheid met de nadering van zo'n datum betekenisvol toeneemt. Wat mij betreft gebeurt dat niet. Ik word almaar leger naarmate die datum dichterbij komt.

Lijkt mij een typisch psychologisch verschijnsel: niets voelen ten aanzien van het belangwekkende maakt het onschadelijk. Voor mij is de mystieke leegte van de donkere nacht à la Joannes van het Kruis dus niet weggelegd. Voor mij zijn daar gewone leegte en weerzin als onhandige bewapeningsstrategieën.

Al schrijvende ontdekte ik hoe ik niet weet waar dit alles dat ik tot nog toe met mij mee sleepte, die aanhankelijkheid aan het katholicisme, de innerlijke verborgenheid van het godsgeloof, vandaan komt. Maar, al ontdekkende ontdek je. Terug naar die altijd en voor eeuwig verloren oorsprong. Terug naar dat katholieke buurmeisje, naar die donderende, maar zoals onlangs bleek, godliefhebbende zij het dolende vader, de vervlogen noten van koorgezang die mijn hart spontaan verheffen. Kennelijk komt het allemaal ergens vandaan. Alles daarna is rationalisatie.

Of, om met de fraaie woorden van Paul de Wispelaere, eerlijk geleend uit zijn 'Het verkoolde alfabet', te spreken: ,,(...)zoals de boom, hoe oud hij ook wordt en hoe hoog hij ook groeit, nooit de wortels kwijt kan zijn waaruit hij eens het sap voor zijn eerste blaadjes heeft gezogen. Meer nog: die wortels ontwikkelen zich samen en evenredig met zijn kroon.'' En, een boom, mits die ongehinderd groeit, die overleeft je. In het doolhof van herinneringen opgetrokken uit De Wispelaere's ,,(...)vreemde, verlokkende glans van een wereld die is ondergegaan en juist daardoor het verlangen in leven houdt'' was me dezer dagen een andere glimp vergund die iets prijsgaf over een min of meer oorspronkelijke ervaring die me in de armen van de kerk, niet die van haar letter maar van haar geest, drijft.

Jaren geleden liep ik op een egaal grijze dag door de straten van Amsterdam waar ik toen nog woonde en studeerde. Ik overwoog al wandelend - net zoals gekken altijd de meest comfortabele situatie voor denkers - een of ander, ongetwijfeld ingewikkeld, filosofisch probleem. Zag niets, hoorde niets. Ging brug op, brug af. Het moet per stom toeval zijn dat mijn blik de uit steen gekerfde gevels van de tegen elkaar leunende grachtenpanden opving. Die zijn er al heel lang, dacht ik, die zijn er al sinds vóór mijn geboorte.

Het was niet moeilijk te bedenken hoe hier ooit paardenkarren over de straatstenen werden getrokken, hoe koopmannen luid biedend en lovend af en aan de Herengracht liepen. En als ik hier niet meer ben dan lopen ze er wel met tot telefoons omgebouwde walkmans, mochten die er nog niet zijn.

Die gewaarwording van continuïteit, de verbondenheid met de stenen onder je, de gevels boven je, was religieus van aard, in de letterlijke betekenis van het woord: verbintenis. Het was dan ook niet verwonderlijk dat op dat moment lacherig maar daarom nog niet minder serieus de vraag opkwam 'Ja maar, wat is waarheid?'. Nu met de doop voor ogen: bij god ik zou het niet weten.

Liefde voor waarheid. Waarheid en liefde. Het kan toch niet anders zijn dan dat deze een en dezelfde zijn, zonder overigens te willen beweren dat alle filosofie een rationalisatie achteraf is. Maar, zoals ik al eerder op deze plaats verliefderig gesuggereerd heb: de aardse liefde is mijn leven binnengetreden en heeft alles, woeste passie zo eigen, ontregeld. Vandaar dan ook de droom in een gelukzalig bed dat niet mijn bed is over hoe ik in een vreemde kerk onder het altaar lig, slechts bedekt door een deken. Ik zie ondersteboven toe hoe alle mogelijke religies op hun eigenste wijze aan de commune deelnemen. Het is een ware wonderbaarlijke kermis. Dan de angst: hoe kan ik zonder het naakte lijf te tonen aan het mysterie van het geloof deelnemen?

Vanuit welk perspectief je het ook bekijkt: die droom is volmaakt doorzichtig. Vergt geen enkele Traumarbeitung, want, de waarheid dient naakt aan het licht te treden. Toch?

Ik stel vast dat ik me met een zeer bepaalde traditie, ondoorgrondelijk gewijs, verbonden voel. Dat de spanning tussen Woord en Brood me in een spagaat houdt. Dat het de geest en niet de letter is, het leven en niet de leer is die me beweegt. Maar dat ik niet kan stoppen het brood woord te geven.

En dan toch zo'n doop in de katholieke kerk.

Jawel, omdat ik geloof dat de traditie nooit haar wortels kwijt kan zijn waaruit zij ooit groeide. Net zoals die aardse liefde trouwens. Waar meer kun je nu voor hopen dan dat haar wortels zich samen en evenredig met haar troon mogen ontwikkelen?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden