NA VIER EEUWEN OP WEG NAAR EEN VOLWASSEN RELATIE

Bijna vier eeuwen is Indonesië in Nederlandse handen geweest. Gewelddadigheden hebben zich in die lange periode diverse keren voorgedaan, maar vooral in de jaren tussen proclamatie en souvereiniteitsoverdracht. Inmiddels zijn de betrekkingen 'genormaliseerd' en groeien beide landen toe naar een 'volwassen' relatie.

Tot nog toe werd aangenomen dat in het Javaanse dorp zo'n twintig mensen waren terechtgesteld. Dat getal wordt genoemd in de Excessennota van 1969, waarin Nederlandse wandaden tijdens de politionele acties zijn beschreven. Het bloedbad vond plaats in de nacht van 8 op 9 december. Nederlandse militairen doorzochten Rawagedeh, ten noordwesten van Jakarta, in de hoop de Indonesische nationalist Lukas Kustario te pakken te krijgen. Toen de naspeuringen niets opleverden, executeerden de Nederlanders 431 inwoners van de plaats. De namen van de slachtoffers staan gebeiteld in een gedenksteen op de zogeheten dodenakker van Rawagedeh. Daarop staan ook de 52 namen van de slachtoffers die bij volgende Nederlandse strafexpedities (1948 en 1950) om het leven zijn gebracht.

Het geweld dat de Nederlanders tegen de Indonesiërs gebruikten, is in Nederland altijd een pijnlijk punt gebleven. Toch onderschreef dr. Lou de Jong, zelf tegenstander van de politionele acties, de stelling van de sociologen en oud-Indiëgangers Van Doorn en Hendrix dat “hoe fors het militaire optreden van Nederland ook is geweest en hoe vaak het uit de hand is gelopen; hoe stelselmatig geweld is aangewend tegen burgers, met name door inlichtingendiensten en de speciale troepen; hoezeer de inzet van technische wapens vele onschuldige slachtoffers heeft gemaakt; hoe waar dit alles ook is, wie kennis neemt van het verloop van de dekolonisatie-oorlogen in de Franse en Portugese gebiedsdelen en van het geweld dat op Vietnam is losgelaten, zal moeten vaststellen dat Nederland in alle opzichten verhoudingswijs minder hardhandig is opgetreden”.

Dat standpunt werd deze week ondersteund door C. Fasseur, de secretaris van de commissie die destijds de Excessennota schreef. Hij zei zo goed als zeker te weten dat er niet nog meer excessen in Nederlands-Indië boven water zullen komen. “Ik ga niet uit van meer Rawagedehs.”

Indonesië is bijna vier eeuwen in Nederlandse handen geweest en gewelddadigheden tussen kolonisator en gekoloniseerde hebben zich in die periode met een zekere regelmaat voorgedaan. In 1569 kwamen de eerste Nederlanders op Java aan. In 1777 was heel Java Nederlands en in de negentiende eeuw kwam de hele archipel onder Nederlands gezag, op Portugees Timor en Brits Borneo na. Bloedige gevechten deden zich voor in de Java-oorlog van 1825 tot 1830 en de Atjeh-oorlog van 1873 tot 1903. De buit was fors: tien procent van het nationale inkomen werd in de Gordel van Smaragd verdiend.

In 1942 werd Nederlands-Indië door Japan bezet. Koningin Wilhelmina beloofde op 6 december van dat jaar dat Indië na de oorlog een aan Nederland gelijkwaardige positie zou krijgen in een gemenebest. Maar al lang voor die tijd hadden de nationalisten slechts één doel voor ogen: de volledige onafhankelijkheid. De latere vice-president Hatta zei in 1928 al: “Nederland zal kunnen kiezen: rustig weggaan of er worden uitgegooid.”

De nationalisten zag hun kans schoon na de capitulatie van Japan op 15 augustus 1945. Nederland kon zijn gezag niet meteen herstellen omdat de hele archipel één chaos was en zijn meeste mensen nog in de Jappenkampen zaten. Op 17 augustus proclameerden de activist Soekarno en studentenleider Hatta: “Wij, het volk van Indonesië, roepen hierbij de onafhankelijkheid van Indonesië uit. De formaliteiten voor de overdracht van de macht en andere maatregelen zullen op ordelijke wijze worden uitgevoerd en in de kortst mogelijke tijd.”

President Soekarno richtte een 'veiligheidsleger' op, maar veiligheid was al snel een schaars goed. In de chaotische achterban van de jonge en onervaren president ontstonden verschillende strijdgroepen die tekeer gingen tegen iedereen die niet voor een onafhankelijk Indonesië was of leek. Legereenheden, losse verzetsgroepen, guerrilla's en zogenoemde pemoeda's begonnen met een 'nationalistische' terreur die volgens schattingen aan tienduizenden het leven moet hebben gekost.

Aanvankelijk wilde Nederland niet met de nationalisten praten omdat zij collaborateurs van Japan zouden zijn geweest. In november 1945 werd de als anti-Japans bekend staande Sjahrir premier van Indonesië. Hij was een aanvaardbare gesprekspartner en in april 1946 had de eerste conferentie met de nationalisten plaats, op de Hoge Veluwe. Het werd een mislukking, want de partijen konden totaal niet tot elkaar komen. Intussen gingen de gewelddadigheden van de extremisten door. Vooral op Celebes liepen de zaken uit de hand doordat Molukse militairen van het Koninklijk Nederlands Indisch Leger represailles namen op de nationalistische terreur jegens familieleden. Aan nationalistische zijde werd het Leger van de Republiek Celebes opgericht.

In juli 1946 kwam er een doorbraak met de Malino-conferentie. Die leidde tot het Akkoord van Linggadjati op 25 maart 1947. Er zouden een Verenigde Staten van Indonesië en een Nederlands-Indonesische Unie komen. De unie zou het Nederlandse staatshoofd als voorzitter hebben en eigen besluitvormende organen krijgen. Verder zou elke deelstaat zelf voor Nederland of voor Indonesië mogen kiezen.

Het akkoord werd door Indonesië anders uitgelegd dan door Nederland en wederzijds wantrouwen laaide op. Toen Nederland in juli 1947 onvoldoende antwoord kreeg op de vraag hoe de rust op Java, Sumatra en Madoera hersteld zou worden, werd op de 27ste van die maand met de eerste politionele actie begonnen. Dit optreden duurde tot en met 4 augustus. Java en Sumatra werden gedeeltelijk bezet en plantages, olievelden en kolenmijnen kwamen onder Nederlandse controle.

De Veiligheidsraad riep de partijen op om de tafel te gaan zitten. In januari 1948 resulteerde dat in de Renville-overeenkomst, waarbij werd besloten tot een wapenstilstand. Maar ook in de nieuwe situatie bleef het onrustig in de archipel. Op sterk aandringen van de Katholieke Volkspartij (KVP) werd tot de tweede politionele actie besloten. Deze had plaats rond de jaarwisseling 1948-1949. Soekarno en Hatta werden gevangengenomen.

Het Nederlandse optreden werd de Verenigde Naties en de Verenigde Staten te gortig. De VS vonden dat West-Europa de krachten beter kon sparen voor de Koude Oorlog en dreigde met stopzetting van de Marshallhulp. Dat hielp: op 9 december 1949 aanvaardde de Tweede Kamer de souvereiniteitsoverdracht met 71 tegen 29 stemmen. Nieuw-Guinea viel hier buiten.

In 1950 werd Indonesië in de Verenigde Naties opgenomen en riep Soekarno de federatie uit tot een eenheidsstaat, de Republik Indonesia. De jonge natie kreeg vrijwel onmiddellijk te maken met interne spanningen. In Bandoeng op Java brak een opstand uit onder leiding van de Nederlandse voormalige kapitein R. Westerling. In Makassar op Celebes rebelleerde ex-minister Soumokil. Nauwelijks waren de onlusten daar onderdrukt of op Ambon, waarheen Soumokil was gevlucht, werd de Republiek der Zuidmolukken uitgeroepen. In 1953 brak op Noord-Sumatra een opstand uit onder de Atjeeërs, gesteund door de Darul Islam, die Indonesië tot een islamitische staat wilde uitroepen.

De eerste algemene verkiezingen, in 1955, brachten de grote verdeeldheid van Indonesië aan het licht en Soekarno's sympathie voor de communisten werd gewantrouwd. Hatta trok zich een jaar later terug uit de politiek. De spanningen tussen Indonesië en Nederland liepen weer hoog op, toen Soekarno in 1957 alle Nederlandse bedrijven in het land nationaliseerde. Soekarno wilde hiermee zijn aanspraak op Nieuw-Guinea als 'provincie van Indonesië' kracht bijzetten.

In die periode trok Soekarno steeds meer de macht naar zich toe. Hij ontbond de Wetgevende Vergadering in 1959 en verklaarde de grondwet van 1945 weer van kracht. Politieke partijen werden verboden en de strijdkrachten kregen een rechtstreekse vertegenwoordiging in het parlement. In 1963 werd Soekarno 'president voor het leven'.

Een staatsgreep in 1965, door overste Untung, werd de kop ingedrukt door generaal Soeharto die zich daarmee nadrukkelijk voor het presidentsschap kandideerde. De strijd tussen communisten en militairen eindigde in dat jaar met een waar bloedbad, waarbij vermoedelijk meer dan 500 000 mensen het leven lieten. De macht ging inderdaad over naar Soeharto en in 1967 ontnam het Volkscongres Soekarno zijn laatste bevoegdheden. Zijn naaste medewerker, Soebandrio, werd terdoodveroordeeld (zijn straf werd later omgezet in levenslang, hem werd vorige maand gratie verleend). Soekarno overleed op 21 juni 1970.

Soeharto noemde zijn politieke bestel de Nieuwe Orde, die met name een versnelde economische groei nastreeft door centrale planning. Die economische groei is onmiskenbaar, maar de Nieuwe Orde gaat ook gepaard met schendingen van de mensenrechten en van enige vorm van democratie kan amper worden gesproken. Vakbond en maatschappelijke organisaties worden alle door de staat gecontroleerd.

Soeharto richtte de buitenlandse politiek van Indonesië meer dan Soekarno deed op het westen. De verhoudingen met Nederland werden verbeterd; in 1971 vond het eerste Koninklijke bezoek plaats. Drie jaar geleden verbrak Indonesië echter de ontwikkelingshulprelatie met Nederland, nadat in verband met het optreden van het Indonesische leger op Oost-Timor de 'koppeling' tussen die hulp en de mensenrechten in stelling was gebracht. Sindsdien spreekt de Indonesische regering van een 'volwassen relatie' met Nederland, waarin wederzijds kritiek mogelijk is, mits die niet leidt tot druk op de economische betrekkingen tussen beide landen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden