Na Utrecht is het in Duinrell vooral saai

reportage | Nawras Altaki en zijn vrienden vluchtten vanuit Syrië naar Nederland. De opvang in Wassenaar is wennen, het geld raakt op.

Ze zitten in een kring. Buiten regent het, maar de rood-wit-groengeblokte gordijnen zijn dicht, de kachel gloeit en Nawras Altaki (20) zingt. Hij begeleidt zichzelf op een oed, een soort oriëntaalse gitaar met geknakte hals. Evergreens van Arabische zangers als Mohamed Abdel-Wahhab en Fairouz zingt hij. Zoals hij dat zo vaak moet hebben gedaan in Syrië, in restaurants, op talloze bruiloften.

Twee maanden geleden kwamen Nawras en zijn vrienden in Nederland aan. Trouw reisde met hen mee naar Ter Apel en sprak ze een maand later in Utrecht, waar ze in de noodopvang waren beland. Nu zoeken we ze weer op. Hoe vervolgen ze hun weg door Nederland?

Hun nieuwste halte: de winteropvang in Wassenaar. Twee weken geleden verhuisden ze naar een vakantiedorpje van attractiepark Duinrell, samen met zo'n 700 andere vluchtelingen. Tikibad links, vluchtelingen rechts. Bij de ingang naar 'Duingalowpark 6' achter de parkeerplaats staat een wachthuisje met twee beveiligers. Bezoek mag doorlopen. Eiken, veel groen, een verlaten kinderspeelplaats. Daartussen lage witte huisjes - 'duingalows' - met rode daken.

Zaterdagavond, tien uur. In Utrecht zouden ze nu de stad zijn ingegaan, in Wassenaar is natuurlijk niks te beleven. Hier hebben ze dan wel weer privacy. Een eigen huiskamer. Een keukentje, een magnetron. Een tv. Rust. Toch zijn de wallen onder de ogen van Milad Abou Hassoun (21) niet verdwenen. Hij oogt nog futlozer dan de vorige keer, glimlachen gaat stroef en mededeelzaam is hij al helemaal niet. Nawras wel, hij ziet er ontspannen uit. In Utrecht, vertelt hij, kon hij zonder wiet niet inslapen, in die rumoerige zaal met honderden anderen. Hier slaapt hij beter. Maar hij mist de stad.

Utrecht beviel hem. Het was makkelijk nieuwe mensen te leren kennen. Zoals Teresa. De Italiaanse studente waar hij mee scharrelde en die hij op een zaterdagavond in een kroeg op de Neude leerde kennen. Ook de anderen missen Utrecht. Ze missen de vrijwilligers, die dingen voor hen organiseerden. Mohamed Taje (26), een kledingverkoper uit Damascus, toont foto's op zijn mobiel van het joodse echtpaar dat hem twee keer uitnodigde voor de avondmaaltijd. "Komende week mag ik bij ze logeren."

Zijn instrument heeft Nawras ook aan Utrechtse vrijwilligers te danken. Iemand bracht een oude oed. Het ding was kapot. Snaren zaten er ook niet op. Geen nood, een ander was handig met instrumenten en wist het ding te repareren. Een derde kocht nieuwe snaren. En een vierde haalde ergens een leren tas vandaan om hem in te vervoeren. Binnen twee dagen was het geregeld.

Een joint gaat rond. "Zie je", zegt de Palestijnse Faries Alkadi (25) uit Aleppo, terwijl hij een trek neemt. Zijn vrije hand danst in de lucht. "Muziek is anders met wiet." Grijns: "Zet dat maar boven je artikel."

Een verblijfsvergunning zal nog lang op zich laten wachten, weten ze. Vanuit de IND blijft het stil. Een nieuw gesprek hebben ze na hun intake niet gehad, een uitnodiging is er niet, advocaten hebben zich ook nog niet gemeld, en de Coa-mensen bij de receptie antwoorden op elke vraag: 'Ik weet het niet'.

Geldgebrek begint de meesten parten te spelen. Gelukkig maakte Nawras' vader vorige week 200 euro naar hem over. Daar moet hij nog wel een paar maanden op teren. Dus drinken ze vanavond maar één blikje Grolsch en doen ze het verder met de thee, chocoladevla en oploskoffie uit de witte plastic zakjes van het Coa. Nu goed, én met de kleine zakjes wiet die ze van een schimmig mannetje kopen. Goedkoop spul, troep eigenlijk, ze vonden er laatst zelfs stukjes ijzer in. Ze rollen het in Drum-shag en genieten er toch van.

Op de klanken van Nawras' oed drijft het gesprek, onvermijdelijk lijkt het, richting Syrië. Sinds een week wordt hij opeens door allemaal vrienden gebeld, zegt de 30-jarige Mahmoud, een soennitische zakenman uit Damascus. Zijn naam is gefingeeerd, hij wil liever niet met zijn echte in de krant. "Ze maken nu ook plannen om weg te gaan." Hij leunt achterover op de bank. Wit hemd, brede borstkas. Dienstplicht ontlopen wordt steeds moeilijker, legt hij uit. "Er is net een nieuwe wet aangenomen. Zelfs 17-jarigen moeten er aan geloven. Steeds meer mensen vertrekken."

Zelf vluchtte hij ook voor militaire dienst. "Mensen denken dat we vertrokken om niet te sterven. Ik ging om niet te hoeven moorden."

De tengere Saje Mofarzj (23) tikt een zin op zijn mobiel. 'Assad of we verbranden het land', maakt de vertaalapp ervan. "Dat schrijft het leger op de muren. Vroeg of laat zul je mee moeten vechten."

"Assad", spuugt Mahmoud, "Assad bestaat niet. Assad is een pion op het schaakbord van de wereldmachten. Net als IS. Als het Westen het echt had gewild, had het de jihadisten allang vernietigd. Onder de tafel schudt iedereen elkaars handen. De oorlog zal nooit stoppen. Met Syrië komt het niet meer goed."

Zijn ze, zoals veel Europeanen na de aanslagen in Parijs, bang dat terroristen meeliften op de vluchtelingenstroom? Ze knikken. Zonder enige aarzeling. "Natuurlijk", zegt Faries. "Dat is de waarheid."

"Europa moet vluchtelingen véél beter screenen bij de grenzen", zegt Saje, nadat hij een zakje vruchtenhagel heeft leeggegooid in zijn mond - dat Hollanders zoiets op brood strooien, vindt hij nog steeds erg raar. Even raar als die malle melkpakjes met een rietje waar ze er elke dag weer twee van krijgen. Hun koelkast staat er vol mee.

"Ze zouden óns moeten inzetten", zegt Mahmoud. "Wij weten hoe het werkt. Ik heb ze gezien, in Griekenland, op de Balkan. Er worden zoveel neppaspoorten gemaakt. Niet alleen Syrische, ook Europese. Als ze mij bij de grens neerzetten, haal ik die IS-klanten er zo uit."

"Genoeg over politiek", gaapt Milad. Ook de anderen zijn het praten moe. En dus zingt Nawras maar een lied. Om de wietlucht te verdrijven trekt Faries de gordijnen opzij en opent hij een raam. Zacht waait de regen naar binnen.

De echte naam van Mahmoud is bij de redactie bekend.

Geen geld, geen contact met familie

Bassam Abou Hassoun (55), Milads oom, heeft een brief geschreven, in het Arabisch. Aan het Coa. Hij heeft er al zo'n veertig handtekeningen bij verzameld. "Ik begin met het uitspreken van onze dankbaarheid", benadrukt hij. Maar daarna komen er toch wat grieven.

In Ter Apel werd hen 57 euro zakgeld per week beloofd. Ze zeggen nooit iets te hebben ontvangen. Een vriend van Bassam, in Hoogeveen, krijgt wél geld. Die willekeur snapt hij niet. Na twee maanden in Nederland is zijn geld op, net als dat van veel van zijn vrienden. "Je wilt soms iets kopen in een winkel. Sigaretten, kleren. Naar de kapper. Wat drinken."

Die relatieve armoede valt te dragen. Het probleem is vooral dat ze geen nieuw beltegoed kunnen kopen. "Telefoon is familie", vat Bassam samen. Het wifi-netwerk op het terrein is erg zwak en ligt vaak plat. Dat bemoeilijkt de internetcommunicatie met het thuisfront. Internet is sowieso niet zaligmakend; op veel plekken in Syrië is er vaker niet dan wel elektriciteit of internetdekking. Bellen blijft onmisbaar. Bassams mobieltje is bovendien kapot: het scherm ligt aan diggelen. Reparatiekosten: 50 euro. Dat heeft hij niet.

Volgende klacht: het eten. Eentonig en te weinig, vinden ze. Bassam: "Geef ons geld, dan kopen wij zelf wat we hebben willen. Nu is het elke dag hetzelfde." Een halfje lichtbruin brood, een magnetronmaaltijd, wat fruit. "Ik heb na dat alles nog steeds honger", zegt Mahmoud Abosaud (22). "Maar ik kan niks extra's kopen in de supermarkt."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden