Na Savanna: grijp sneller in bij risicogezin

Het was lange tijd not done om kinderen uit huis te plaatsen. Sinds 'Savanna' keert het tij, al handelen hulpverleners nu vooral uit zelfbescherming.

De jeugdzorg is de laatste jaren door een aantal gebeurtenissen in een kwaad daglicht geplaatst. Bekendste casus, nu een jaar geleden: Savanna, het meisje uit Alphen aan de Rijn dat door haar moeder en diens vriend na jarenlange verwaarlozing werd vermoord, en door de politie werd teruggevonden in een kofferbak. De jeugdzorg, zo was de algemene opinie, stond erbij en keek ernaar.

In 2005 zullen ongeveer 360000 kinderen een of meerdere malen het slachtoffer zijn van ernstig geweld en zullen er 30000 gevallen van kindermishandeling worden gemeld. De hulp kan beter worden zonder dat het onmiddellijk over geld of de complexe, organisatorische infrastructuur rondom dergelijke kinderen hoeft te gaan.

Een aantal dingen kan absoluut beter: we moeten sneller en effectiever ingrijpen bij risicogezinnen, we moeten meer durven sturen en we moeten minder terughoudend zijn met het uithuisplaatsen.

Om met het laatste te beginnen: het was lange tijd not done om kinderen uit huis te plaatsen. We dachten dat kinderen uiteindelijk beter af zouden zijn in een gezin, al dan niet met intensieve ambulante hulp. Voor sommige gezinnen is dat niet voldoende en kunnen we uithuisplaatsing niet vermijden.

Dat lijkt misschien al het geval: sinds Savanna adviseren jeugdhulpverleners immers meer en meer kinderen uit huis te plaatsen. Een gevolg van de strafrechtelijke vervolging van de voogd van Savanna. Hulpverleners zijn zichzelf daarna gaan beschermen en besluiten nu bij de minste twijfel om een kind uit huis te plaatsen. Een volstrekt natuurlijke reactie, maar wel een die weinig te maken heeft met het belang van het kind.

Maar ook vóór Savanna werden voor de beslissing over uithuisplaatsing nauwelijks objectieve criteria gebruikt. Men ging voornamelijk af op de mening van de individuele hulpverlener. Terwijl er wel degelijk objectieve criteria bestaan: door te kijken naar het aantal risicofactoren in het gezin en de ernst van opvoedings- en gezinsproblemen, kunnen we voorspellen of het in een gezin mis zal gaan of niet. Hulpverleners moeten veel vaker gebruikmaken van wetenschappelijke methodes om tot een meer beargumenteerd oordeel te kunnen komen.

Dan mijn tweede punt: sneller en effectiever ingrijpen bij risicogezinnen. Van de 92 verschillende programma's voor intensieve gezinsbegeleiding zijn er slechts 17 onderzocht op effectiviteit. Het lijkt erop dat elke instelling voor jeugdzorg in het verleden een eigen projectje heeft bedacht, waarvan niemand precies weet wat effectief is en wat niet. Mijn voorstel is om al die methodieken te vervangen door één basismethodiek van intensieve ambulante gezinsbegeleiding, bijvoorbeeld de methode Hulp aan Huis. Die methode heeft zijn waarde bewezen en kent verschillende varianten.

Problemen van het kind worden niet altijd door de ouders veroorzaakt. Kinderen zijn niet altijd lieverdjes, en ouders kunnen daar niet altijd iets aan doen. De hulpverlening zou zich dus meer op de kinderen zelf moeten richten, in plaats van alleen op de ouders.

Daarnaast moeten gezinshulpverleners meer sturen. De helft van de gesprekken wordt besteed aan small talk en er gaan zes weken overheen voordat doelen van behandeling op papier worden gezet. We winnen tijd door meer protocollair te werken, zoals in de geestelijke gezondheidszorg. Hulpverleners moeten veel meer mikken op controle, in plaats van medelijden met het gezin. Dat geldt ook bij vermoedens van kindermishandeling: niet eindeloos pappen en nathouden, maar eerder ingrijpen als er sprake is van een opeenhoping van risicofactoren.

Sommige van mijn voorstellen lijken wellicht open deuren en ik geef toe: een aantal ligt bijzonder voor de hand. Dat ze nog niet zijn doorgevoerd komt door de cultuur in de jeugdzorgsector, die nodig moet veranderen. Jeugdhulpverleningsinstellingen lijken verliefd op hun eigen programma's voor intensieve gezinsbegeleiding zonder te denken over effectiviteit. De hulpverleners zijn niet gewend aan wetenschappelijke methodes van werken en beoordelen, maar vertrouwen op eigen ervaringen. Daarbij is het uitgangspunt nog steeds: liever niet uit huis plaatsen. Die ideologie moet worden doorbroken, net als de mentaliteit van hulpverleners om zich allereerst 'in te voegen in het gezinssysteem'. Dat is natuurlijk belangrijk, maar het klikt of het klikt niet. Daarvoor hoeven geen zes weken te worden uitgetrokken.

Het falen van de jeugdhulpverlening is niet alleen aan de sector zelf te wijten. De werkdruk is groot: een gemiddelde gezinsvoogd heeft zo'n twee uur per week voor een gezin. En dat zal alleen maar minder worden, omdat de toenemende tendens om kinderen uit huis te plaatsen vergezeld gaat van een groter aantal gevallen van onder toezicht stelling. Eindelijk maakt de politiek nu geld vrij om de caseload te verminderen, maar dat is rijkelijk laat.

De kwaliteit van de jeugd- en gezinshulpverlening kan ook stukken beter door een meer sturende insteek. Dat leidt tot kortere wachtlijsten en sneller en beter geholpen gezinnen. Die zullen daardoor meer bereid zijn om hulp te accepteren, die daardoor effectiever wordt. En dat leidt, al kun je incidenten nooit helemaal uitsluiten, uiteindelijk tot minder Savanna's.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden