Column

Na Kok mist de natie richtingsgevoel

Beeld Trouw

In zijn melancholieke boek ‘Ill ­Fares the Land’ schreef de Brits-Amerikaanse historicus Tony Judt dat in de meest pessimistische kijk het sociaal-democratische moment niet langer heeft geduurd dan de generatie van het eerste uur. 

Wim Kok speelde dus al in de extra tijd, toen hij in 1994, honderd jaar na de oprichting van de SDAP, als premier aantrad. Misschien gold dat zelfs ook voor Den Uyl, die premier was in de jaren zeventig. Den Uyl schetste zichzelf kort na zijn aantreden in 1973 als een ‘zondige reformist’. Hoewel het ironie was, bedoeld om enige afstand te nemen van de meest radicale geesten in zijn achterban, klopte het in de kern. Den Uyl was zich sterk bewust van de ‘smalle marge van democratische politiek’. Kok sprak twee decennia later zonder omhaal de ambitie uit ‘premier van alle Nederlanders’ te zijn.

Poldermodel

Als je in het driestromenland ­Nederland al van een sociaal-democratisch moment kunt spreken, lag dat in de naoorlogse jaren van wederopbouw. In deze periode, onder het premierschap van Willem Drees, werd een sociale welvaartsstaat opgetuigd die het rauwe kapitalisme moest ­beteugelen. Het momentum voor de PvdA, de opvolger van de SDAP, zat daarin dat zij voor het eerst als volwaardige partner in dit grote compromis werd gezien, net als haar sociale arm, de vakbeweging.

Den Uyl moest in de jaren zeventig schipperen tussen deze, in onze verhoudingen realistische, positie en een herlevende radicaliteit. Kok greep welbewust terug op de lijn-Drees, ­samenwerking in plaats van polarisatie. Hij kreeg de partij zover dat zij de in de jaren tachtig opkomende ideologische beweging ‘minder overheid, meer markt’, accepteerde, al moest hij daarvoor, in de WAO-crisis van 1991, het machtswoord spreken, iets wat Den Uyl nooit heeft gewild.

De tragiek van Den Uyl was dat door de funeste werking van de polarisatie zijn tweede kabinet er niet kwam, de tragiek van Kok, als je het zo wilt noemen, dat hij regeerde ten tijde van het liberale momentum, dat aanbrak na de val van de Muur in 1989. Toch kun je niet zeggen dat hij het boegbeeld was van een liberale agenda. Een belangrijke verdienste van Koks PvdA was dat zij het door ­liberalen belaagde ‘poldermodel’ heeft kunnen redden. Bolkestein zag dit overlegmodel, uitgevonden in de periode-Drees, als sta-in-de-weg van de vrijemarktwerking. Kok heeft het geluk gehad dat Amerikanen en Britten het poldermodel beschouwden als het ei van Columbus in de zoektocht naar een balans tussen overheid en markt. De regeringsleiders Clinton en Blair roemden het als ‘The Dutch miracle’.

Op dit vlak heeft Kok dus niets van zijn achtergrond als vakbondsman verloochend. Misschien is hij wel te gemakkelijk meegegaan in ‘de cultuur van tevredenheid’, die zich in de jaren negentig ontplooide. Het beeld komt van de Amerikaanse econoom John Galbraith, die in zijn land waarschuwde voor een tweedeling. Dit zag hij voor zich: de tevreden middenklasse is steeds minder bereid belasting te betalen die vooral ten goede komt aan een arme onderklasse. Politici zullen zich daarom steeds meer op de middenklasse richten, omdat daar hun kiezers zitten, en steeds minder op de hele gemeenschap. Gevolg: degenen in de hoek waar de klappen vallen, ­keren zich van de politiek af.

kladderadatsch 

Schuilt hier toch niet een verklaring voor de kladderadatsch van 2002, waarmee het premierschap van Kok eindigde? Galbraith meende dat de tweedeling zich in West-Europa niet zo snel zou voordoen, omdat het hier dankzij de sociale wetten was gelukt de meerderheid van de bevolking de ‘tevreden meerderheid’ binnen te loodsen. Maar dat was nog voor de ­ingrijpende bezuinigingen op de verzorgingsstaat en de grotere druk op de welvaartsverdeling door de komst van immigranten en vluchtelingen.

Hoewel Kok als kind van de crisisjaren, de bezetting en de ­sobere wederopbouwtijd altijd het gevoel voor het tragische is blijven verbeelden, had het beleid van de paarse kabinetten een haast hedonistisch karakter. De PvdA toonde zich in deze periode niet minder dan de VVD een fervent beschermer van het eigen huis, de auto en de portemonnee van de burger. De hypotheekrenteaftrek bleef onaantastbaar, autorijden was fun, en de belastingsverlagingen konden niet op, met als gevolg een klimaat van behoudzucht.

De hoofdlijn in Judts boek uit 2010 is ‘dat het slecht gaat met het land als de rijkdom zich opstapelt en de gemeenschap in verval raakt’. De aanspraken van individuele burgers op hun rechten mogen nog zo legitiem zijn, vervolgde hij, de onontkoombare prijs is de afname van het gezamenlijke gevoel van richting. Dat richtingsgevoel ontbreekt de natie nog altijd. Dat is zeker niet de exclusieve erfenis van Kok. Het is wel zijn echte politieke tragiek dat hij met zijn beleid ­inzette op een stabiele en weerbare samenleving en bijna het tegenovergestelde kreeg.

Hans Goslinga schrijft elk weekend een beschouwing over de staat van onze democratie.

Lees ook:

‘Wim Kok was een reus op wiens schouders wij konden staan’

In aanwezigheid van zijn vrouw Rita en kinderen, vrienden en tal van prominenten uit politiek, bedrijfsleven en cultuur is Wim Kok zaterdag in het Amsterdamse Concertgebouw herdacht

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden