Na het diner krijgen we wel een telefoontje

Nu het niet is gelukt de Europese Unie aan een grondwet te helpen, klinkt in Frankrijk en Duitsland de roep om een onderonsje, een 'kern-Europa'. Voor het eerst hoort Nederland niet meer bij die voorhoede.

Wouter Bax en Gerbert van Loenen

Onderonsjes tussen de grote buren voelen in Nederland nooit helemaal prettig aan. Frans-Duitse samenwerking, of -de laatste tijd in opkomst- Frans-Duits-Britse initiatieven: Nederland is er niet tegen, maar een beetje achterdochtig is het wel.

Momenteel wordt weer veel gesproken over een club landen die het voortouw moet nemen in Europa, nu de onderhandelingen over een grondwet in december zijn vastgelopen. Altijd wanneer het crisis is in Brussel, klinkt zo'n roep om een 'kern-Europa' dat alvast verder integreert dan de rest. Het dreigen daarmee is een handig wapen tegen landen die de EU vooral zien als plek om zakken te vullen en verder overal 'nee' op te zeggen. Want die mogen uiteraard niet meedoen met de kern.

Ben Bot, de nieuwe Nederlandse minister van buitenlandse zaken, sprak deze week in Berlijn met zijn Duitse ambtgenoot Joschka Fischer over een kern-Europa. Bot (CDA): ,,Ik heb ook gevraagd wat Duitsland daar nu precies mee bedoelt.'' Wat daarop Fischers antwoord was, wil Bot niet zeggen.

Vroeger zou een Nederlandse minister van buitenlandse zaken zoiets niet hebben hoeven vragen. Want wat er ook speelde in Europa, Nederland deed van begin af aan enthousiast mee. Nederland hoorde zonder meer tot de kern.

Aan die zekerheid dat Nederland tot kern-Europa behoort, lijkt vorig jaar een einde gekomen. Dat kwam door de oorlog in Irak. Duitsland wees een Amerikaanse invasie in zo ronde bewoordingen af, dat het land in een isolement raakte. Frankrijk was graag bereid Duitsland uit dat isolement te halen door hen te steunen. Weliswaar is Parijs niet zo pacifistisch als Berlijn. Maar het bewaart wel sinds jaar en dag afstand tot de VS.

De prijs die de Duitse regering daarvoor betaalde was dat het de traditionele evenwichtsoefening tussen vriendschap met Frankrijk en vriendschap met de VS opgaf. Duitsland trad toe tot een door Parijs geleide, anti-Amerikaanse as. Vervolgens gingen beide landen, samen met België en Luxemburg, demonstratief overleggen over Europese defensiesamenwerking. Ze zetten Washington en de Navo op afstand.

Nederland deed hieraan niet mee. Geheel volgens Nederlandse traditie poogde Nederland zowel Europees als Atlantisch te blijven. Den Haag steunde Washington verbaal, zonder Parijs en Berlijn openlijk af te vallen. Een unieke koers. Want liefst achttien andere Europese landen die ook de VS steunden, vielen Parijs en Berlijn wél af. Ze reageerden met een affront op de Frans-Duitse as en stuurden openlijke aanhankelijkheidsverklaringen aan de VS de wereld in.

Nederland laveerde als enige in de Europese Unie tussen beide kampen door. De buurlanden volgden een andere, van Amerika verder afstaande koers. Opeens liep er een grens tussen Nederland enerzijds, en Duitsland, België, Luxemburg en Frankrijk anderzijds.

Voeg daarbij de binnen Nederland opgestoken eurosceptische wind, die vooral binnen LPF en VVD waait, en de vraag duikt op of Nederland nog wel tot kern-Europa behoort. Die vraag is belangrijk geworden nu de Europese Unie in december niet tot een akkoord kwam over de Europese Grondwet. Prompt klinkt de roep om een kern-Europa weer, een voorhoede van landen die samen de kar uit de modder moeten trekken.

Maar wat is dat kern-Europa, of die 'noyau dur' (harde kern) zoals de Fransen zeggen, nu precies? Waar houdt de kern op en begint de buitenrand? En, zo vraagt men zich in Den Haag af, op welk terrein willen ze dan precies samenwerken?

De Duitser Karl Lamers, de CDU-politicus die in 1994 samen met zijn partijgenoot Wolfgang Schüuble het begrip lanceerde, zei dinsdag tijdens een debat in Berlijn dat alle landen die in 1957 de Europese Economische Gemeenschap hebben helpen oprichten samen de kern vormen. Dus niet alleen Frankrijk en Duitsland, maar ook Italië, België, Luxemburg en Nederland.

Lamers' en Schüubles bedoelden niet om de EU te splijten. Integendeel. Zij meenden dat Europa alleen verder komt als er steeds enkele landen zijn die bereid zijn hun nek uit te steken. Zo was het bij het afschaffen van de grenscontroles, zo was het bij de euro: een paar gaan voorop, en dan blijkt al snel dat meer landen zich willen aansluiten. CDU'er Lamers: ,,Een crisis is geen catastrofe, Europa kan alleen via crises voorwaarts komen. Maar er moeten wel een paar landen zijn die weten hoe je er weer uit komt.''

Dat zijn de landen die de kern vormen, de landen die willen dat Europa meer is dan een grote vrije markt. Dat zijn de zes landen die de EU ooit hebben opgericht, want ,,die hebben een zekere voorstelling van Europa'', denkt Lamers. Net als de oud-bondskanseliers Adenauer en Kohl is ook Lamers zo'n typische katholieke Rijnlander voor wie Europa essentieel is. Het zijn sinds 1945 steeds katholieke Rijnlanders geweest die bij de Frans-Duitse toenadering een voortrekkersrol speelden. En daarmee stimuleerden ze het ontstaan van kern-Europa.

In 1994, toen Lamers en Schüuble voor het eerst met hun kern-Europa kwamen, was Frankrijk nog niet zo ver. Dat veranderde toen in mei 2000 de Duitse groene minister van buitenlandse zaken Joschka Fischer voor het eerst sinds jaren het woord 'federatie' weer in de mond durfde te nemen. Dat was het doel waar Europa naar moet streven. Ditmaal nam Parijs de uitdaging aan: in juni 2000 sprak president Chirac, op bezoek in de Bondsdag in Berlijn, officieel van de noodzaak dat een groep landen vooropgaat om zo'n federatie te verwezenlijken.

Kern-Europa bestaat al met al in de eerste plaats uit Frankrijk en Duitsland. Eind vorig jaar demonstreerden zij hun onderlinge verbondenheid nog eens op het Europese toneel. Schröder moest de top in Brussel vroegtijdig verlaten om in Berlijn zijn begroting te verdedigen voor het parlement. President Chirac ging aan de onderhandelingstafel demonstratief de belangen van Duitsland in het oog houden. De Frans-Duitse as kon wel wat symbolische ondersteuning gebruiken.

Soms worden de Beneluxlanden en Italië, mede-oprichters van de EU, bij de kern geteld. Steeds vaker echter lijkt het of kern-Europa veeleer bestaat uit Frankrijk, Duitsland en Groot-Brittannië. Dat laatste land is weliswaar van oudsher eurosceptisch, maar omdat de grote drie weten dat ze niet zonder elkaar kunnen, overleggen zij tegenwoordig opmerkelijk intensief. Deze week bevestigde de Britse minister van buitenlandse zaken Jack Straw best te voelen voor een kerngroep met Frankrijk en Duitsland. ,,Concrete samenwerking van de grote drie kan een sterke motor worden achter het uitgebreide Europa'', zegt hij.

Bestaat kern-Europa dus vooral uit een onderonsje van twee of drie grote landen? Vroeger reageerde Nederland altijd gepikeerd als de indruk ontstond dat de grote landen een 'directoraat' wilden vormen.

Die gedachte went nog steeds moeilijk. Dat bleek in september vorig jaar nog tijdens een optreden van de toenmalige minister van buitenlandse zaken De Hoop Scheffer. ,,Het buitenlandse beleid van de Europese Unie staat of valt met de vraag of Parijs, Berlijn en Londen het samen eens zijn'', zei hij tegen journalisten. Zwart op wit in de pers kwam dat toch wat hard aan. Een woordvoerder ging redacties bellen om te roepen dat de minister het zo niet had bedoeld. Zelf meldde De Hoop Scheffer op de radio dat zijn uitspraken uit hun context waren gerukt.

Kennelijk is het voor Nederland nog steeds een beetje gênant om toe te geven dat het op zijn best 'de grootste van de kleine landen van de EU' is. Toch schikken Nederlandse politici zich steeds meer in deze realiteit. Staatssecretaris Nicolaï van europese zaken (VVD) zei in november, na een bezoek aan ambtgenoten in Berlijn: ,,We zijn absoluut niet bang voor samenwerking tussen Frankrijk en Duitsland.''

Met Duitsland zit Nederland zo vaak op één lijn, dat het Nederlandse geluid toch wel doorklinkt. Waar het op aan komt, is dat Berlijn het Nederlandse belang meeneemt op het moment suprème: als Berlijn overlegt met Parijs. Nicolaï: ,,Het is nu eenmaal niet zo dat zij ons bellen als ze met de Fransen aan het diner zitten en wij er niet bij zijn. Wel daarvoor en daarna, maar niet tijdens het diner. Ik lijd daar niet onder, het is nu eenmaal zo.''

Dat Nederland aan de gedachte went, blijkt ook uit de afstand die gaandeweg ontstaat tot de kleinere landen en hun Calimero-protest. De nieuwe minister van buitenlandse zaken Ben Bot lijkt in dat proces een volgende stap te zetten. Als geslepen ex-diplomaat aanvaardt hij het feit dat de grote landen onderling veel besluiten voorbereiden. Maar hij kijkt niet lijdzaam toe. Voor hem is het juist zaak om optimaal van deze dominantie te profiteren. Want dat landen als Duitsland en Frankrijk samen machtig zijn, betekent niet dat ze geen vrienden meer nodig hebben.

Vooral Duitsland kan meepraten over het feit dat een innige en eenkennige vriendschap met een ander zwaargewicht ook verstikkend kan zijn, zoals op die middag in oktober 2002. Voorafgaand aan een topontmoeting van regeringsleiders, gooiden Chirac en Schröder het in het Brusselse Conrad-hotel op een akkoordje over de landbouwhervorming. Niet meer dan de helft van de subsidies aan boeren zou worden losgekoppeld van hun productie, besloten de twee. Frankrijk was de overwinnaar en Duitsland de grote verliezer. De Franse boeren waren gebaat bij het aloude stelsel, maar Duitsland betaalde daar zwaar aan mee.

Die avond laat, tijdens een borrel met de Nederlandse delegatie in het Meridien-hotel, pareerde De Hoop Scheffer de teleurstelling dat Nederland was gepasseerd. Zo verrassend waren de ontwikkelingen volgens hem niet. Maar drie meter verderop vertelde Bot, die toen nog Nederlands belangrijkste EU-diplomaat was, dat zelfs Schröders volgelingen diens toezegging niet hadden voorzien. Het onderonsje zou model gaan staan voor een nieuw gezegde in de Brusselse diplomatie: ,,Als je Chirac en Schröder in één kamer zet, wint Frankrijk.''

Minister Bot is bij uitstek de man die een dergelijk mechanisme in het voordeel van Nederland kan laten uitpakken. Deze week, na een bezoek aan Berlijn, zei hij nog eens het prima te vinden als de grote landen onderling zaken doen. ,,Ik heb wel duidelijk gemaakt dat, als de grote drie samenwerken, wij daar niet tegen zijn. Je houdt het toch niet tegen. Maar we willen wel graag op de hoogte worden gehouden.''

Een vriendelijk verzoek, met als boodschap dat Duitsland achter zijn westelijke grens in principe een loyale partner kan vinden die Berlijn sterkt in zijn overleg met Parijs. Het zou voor de Nederlandse regering geen slechte uitgangspositie zijn. Want waar dat kern-Europa nu precies ligt, weet niemand. In elk geval loopt de weg van Den Haag daarnaartoe via Berlijn.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden