Na elf kinderen verder als paradijsvogel

Ze herinnert zich hoe haar grijze krullen op de vloer van het trendy kapperszaakje in Parijs vielen. En hoe ze even later met kort, oranje geverfd haar - zoals David Bowie het destijds droeg - naar buiten wandelde. De uitgebluste en teleurgestelde moeder Lucy Riemvis was op haar 55ste veranderd in de kunstenares Kiss.

Dat is nu 23 jaar geleden. Zonder ooit les te hebben gehad, begon ze te schilderen en maakte ze extravagante kleding en maskers. Begin jaren tachtig kwam haar carrière in een stroomversnelling toen ze op tv verscheen in het programma 'Showroom'. Ze was een van de bijzondere mensen - Paradijsvogels - die in het programma werden geportretteerd. Nog steeds doet ze modeshows en exposities en ze geniet van haar populariteit onder haar publiek van - ze zegt het met trots - voornamelijk huisvrouwen. Want dat is ze zelf uiteindelijk ook jaren geweest.

Ze kreeg 11 kinderen, van wie er twee kort na de geboorte overleden. “Ik zat ín mijn kinderen. Ik was gelukkig als zij gelukkig waren, ik had verdriet als zij verdrietig waren. Ik genoot van ze. Maar we waren arm. Ik dacht: als ze later groot zijn, gaan ze werken. Dan hebben we geld. Dan gaan we reizen. Maar ze kregen natuurlijk een eigen leven en ik kwam op de tweede plaats. Ik zat bij het venster als een idioot op ze te wachten. En ik werd een rot-grootmoeder die zich overal mee bemoeide. Ik dacht: is dit het leven?”

Het was niet de eerste keer dat Kiss psychisch volkomen in de knoop raakte. Ze werd geboren in Indië en in de oorlog zat ze met haar oudste dochter in een Jappenkamp. Haar eerste man overleefde de kampen niet. Toen ze na de oorlog naar Nederland ging, kwam ze in een inrichting terecht. Ze slaagde erin een nieuw leven op te bouwen, maar toen haar kinderen het huis uit waren en haar tweede huwelijk op de klippen liep, voelde ze zich afgedankt en nutteloos. Ze zwierf 's nachts door Den Haag. In een homobar kwam ze op een avond Paul van Bemmelen tegen. Ze kenden elkaar. De deur van Kiss had altijd open gestaan voor mensen met problemen. Zo had ze Paul ooit van zijn peppillen-verslaving afgeholpen. Nu bood hij haar onderdak en nam haar later mee naar Parijs, waar ze haar nieuwe leven begon.

Ruim twintig jaar later wonen ze nog steeds samen, nu in een rijtjeshuis in Rijswijk. Paul boven, Kiss beneden. “Er zijn meer soorten relaties dan alleen seksuele”, zegt Kiss. “Hij is trots op mij. Hij helpt me bij mijn shows. Hij zet me op de voorgrond.” Tijdens zo'n show kreeg ze ook haar nieuwe naam. Iemand in het publiek noemde haar Kiss - 'kleintje' in het Hongaars. En zo bleef het.

Ze zit in kleermakerszit op de bank. Klein en breekbaar in een flonkerend gewaad. Ze moet drie keer per week naar het ziekenhuis, één long is verwijderd. “Ik ben een wrak”, zegt ze. Maar lenig is ze wel. “Als ik mijn handen vol heb, rook ik met een sigaret tussen mijn tenen. Net een aap”, grinnikt ze. Op een tafeltje staan potjes verf en doosjes met kralen. Ze maakt een hoofdtooi vol glinsterende steentjes. “Ik ben altijd bezig. Dan voel ik de pijn niet. Je moet in beweging blijven. Net als het water. Als het stilstaat, gaat het rotten.” Paul, die naast haar is gaan zitten, beaamt dat. “Ze is altijd aan het werk. Een schilderij moet in één keer af. Ze heeft kasten vol met kleding. Ze kent geen maat. Ik zei een keer, voor ik naar mijn werk ging, dat ik zin had in een loempia. Toen ik thuis kwam, had ze er tweehonderd gemaakt.” Kiss lacht bedeesd. “Ik was gewend voor veel mensen te koken.”

Ze pakt een slang van stof, rijkelijk versierd met kralen. “Ik maak veel slangen, soms meters lang. Het is het symbool van het leven. Hij komt uit zijn oude vel tevoorschijn met een nieuw vel. Vroeger, in Indië, had ik een slang. Van mijn moeder mocht ik er niet mee spelen, want hij was giftig. Maar hij beet me niet.”

Ze was een dromerig kind, vertelt ze. Naïef. Maar Kiss leefde door te fantaseren. Nog steeds. “Psychiaters hebben tegen me gezegd: je moet met beide benen op de grond staan. Maar dat kan ik niet, dan ben ik een verloren iemand. Als je idealen en illusies hebt, kun je genieten van dingen die nooit zullen gebeuren. Dan kun je de pech loslaten.”

In haar wereld is ook plaats voor geesten. Met een oma die afstamde van de Batakkers op Sumatra en kruidendranken brouwde en aan goena-goena (zwarte magie) deed, kwam dat als vanzelf. Van jongsafaan wordt ze begeleid door een geest die ze Gabe noemt. En ze kwam er achter dat ze kan hypnotiseren en magnetiseren. In het Brabantse dorp waar ze een huis kreeg, wisten de mensen haar al snel te vinden. De pastoor vond het prima, een vrouw die zieken 'genas'. Maar dan moest Kiss wel een collectebusje neerzetten dat hij iedere week kwam legen. Zelf vroeg ze geen geld aan haar patiënten. “Voor het occulte mag je nooit geld vragen”, vindt ze. O nee, ze pretendeert niet dat ze mensen kan genezen. “Soms komt de trilling, dan kan ik iets doen. Maar je bent geen god, hè. Als ik niets voel, praat ik alleen maar met ze. Dan leef ik me in hun problemen in. Ik heb ook zelfmoord willen plegen. Ik weet wat het is om een kind te verliezen, om je man te verliezen. Ik begrijp ze.”

Na een korte stilte zegt ze: “Het leven is mooi.” Ook met herinneringen aan het Jappenkamp, aan inrichtingen en het verlies van haar man en twee kinderen? “Ja. Het hoort er bij. Ik heb een leven van rijkdom.” Ze heeft nu het gevoel dat ze helemaal zichzelf is. En dat ze gewaardeerd wordt. Niet meer het domme meisje dat nooit verder kwam dan de derde klas en dat nog steeds fonetisch schrijft - Paul vertaalt haar brieven, zodat wie haar om raad vraagt, ook kan begrijpen wat ze antwoordt.

“Ik kijk inmiddels niet meer naar mijn kinderen uit”, zegt Kiss. “Zij hebben het erg druk, maar ik heb ook mijn eigen werk.” Een paar kinderen hebben het er nog steeds moeilijk mee dat hun moeder zich in flonkerende gewaden en hoofdtooien hult. “Ze willen me niet meer kennen. Dat respecteer ik.”

“Er is nu meer vrijheid”, zegt ze, verwijzend naar de tijd dat ze in elkaar werd geslagen om haar excentrieke uiterlijk. Paul wijst op een boeket. “Lees het kaartje maar, daar is ze best trots op.” De bos bloemen is van de burgemeester, om haar te feliciteren met het boek dat journalist Leon Zoeteman over haar schreef. Het wordt vandaag gepresenteerd in de bibliotheek van Rijswijk.

“Ik had gewild dat mijn moeder me zo had kunnen zien”, zegt Kiss. “Mijn vader heeft mijn schilderijen nog wel gezien. Hij heeft er één gekocht en hij zei: je bent mijn knapste dochter.”

Ze straalt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden