Na de slotkus een te zoete nasmaak

Ballet

Le sacre du printemps Het Nationale Ballet ***

Honderd jaar geleden markeerde het schandaalballet 'Le sacre du printemps' van Nijinski op Strawinsky's gelijknamige compositie de balletgeschiedenis. Het Nationale Ballet presenteert daarom in het kader van het Holland Festival een tweeluik met twee choreografen die ieder op volstrekt eigen wijze internationaal aan de weg timmeren: Shen Wei met een eigen versie op de integrale muziek en David Dawson op een nieuwe compositie van de Poolse componist Szymon Brzóska, losjes op de 'Sacre' geïnspireerd.

Die inspiratie is niet 1-2-3 te herleiden in de aaneenrijging van losse muziekscènes die Brzóska componeerde voor 'Ouverture', of het moet de suspense zijn die de meeste stukken kenmerkt, soms zo letterlijk dat je denkt dat het begeleidende orkest Holland Symfonia de soundtrack van Hitchcocks 'Psycho' heeft ingezet. Suggestief en dienend aan Dawsons dans. De choreograaf laat zijn dansers erop aantreden in vier strak opgestelde lijnen, waarin iedere danser zijn eigen bewegingsparcours uitzet. Individuen maken zich los, er ontstaan groepsdansen en duetten, om ten slotte weer cyclisch te eindigen in dat rigide grid. Mét een happy end, want de dynamiek van komen en gaan, ontmoeten en weer afscheid nemen, wordt dan toch bezegeld met een kus.

Het pleidooi van Dawson voor het reiken naar persoonlijk contact in een chaotische wereld, is sympathiek en soms ook treffend. Toch houd je na de slotkus een te zoete nasmaak over; is het niet door de futuristische balletoutfits in fluorkleuren, dan wel door de weeïge uitwerking van het thema. Dawson balanceert met zijn vloeiende, lyrische en óverstrekte danstaal op de rand van het sentimentele en kukelt er op momenten overheen.

De vanuit New York werkende Chinese choreograaf Shen Wei is inmiddels Sacre-kenner; in 2003 maakte hij al een mooie versie voor zijn eigen groep Shen Wei Dance Arts. En nu duikt hij nog dieper in de immense gelaagdheid van de muziek, in grote bezetting door Holland Symfonia uitstekend uitgevoerd. Een cirkel op de toneelvloer staat voor oneindigheid, het achterdoek is een vlek waarin je de kleuren van land, zee en lucht kunt herkennen. Vanuit de cirkel spiraalwaaieren de dansers als magneetstof met Shen Wei kenmerkende ganzenpasjes naar elkaar toe, vormen clusters die weer uiteenvallen om nieuwe verbindingen aan te gaan. Dans versmelt hier met muziek, muzieknoten komen tot leven, en armen en benen gaan als wuivend graan in prachtige landschappen aan je voorbij. Dit is wat je noemt: een holistische benadering van ballet.

toneel

De meeuw Toneelgroep Amsterdam ****

Strakgespannen als het linnen op een ezel is het witte achterdoek. Vanaf de achterkant trekken lange vegers er met grijze strepen de omtrek van een berglandschap op. De acteurs zitten ervoor op een paar rijen simpele tuinstoeltjes. Tussen hen en het publiek een houten plankier. Daarop wordt zo meteen het stuk gespeeld, waarmee de jonge Kostja het volgens hem achterhaalde toneel van zijn moeder, de beroemde actrice Arkadina, hét weerwoord wil geven. Maar ook de andere scènes van Anton Tsjechovs 'De meeuw' worden op dat plankier gespeeld.

Aldus zijn de acteurs speler, personage en toeschouwer tegelijk. Spelen dat je niet speelt, is ook spelen, zegt immers een van hen. En aan het verloop van 'De meeuw' is intussen niet te ontkomen.

Met contrasten en dubbelspel geeft gastregisseur Thomas Ostermeier, artistiek leider van de Berlijnse Schaubühne am Lehniner Platz, 'De meeuw' een gelaagdheid die terloops lijntjes weeft tussen kunst en natuur, tussen echt en onecht, tussen poëzie en gewoon. Spannend vooral door de ter plekke geënsceneerde vormgeving van scenograaf Jan Pappelbaum.

Als in het laatste bedrijf alle jeugdidealen en hoop op geluk zijn vervlogen, smeren de vegers het eerdere zachte grijs ruw en met dikzwarte halen weg. Een dunne pen trekt er met een wit lijntje nog weer de contouren van een bergketen in. En het is of een aquarel in een gravure is veranderd.

De botsing tussen generaties, in 'De meeuw' ook een botsing tussen visies op kunst, wordt zo indrukwekkend gevisualiseerd. Met de suggestie dat kunst de desillusie in het gewone leven in helende schoonheid kan omzetten.

Niet dat Kostja daar veel aan heeft - zijn zelfmoord is onafwendbaar - of zijn jeugdliefde Nina, verleid en weer weggegooid door Arkadina's minnaar Trigorin. Maar als beeld schuurt het mooi aan tegen de spelregie van Ostermeier, die de weerbarstige vitaliteit van het vreselijk ongelukkig zijn van iedereen als uitgangspunt heeft. En daar soms net iets te ver in gaat.

Dat hij Kostja in zijn eigen toneelstuk laat optreden als rode duivel met een sterretjes spuwende dildo is platvloers en staat ver af van diens kijk op kunst. En Eelco Smits krijgt veel te weinig ruimte om Kostja's karakter in te vullen.

Die ruimte krijgt Hans Kesting als Trigorin des te meer, ook omdat hij het stuk als toneelspel mag presenteren. Via regieaanwijzingen. Kesting doet dat alles met een verrukkelijk slome verleidelijkheid.

Door Pappelbaum en Kesting krijgt deze voorstelling een troostende én aardse betekenis.

Stadsschouwburg Amsterdam t/m

23-6. Tournee 14-8/24-10. Info www.tga.nl

foto angela sterling

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden